All Posts in Category: pers

Designing designeducation, interview written by Alasdair Thompson from Smowblog

As part of the festival DMY Berlin has hosted a one day workgroup looking at design education. It goes without saying that the fact that DMY Berlin has staged such an event is interesting. And so to learn a little more we caught up with project initiator Lucas Verweij, and started with the obvious question; how did the event arise?

Lucas Verweij: Design education is a booming business. In western Europe Masters degrees pop-up everywhere every day, while in India, China or Eastern Europe the number of Bachelor programmes is also exploding. Which means there is currently a global explosion in the number of design graduates, and I don’t think its a temporary explosion, rather the indications are that the numbers will continue to rise and rise. In 20 years probably everyone will study design!
And not only is the number of courses rising, but ever more subjects connect themselves with design, for example, communication studies, marketing, technical subjects, they have all started design departments or at least design courses, obviously in areas relevant to the main subject.



(smow)blog: And in your opinion what’s the driving force behind this explosion?
Verweij: On the one hand design is expanding. “Social Design”, “Open Design”, “Design Thinking” are terms which didn’t exist five or ten years ago, they are emerging fields. As society evolves and changes the fantastic thing with design is that design changes with it and explores what it can contribute to these new areas. For example, when print started declining graphic designers just switched to online design, almost as a natural, automatic movement. With designers the process is relatively quick. Architects are in contrast very static, can’t adapt so well to changes.
So on the one hand as society changes, design goes there. And then due to the popularity more and more students want to study design, education has become a business and so the majority of schools take as many students as they can facilitate.
(smow)blog: Is that not something one needs to control? Is there not a risk that we start selling the youth unachievable dreams, and that when they graduate there are too few jobs for them all?
Lucas Verweij: I don’t think there are necessarily fewer jobs.  I believe design is becoming more an attitude. Slowly design is moving away from being a craft to being a mentality. And so in 20 years we’ll all be designers because a huge part of society will adapt to new ways of thinking. Later comes the question in which craft or in which field are you active. I know designers, for example, who run restaurants or are business consultants and who apply their design training and design thinking to the new environments.

(smow)blog: In that sense is a design bachelor a good idea. Is it not better to study, for example, architecture or art, and then do a design masters?
Lucas Verweij: I’m a believer in design bachelors, but less so in design masters. I think the master is more of a problem. If we accept that design is a mentality, then that is better suited to a bachelor – before your mentality or ways of thinking become corrupted.
In a healthy design school you have to fight for your place, and not just during the initial entry process. I also think its healthy when students fall through modules or even fail to graduate. I think that’s a vital component for a school. But with the majority of masters degrees it is the case that if you pay, you get in, and once your in you graduate.
(smow)blog: When we speak to young designers, one thing we often hear is that they wish they had had more business education. Is that a problem. Is there too little business education in design schools?
Lucas Verweij: Yes, business should be taught more. I really like what they do at the KAOSPilots school in Aarhus, which is half business-half design. It’s much more entrepreneurial than a design school and there when you have a plan you also have to figure out how to realise and fund it. And then actually do it.
If design is becoming more a mentality then we need to encourage not only the free-thinking side but also the entrepreneurial side.
(smow)blog: This is the first Designing Design Education symposium. How does the future look, are you planning to make it a regular event?
Lucas Verweij: Mostly I don’t make long terms plans, but this time I have! Since the beginning the idea has been to make it an annual event. I’m not sure if that will be in Berlin or not, that is still open. As a concept it suits Berlin in many ways, and Berlin is currently a very interesting location for such an event. But it may be that we have or want to hold the next meeting somewhere else. But we will definitely continue, because for such a subject once is not enough.


Er zijn te veel jonge docenten, Blad NA, sept ’05

Ben je nog ontwerper, of ben je ex-ontwerper?
‘Als ik moest kiezen, zou ik zeggen ik ben ex-ontwerper, hoewel ik geloof dat wat ik nu doe niet anders is dan wat ik deed. Bij Schie initi- eerde ik projecten. Het feitelijke ontwerpwerk deed ik zelden. Autocad kan ik niet eens openen. Nu initieer ik nog steeds projecten. Of dat ontwerpen heet ja of nee, dat maakt niet zoveel uit. Het is de meest gestelde vraag toen ik stopte met het bureau en voor Premsela ging werken. Dat hebben ze knap gedaan bij de BNA of de BNO, dat heel veel mensen ontwerpen als idyllisch ervaren.’

