De vooraanstaande Duitse socioloog en architectuurcriticus Prof. Dr. Werner Sewing verdiepte zich op verzoek van Premsela enkele maanden in Nederlands design. Op 21 april sprak hij een genodigd publiek in de beurs van Berlage toe over zijn bevindingen. 

Een dag ervoor sprak ik uitvoerig hem in een klein restaurant. Zijn publieke voordracht droeg de titel ‘Retro Design or Populism – On the return of the Repressed’ 

Heeft Premsela zich wel gerealiseerd dat het niet ongevaarlijk is om een Duitse intellectueel langdurig onze design prestaties te laten bestuderen? Sewing laat zich zeer kritisch uit, daarom is dit verhaal is niet geschikt voor minderjarige designers.

Sociologen kunnen ons onaangenaam confronteren met de betekenis van ons vak. Sewing windt er geen doeken om waar design volgens hem voor staat. ‘Design speelt een rol in de sociologie van lifestyle, zoals bij het tonen van goede smaak. Sociale elites kiezen op smaak. Design dient er vooral voor om de positie van de elite te bevestigen’. Die stelling wordt toegelicht met de Bauhaus Swinging Chair. Echtgenotes van tandartsen (upperclass) kochten de stoelen voor de wachtkamers van hun man’s praktijk, zo blijkt uit de boeken. De clientèle (middle en lower class) beschouwden de stoelen dús als teken van goede smaak en kopieerde -letterlijk en figuurlijk- het gedrag van de tandartsvrouw. Vooral de kopieën van de stoelen werden uitstekend verkocht: minder prijzig en toch refererend aan de smaak van de hogere klasse. Het is een klassiek staaltje sociologie dat een logische verklaring levert voor het gedrag van groepen mensen.

Sewing koos ervoor om sociologie te studeren in een periode dat dat een zeer politiek gekleurd vak was. Pas aan het eind van de jaren zeventig richtte het vak zich meer op cultuur, waar Sewing al langere tijd geïnteresseerd in was. ‘ik deed steeds dingen niet in waren, pas later bleek dat ik op het goede spoor zat.’ Hij was politiek actief in Berlijn en volgt de Duitse en Europese politiek nauwlettend. Dat Sewing kritisch is over het politieke gehalte van Nederlandse vormgeving is dan ook al niet verwonderlijk maar wel, alweer confronterend. ‘Dutch Design is niet politiek genoeg. Nederlandse ontwerpers nemen politiek geen stelling en trekken zich terug in een neutraal pragmatisme. Deze houding biedt geen antwoord op het nieuwe populisme, dat teruggrijpt naar verleden en traditie. Dit gaat de Nederlandse vormgeving kwetsbaar maken. Veel Nederlandse designconcepten lijken politiek maar zijn louter esthetisch. Het is vaak wel innovatieve design maar het is zeker niet politiek.’

Alsof de dubbele afstraffing nog niet genoeg is, vind Sewing daarnaast Nederlands design te weinig context hebben en onvoldoende ingebed in de samenleving. ‘Droog design wil graag de context vergeten maar het is kunst. Het wordt gekocht door verzamelaars en musea. Het zal toch echt eindigen als een kunststroming. Maar als ik het kunst noem, is dat beslist geen negatieve kwalificatie. Al onze noties zijn trouwens kleiner geworden, een eeuw geleden bestond het woord design niet eens. Bauhaus noemde het ‘formgebung’. Ze vermeden het woord architectuur ook en hadden het consequent over ‘bauen’. Ze waren erg geïnteresseerd in de morele kant van gebruik, daar ontwikkelde ze ook wereldvisies uit. Er was een grotere vertelling. Ze wilden de formele, esthetische en functionele dimensie van het leven samenvoegen. De politieke ideeën die ze neergeschreven, vind ik echter niet fantastisch. Gropius was elite bourgeois, hij dacht zelfs dat ze ook voor de nazi’s konden werken.’

‘Als je Design als kunststroming positioneert is dat in zekere zin een minachting van wat mensen willen. En die positie kun je op dit moment niet langer volhouden.’ Als voorbeeld laat hij een plaatje zien uit de DO-IT collectie van Droog Design waarop een dikke bezwete man te zien is die net met veel krachtsinspanning de stalen kubus van Marijn van der Poll in elkaar heeft gemept tot stoel. De setting is niet een smaakvolle lege kamer van een designadept maar een knusse huiskamer van een arbeider. Die arbeider, het volk of de stereotype gebruiker omringt zich graag met de barokke meubels van wat hij als ‘rijkdom’ en ‘smaak’ heeft leren accepteren. Volgens Sewing toont het beeld aan dat Droog Design minachting heeft voor de gebruiker op de foto, en misschien wel voor alle gebruikers. ‘In feite zegt te foto: zo ziet het volk er uit, het volk heeft bezwete oksels en lelijke meubels. De gebruiker, komt in contemporaine Nederlandse design alleen als een geridiculiseerd icoon voor.’ Die ironisering wordt veroorzaakt door de arrogantie van ontwerpers die ver verwijderd zijn van wat de doelgroep zou moeten zijn. ‘Vergelijk dat met de Bauhaus idealen, hun houding ten opzichte van de gebruiker was nooit ironisch, en zeker niet minachtend’.