Het is ook de romantiek van zelfstandigheid.
‘En tegelij k weet ik als geen ander, dat zelfstandigheid ook een ticket is naar niet serieus genomen worden. Maar er zit zeker een romantiek rondom ondernemerschap, het hebben van een BTW-nummer.’

jij hebt je nu bevrijd van je BTW- nummer.
‘ja, ik roep nu weleens op feestjes. dat het in is om een baan te hebben. Niet alleen omdat ik er een heb, maar je voelt ook een beetje om je heen dat mensen weer de voordelen zien van het werken in een grotere organisatie. Een school is natuurlijk wezenlijk anders dan een bureau. Het werk bestaat niet uit projecten, maar uit routines. Als ik mijn been breek, loopt hier alles gewoon door. De kern, het opleiden van architec- ten, is volstrekt routinematig.’

Geeft je dat ruimte om je juist met andere zaken bezig te houden? ‘Als je iets wilt veranderen. veranderen ook de routines. Dus als je vindt dat er te veel jonge docenten zijn – volgens mij ben ik de eerste Nederlander die dat zegt – dan moet je dat in de routine zien op te lossen.’

Waarom wil je een veroudering van het docentenkorps?
‘Omdat er nu te veel een jongeren- cultuur is met alle pas afgestudeerde architecten voor de klas. Een architect wil in zijn veertigjarige loop- baan de eerste tien jaar graag lesgeven, dan twintig jaar niet en dan weer tien jaar wel. Ik vind dat er ook ouderen voor de klas moeten staan. je moet het niet verheerlijken, oudere docenten hebben vaak stok- paarden. Als docent moet je open staan voor wat je niet kent. Daar kun je kennelijk te oud voor worden. Het is ook niet per se dat ik voor veroudering ben. Ik ben voor een diversiteit in het docentenkorps en de studentenpopulatie, want ik wil niet allemaal 22-jarige ex-hts’ers. Het is gewoon ontzettend goed om een rijke biotoop te hebben, ook met buitenlanders erbij.’

Is het bereiken van die diversiteit je hoofddoel als directeur van de academie, of heb je ook nog andere doelen?
Ik vind dat wij een heleboel dingen al vrij goed doen. Het onderwijs is van hoog niveau, er is veel aandacht voor de studenten. Het curriculum is heel divers, dat doen we allemaal goe. Wat we slecht doen is ons te verkopen. Dat was vroeger niet nodig. We hadden studenten voor het uitkiezen. Nu niet meer. De hedendaagse studenten zijn veel calculerender. Ze weten dat je na de HTS in Delft op de TU achttien maanden eerder klaar bent dan hier. Bovendien kun je dan het moment van werken uitstellen. Dus stel, je hebt HTS gedaan, je hoeft nog niet zo nodig gelijk te werken en je wilt je OV-studentenkaart nog niet kwijt, dan kies je voor de TU. Het is mis- schien berekenend en gericht op de korte termijn. Maar ik kan het niet over mijn lippen krijgen om te zeggen dat zij iets fout doen, want daar kom ik niets mee verder. Ons duale stelsel dat je overdag bezig bent met een vak en ’s avonds en op vrijdagen daarover bijleert en daarin experimenteert, is natuurlijk slim. Maar omdat het je helemaal opvreet, past het niet goed in een tijd van flexibiliseren, waarbij je eigenlijk moet kunnen zeggen als academie: wil jij snel studeren, dan kun je snel studeren; wil je langzaam studeren, dan kun je langzaam studeren. En daar moeten we wel naartoe. Ik ben wat dat betreft van de marketing. De klant heeft gelijk: als een student efficienter wil studeren wil ik hem het meest efficiente pakket aanbieden. En als die student het minder intellectualistisch wil, en in principe heeft hij daarin denk ik gelijk.

Dat is en van de geluiden die je hoort, dat het minder intellectualistisch moet?
Minder conceptueel, minder intellectueel, minder sektarisch. Er is een cultuur van ‘wij. architectuurliefhebbers en stedenbouwliefhebbers zijn een familie en je mag blij zijn dat je daarbij mag horen. De huidige generatie hoeft niet zonodig bij die sekte te horen en daarin geef ik ze geen ongelijk.

‘Is dat iets blijvends bij deze generatie of denk je dat ze later wel willen toetreden tot de sekte?
‘Ik zou bijna zeggen, ik hoop dat het blijvend is, want ik voel met ze mee. Onderdeel van die sekte is ook dat de leden ervan alles beter weten. Ik ben altijd nogal politiek georienteerd geweest, de opkomst van Fortuyn heeft mij aan het denken gezet. Architecten en stedenbouwers zitten heel dicht op de macht en hebben net als politici totaal over het hoofd gezien wat er in de middenklasse aan het gebeuren is. Dat mensen een vrijstaande woning willen uit een catalogus, daar wordt op neergekeken. Ik vind ze ook niet mooi, daar gaat het niet om, maar je moet iets doen met het signaal dat een groot deel van de mensen dat toch het liefst wil. Onder de vlag van conceptualiteit zijn de echte vragen in de jaren negentig vooruit geschoven. Als er toen over multiculturaliteit werd gesproken kwam iedereen met enthousiaste verhalen over Kanaleneiland in Utrecht waar je misschien een boulevard kon ontwikkelen waar je Marokkaanse hapjes kan kopen. Daarin schuilt fundamenteel een onwil om de problematische en de harde kant van de multiculturaliteit te beschouwen.”

Ik wil een grondige maatschapelijke verankering van het onderwijs en dar kom ik in deze stad goed mee uit, want in Rotterdam is nu van alles aan de gang. er is een wederzijdse warmte tussen de stad. de architectuur- en stedenbouwproductie in de stad, en deze school. En ik voel mij ook verplicht, volgaarne, om me op die stad te orienteren. Dat is niet loos. Ik hoop dat de school zich meer gaat verkleven met de samenleving. Daarmee hoop ik – want zo ben ik wel – dat ik er als eerste bij ben.’ ‘Ik wil de architectonische en steden- bouwkundige dimensie ontdekken van wat er nu speelt. Ik heb daarom bijvoorbeeld rondjes gemaakt langs de velden; politici, projectontwikkelaars, woningbouwcorporaties. Met de vraag: wat zijn de echte opgaven? We hebben daarvan een lijst gemaakt van tien maatschappelijk relevante opgaves. Daar zetten we afstudeerders op. Een goede opdracht is de helft van het werk. De laatste Archiprix-winnaar, met een plan voor een islamitische begraafplaats, bewijst dat. Je ziet ook dat mensen die afstuderen op goed getimede en relevante onder- werpen vaak een betere start maken. Als ik studenten zelf hun afstudeer- project laat verzinnen, komt er mij te vaak een museum voor de dans uit, of nog erger, een huis voor een dichter. Dat vind ik volslagen oninteressant.’

Hans Ibelings

Archined over Autonomie

Gedurende de Eindhovense Week van het Ontwerpen kwamen de technoliefhebbers van Booosting bijeen voor een presentatie- en discussiemiddag onder de titel ‘Autarkie en Autonomie: de (toe)komst van zelfvoorzienende woningen en zelforganiserende producten’. Een levendige bijeenkomst met voldoende stof tot nadenken.