Bij Sewing komt, zoals meer buitenlandse critici, irritatie op over Nederland. Die irritatie is er bijvoorbeeld over ‘de hautaine, machiavellistische houding’ van Nederlandse ontwerpers. ‘Vanaf grote distantie kijken ze op het veld neer en een maken schijnbaar waardevrije analyses’. Hij rekent het Koolhaas en veel andere designers aan.’Zonderlinge eenlingen die een genie status kiezen. Veel architecten en designers misbruiken deze positie. Het leidt tot datascapes en schijnbaar geëngageerde conceptualiteit. Ik houd niet van Koolhaas’ geschriften en ik houd niet van datascapes. Datascaping is naïef positivisme, het is belachelijk. Sociaal wetenschappers kunnen er alleen maar om lachen. Ze dienen alleen een esthetisch doel. Geen enkele wetenschapper zal het ooit serieus nemen.’

Als hij vervolgens grote vraagtekens zet bij het (typisch) Hollandse in Dutch Design begrijpt u dat hier geen volgzame fan aan het woord is geweest. Hij weigert de historische verklaring te geloven dat ons poldermodel, het calvinisme en de groeiende economie van doorslaggevende betekenis waren voor het succes van Nederlands ontwerp in de negentiger jaren. ‘Dat gaat te snel, in alle boeken zoals SuperDutch en FalseFlat wordt er een welhaast clichématige en romantische verklaring gezocht voor de booming nineties. Ik beschouw het veel meer als een geslaagde, nationale brandingstrategie. Een land wat met succes zichzelf als innovatief en creatief weet neer te zetten. Nederland is niet alleen Gouda maar ook Cool & Hip. Een klein land, bedient een kleine markt en opereert met een nicheproduct. Dat is knap, in Duitsland wil het maar niet lukken om de landsidentiteit te branden. In de biografieën van de Droog-deelnemers zal ik zeker iets Nederlands vinden maar verder zie ik een leger van verschillende mensen met verschillende achtergronden. Droog had ook een Berlijns fenomeen kunnen zijn. De koppeling van deze design stroming aan de clichématige ontwerpgeschiedschrijving, is een branding truc. Historisch gezien is het flauwekul. Aan Koolhaas noch Droog is iets Nederlands te bekennen. Koolhaas groeide op in Indonesië en studeerde aan de Architectural Association in Londen. Hij was in Berlijn, New York, overal. Dit soort mensen heb je over de hele wereld. Alle academische theorieën komen van de AA. Bij de start was OMA niet eens een Nederlands bureau. Er zijn vele koolhasen, over de hele wereld.’

Sewing gelooft wél in naïviteit, maar vind Nederlands Design niet naïef genoeg. Met naïviteit bedoelt hij vooral authenticiteit, dat je werk maakt omdat je het zelf wilt maken. Wars van hoe het gedistribueerd, of tentoongesteld kan worden. Wars van het besef of er een commerciële of culturele afzetmarkt voor is. Hij vind Nederlanders te strategisch. Zijn we door de uitstekende mogelijkheden in dit land te berekenend geworden?

Terug naar het populisme, terug naar de titel ‘Retro Design or Populism – On the return of the Repressed’. Volgens Sewing zal ‘het gewone volk’ weer meer gehoord gaan worden, zeker ook door Nederlandse vormgevers. De wittebroodsweken van de avantgarde conceptuelen zijn voorbij. Het publiek gaat meer te vertellen krijgen. Als het niet op een direct manier is, dan via de projectontwikkelaar, de winkelier, de marketingmanager, de commerciële omroepen of de leefbaarheidspartijen. Er zijn inmiddels meer private omroepen dan publieke, alle woningbouwcorporaties zijn geprivatiseerd, en de markt voor individuele, autograph dsigners is verzadigd. Langzaam maar zeker krijgt good old Jan Modaal (in het Duits Otto Normalverbraucher) zijn stem terug. ‘Het is dan pijnlijk om te zien dat het hippe Lodonse architectenburo FAT een feestzaal voor het volk ontwerpt in Hoogvliet. Onder de titel ‘Heerlijkheid’ wordt het banale tot iconen gemaakt. De feesttent lijkt te zeggen: zo wil het volk het. Alles lekker plat en banaal. Die houding ten opzichte van de gebruiker zal vastlopen en getuigd alleen van elitaire minachting’

Als ik een tijd luister naar deze man, die niet in het vak zit en zich niet gek laat maken door de waan van de dag, word ik langzaam meegevoerd. Als gevangen door een geestverruimde drug laat hij mij uitzoomen. Ik neem afstand in historisch, politiek, sociaal en moreel opzicht. In een vrijwel voortdurend bewierookte Nederlandse ontwerpcultuur is dat pijnlijk, zoals leren ook confronterend kan zijn. Vertelde Plato ons al niet in de grotvergelijking dat de waarheid onder ogen zien is als plotseling in fel licht kijken: het doet pijn.