1. Autarkisch huis, Schie 2.0
De eerste presentatie was van Lucas Verweij (ex Schie 2.0, tegenwoordig domeinhouder Premsela) die met Schie 2.0 jarenlang bezig is geweest om een autarkisch huis te realiseren. Het begrip autarkie is eigenlijk afkomstig uit de economie en betreft de mate van (of het streven naar) economische onafhankelijkheid. Een autarkische staat is niet of nauwelijks afhankelijk van invoer en/of uitvoer, maar is daarentegen geheel zelfvoorzienend. Om maar eens een paar voorbeelden te noemen: de Verenigde Staten zijn economisch grotendeels autarkisch, maar Albanië in de jaren van Enver Hoxha was dat ook. Het streven naar autarkie gaat dus – zo begon Lucas Verweij zijn presentatie – eigenlijk altijd gepaard met een bedenkelijke politiek van afzondering. Of dit nu gaat om extreem rechtse groeperingen die zich in de wouden van Noord Amerika terugtrekken of om extreem linkse ‘weg met de consumptiemaatschappij’ groepen, autarkie als politieke doelstelling is in wezen anti-maatschappelijk. Dat betekent natuurlijk nog niet dat een autarkisch huis, een huis dat geheel zelfvoorzienend is en onafhankelijk kan functioneren van netwerken voor riolering, electra, gas, water en afvalverwerking, automatisch een antimaatschappelijk huis is, er worden immers ook duurzaamheidsdoelen nagestreefd die ten goede komen aan de maatschappij als geheel.
Of eigenlijk is het nog anders: autarkie op de schaal van het woonhuis impliceert duurzaamheid; het los van bestaande netwerken wonen lukt alleen als al die zaken waar de hoogontwikkelde maatschappij netwerken voor heeft aangelegd binnen de woning zelf worden opgelost en verwerkt. Dus eigen stroomvoorziening, eigen afvalverwerking, eigen schoonwateropwekking etcetera. Het omgekeerde is overigens niet per se waar: duurzaamheid behoeft niet automatisch autarkie te impliceren, hooguit op de schaal van de aarde als geheel.
Duurzaamheid was niet het uitgangspunt toen Schie 2.0 aan het onderzoek naar de autarkische woning begon. Aanvankelijk ging het om de vraag naar een woningbouw in extreem lage dichtheid van 1 woning per hectare. Aansluiting op nutsnetwerken is bij een dergelijk dichtheid te duur en te ingewikkeld, dus moet de woning zelfvoorzienend zijn en dat kan alleen maar als er gebruik wordt gemaakt van technieken die tegelijk duurzaam zijn. In de loop der jaren is een set van technieken en producten ontwikkeld die een dergelijke autonomie inderdaad mogelijk maakt. Ook waren er voldoende kavels waarop een proefwoning gebouwd kon worden. Dat het autarkischs huis van Schie 2.0 uiteindelijk toch niet is gebouwd, lag volgens Lucas Verweij deels aan een gebrek aan geld, maar ook aan de ‘krankzinnige’ regelgeving die bijvoorbeeld verbiedt om zelfgefilterd drinkwater te gebruiken; aansluiting op het drinkwaternetwerk is in Nederland verplicht. Dankzij die verplichting komt cholera in ons land overigens niet meer voor, het is dus maar de vraag of totale autarkie in een dichtbevolkt land als Nederland haalbaar of maatschappelijk wenselijk is.

Dat ligt anders in een land als Nieuw Zeeland. Daar kon de tweede spreker Edwin Nieman (directeur Kamahi Electronics) ogenschijnlijk probleemloos een volledig autarkisch huis bouwen. Voorzien van alle luxe en comfort en bepaald niet ogend als een minimumwoning, is zijn huis aan de kust echter volledig zelfvoorzienend. De woning is gebouwd met een houten skelet en gestuukte strobaalmuren. Energie wordt verzorgd door een windmolen en een kleine pve-backup unit. Verwarming vindt plaats door een met hout gestookte tegelkachel, die tevens als CV-moederhaard dient. Het is bij een dergelijk huis van belang dat alle systemen goed geregeld worden. Omdat Nieman zelf elektrotechnicus is, was hij in staat zijn laagtechnologische systemen te voorzien van een slimme centrale sturing.
De derde spreker Evert Kolpa (Lofvers, Van Bergen, Kolpa architecten) was eigenlijk op het programma gezet als ‘tegenlezer’, die bij de Booostingbijeenkomsten de ‘voorlezers’ van repliek dient. In dit geval bekritiseerde hij de autarkie niet zozeer, maar plaatste hij tegenover de hermetische en geïndividualiseerde autarkische woning een aantal grootschalige projecten waarin – evenals in de autarkische woning – wordt gezocht naar een gesloten systeem. Hij nam het woord autarkie bewust niet in de mond en sprak in plaats daarvan van ‘ecologie’ van het gebouw. Daarbij wordt gezocht naar terugkoppelingssystemen waarbij een kringloop wordt opgebouwd die ‘schadelijke’ uitstoot omzet in ‘nuttige’ stromen die in het systeem kunnen worden gebruikt.
Na deze drie architecten werd de aandacht verlegd naar het productontwerp. Diverse zogenoemde autonome producten die recent op de markt zijn gekomen functioneren zelfstandig en behoeven geen menselijke interacties. Voorbeelden van dergelijke producten zijn zelfinitiërende stofzuigers en grasmaaiers. Deze beslissen zelfstandig wanneer een vloer moet worden gezogen, dan wel wanneer en welk deel van het gazon moet worden gemaaid. Zij keren terug naar hun oplaadstation als de batterij leeg raakt.
Leuk speelgoed, maar wat hebben we er aan en willen we dergelijke producten eigenlijk wel? Lucas Verweij merkte in elk geval op dat hij nu juist zelf wilde beslissen en dat hij daarom aan het onderzoek naar een autarkische woning was begonnen. Het beoogde gemak van dergelijke autonome producten staat op gespannen voet met de eventuele complexiteit en risico’s bij aanschaf van deze producten. Hoe zwaar weegt het overdragen van de controle over de producten ten opzichte van het beter kunnen uitvoeren van routinematige handelingen? Zijn deze eerste schreden naar intelligente huishoudelijke producten ook van invloed op de zelforganisatie van het gebouw? Serge Rijsdijk is op de faculteit Industrieel Ontwerpen van de TU Delft bezig met een promotieonderzoek naar de kansen en bedreigingen van dergelijke autonome, intelligente producten. Uit zijn onderzoek blijkt onder meer dat de acceptatie sterk afhankelijk is van de mate waarin gebruikers vermoeden dat het product met hun ‘aan de haal gaat’.
Wat dat betreft kan Philips nog wat leren van dit onderzoek. In de laatste presentatie gaf Jos Stuyfzand (Design Director Lighting Philips Design) hoog op van de Brave New World vol ‘ambient environments’  en ‘ambient Intelligence’ en de nieuwe rol die verlichting in de architectuur kan gaan spelen, maar stelde hij zichzelf niet de vraag welke persoonlijke of maatschappelijke doelen hiermee gediend waren anders dan comfort en home-entertainment.

De kloof tussen autarkie en autonome producten die gespreksleider Marcel Vroom trachtte te overbruggen bleef ook in de discussie na afloop aanwezig. Uiteindelijk stonden architecten en productontwerpers tegenover elkaar. Waar de architecten zelfbeslissing en lage technologie als uitgangspunt nemen en daarbij een hoge mate van ontwerpintelligentie inzetten, lijken de productontwerpers hoge technologie en ‘intelligentie’ als ontwerpdoel op zich te nemen. Lage technologie versus hoge technologie, slim ontwerpen versus slimme producten, de autonomie van de gebruiker of de autonomie van het product, de extremen kwamen niet samen. Of dat ooit zal gebeuren is de vraag. Autarkie in de vrolijke variant is tenminste voor een deel een kritiek op de consumptiemaatschappij, terwijl producenten als Philips natuurlijk niet gebaat zijn bij dergelijk ‘ doe-het-zelf met gebruik van lage technologie’ gedrag. In beide gevallen, zowel ten aanzien van autonome producten als wat betreft het streven naar autarkie, zal bovendien goed moeten worden nagedacht over de maatschappelijke consequenties. Het lijkt me stof voor verdere discussie, juist onder techneuten. Want uiteindelijk zijn zij het die voor een groot deel bepalen met welke soort producten we ons in de toekomst zullen omgeven en hoe we zullen wonen. Dat we daar als individu veel over te zeggen hebben, dat de ‘markt’ zoiets bepaald, dat is grotendeels marketingretoriek. In die zin is autonomie een illusie.

bron: Archined

Fatsoensrakkers door Domeniek Ruyters

Interview met Lucas Verweij van Schie 2.0, gepubliceerd in MetropoliM feb. 2001

Regels, regels, regels. Lucas Verweij van Schie 2.0 raakt er niet over uitgepraat. In de kunst, in de stedenbouw, in de maatschappij, overal duikt het morele vraagstuk op. En waar het speelt, is ook Schie 2.0 om de discussie eens lekker op te porren.

Hoe is Schie 2.0 ontstaan?
‘In 1998, nadat ik zeven jaar met Ton Matton onder de naam Bureau Schie had gewerkt, fuseerden we met Jan Konings. De naam van het bureau werd veranderd in Schie 2.0, wat verwijst naar de softwaretraditie, het updaten van dingen zodra de kinderziektes eruit zijn. Met Schie 2.0 wilden we iets anders. We wilden geen bureau dat één koers vaart, maar liever het model van drie sleepbootjes die aankoppelen op het moment dat ze iets met elkaar willen, maar die ook los van elkaar kunnen werken. Op het moment dat je aangekoppeld zit kom je je verantwoordelijkheden na, maar daarnaast doe je gewoon wat je wilt doen. Dat staat ook in de eerste zin van ons programma: we zijn een netwerk van ontwerpers en daarom niet vergelijkbaar met een regulier ontwerpersbureau. Ieder van ons heeft zijn eigen netwerk, zijn eigen output, zijn eigen agenda en ook zijn eigen eenmanszaak.’

Jullie zijn opgeleid als architecten?
‘Neen, Ton is opgeleid als stedenbouwkundige met duurzaamheid als specialisatie, wat vroeger ecologische stedenbouw heette. Jan is opgeleid als productvormgever, studeerde op de design academy kunstvakonderwijs, met als specialisatie meubels. Ik heb een achtergrond van HTS-bouwkunde en een beetje Desigs Academy, maar dan bij de afdeling openbare ruimte. Door Ton ben ik flink de stedenbouw in gesleurd. Bijvoorbeeld Randstad, de nieuwe kaart van de Randstad waarin alle steden via het dichtgebouwde groene hart een grote metropool zijn geworden, was een van mijn eerste projecten. Ik heb trouwens altijd gevoeld dat ik in mijn scholing een schaalniveau te klein zat. En dat voel ik nog steeds. Productvormgeving is niks voor mij. Dat is te klein. Ik leen me meer voor architectuur en stedenbouw. Daarom was die samenwerking met Ton destijds ook belangrijk. Ik pas daar gewoon beter, nu nog. Ook al heeft productvormgeving wel zijn charme. Dat gaat lekker vlot, daar kun je niet moeilijk over doen, gewoon een object maken.’

En dat doen jullie ook nog wel?
‘We hebben het een hele tijd niet gedaan, maar we zijn het nu weer een beetje aan het oppakken, bijvoorbeeld met het ontwerpen van wat we noemen autarkisch meubilair. Het gaat voor Droog Design naar de meubelbeurs van Milaan. De unit zuivert zijn eigen water dat hij oppompt uit een eigen bassin. Autarkie is trouwens een kern in ons oeuvre. Al een langere tijd zijn we bezig met een autarkisch huis, voor de Hoeksche Waard. Het idee is om duurzaamheid niet in te zetten omdat dat van God moet, of omdat de overheid je een schuldgevoel aanpraat, maar gewoon uit een idee van vrijheid en onafhankelijkheid.’

Je zei dat autarkie een kern in jullie werk is. Waar dan nog meer?
‘Regelland droeg ook heel sterk het idee van vrijheid uit. De zwart-wit posters met daarop regels en normen die de stedelijke ruimte in Nederland bepalen, hebben we eerst in De Appel in Amsterdam geëxposeerd en later in De Balie en zelfs in het ministerie van VROM. Daar was ik nog heel blij mee. Geweldig hoe de kunst hier als een soort pionier functioneerde. En ik dacht: dat is nou precies wat ik met de kunst wil. Ik hoef daar niet volledig van afhankelijk te zijn, erger nog, het lijkt me afschuwelijk alleen daarvan afhankelijk te zijn. Maar ik vind wel en dat moet ik de kunst nageven, dat het een plek is waar je iets kunt doen, ook al zijn er maar lage budgetten. Het is wel de plek waar je snel welkom bent.’

Het is ook een vrijblijvende plek.
‘Ja, de armslag is de ellende. Als je ziet wat het aanricht als zoiets in het ministerie van VROM hangt. Dat is zoveel groter.’

Hoezo?
‘De daad om in een ministerie zoveel zelfkritiek op te hangen. En wat daarop terugkwam, de commotie, de landelijke pers die er overheen gaat. Je kunt er wel lullig over doen, maar het is toch een teken.’

Hoe schat je het resultaat van zoiets in? Denk je dat het een bepaald soort van denken verandert?
‘Wat hieraan vooral goed was, was dat dit als eerste project van Schie 2.0 een soort kickoff was. We wilden zelf antwoorden gaan formuleren en dat hebben we die twee jaar daarna ook gedaan. Autarkisch huis is een van die antwoorden. Bovendien: ik houd wel van het morele debat. Hoeveel regels wil je eigenlijk? Hoeveel regels zijn goed voor onze samenleving? Ik ben er helemaal niet voor om alles af te schaffen. Als je ons werk bekijkt zie je zelfs dat we vaak voor meer regels pleiten. Maar dan regels die niet overal gelden. Ik houd ervan verschillen aan te brengen.’

Draagt Regelland in feite niet uit dat het ontwerp via regelgeving eigenlijk zozeer aan banden wordt gelegd, dat elk ontwerp bij voorbaat al vastligt?
‘Ja, dat kun je wel zeggen. De Vinexwijken zijn het toppunt van regelgeving. Een soort geoliede machine, zoals vroeger de textielmachine klonk, tjikketjikketjik. Ieder houdt zich aan zijn eigen wetgeving, ieder aan zijn eigen procesgang en zo rolt er een tapijt van woningen en straten uit aan de randen van steden. Architectuur probeert daaraan te ontsnappen, maar programmatisch gezien zijn het allemaal eengezinswoningen, met een grote keuken, et cetera. Je ontkomt er niet aan dat je uiteindelijk gelijkvormigheid krijgt. De openbare ruimte is zo mogelijk nog erger, want die wordt door de gemeente bepaald en die wil al helemaal geen gedonder. Die wil gewoon mee in de machinerie. Ik vind die houding heel erg. Zo is het nu voor het eerst in de geschiedenis dat de Nederlandse stedenbouw niet meer gedreven wordt door ideologie, door drijfveren of politieke wil, maar puur door pragmatisme, door de markt. Gewoon woninkjes bouwen. Dat zit ons niet lekker, want wij zijn toch in zekere zin een soort hippies.’

Als je zo’n discussiestuk introduceert, heb je dan een tegenmodel in gedachten?
‘Ja, dat heb ik. In een van de discussies die we hieromheen hebben georganiseerd heeft Docters van Leeuwen gezegd: “er is nog nooit een politicus geweest die er trots op is dat hij regels heeft afgeschaft”. Iedere politicus maakt er regels bij. Serieus. En dan heb je ook nog drie bestuurslagen in Nederland, op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau, die elk eigen regels produceren. Een heleboel van die regels kunnen zo de prullenbak in. De zorg, en dat is een oude hippiezorg, is dat mensen alleen maar hangen in regelgeving. Een overmaat aan regelgeving neemt je eigen verantwoordelijkheid weg, neemt je eigen moraliteit weg. Als je reguleert dat je ergens wel of niet mag roken ga je de discussie niet meer aan, ook al hindert het je. Ik houd er meer van dat je zelf verantwoordelijk bent.’

Zou je kunnen zeggen dat al jullie werk een pleidooi voor deregulering is?
‘Je kan wel zeggen dat het een enorm thema is. In Almere hebben we gewerkt aan een kunstproject voor een nieuwe wijk. We hadden het idee een zevental stukken straat te ontwerpen en gingen er met heel veel energie en naïviteit in. We wilden graag kersenstruiken maken en een stuk hei en een bos, maar als je auto’s moet parkeren op Almeerse kleigrond, dan wordt het een grote modderpoel. Dus op gegeven moment zijn we toch in bestratingsdingen moeten gaan denken om het überhaupt te realiseren. Probleem is dat de openbare weg bereikbaar moet blijven. Je moet zorgen dat er auto’s doorheen kunnen en je moet parkeernormen halen. Het was ook wel leuk om al die eisen te halen, anders wordt het misschien te gemakkelijk. Bovendien zorgen die parkeernormen er ook voor dat de straten geen pleintjes worden, maar gewoon straten, hoe anders ze er ook uitzien.’

Is het project in Almere een praktische versie van Regelland?
‘Nou, uiteindelijk moest het toch echt gewoon een straat worden. We waren er dan ook heel trots op dat we zelfs de parkeernormen haalden. Dat het niet doorging vond ik heel erg. Echt heel erg, want je moet geen papieren tijger blijven. Na wat schikkingsvoorstellen hebben we een alternatief bedacht: Smart Public Space. Een kaprijpe boom zou met zink worden ingepakt. De boom had een speaker waar ’s avonds een uur lang allerlei wijsheden uit zouden opklinken. De boom was een orakel, direct verbonden met het web, www.slimmeboom.nl. Vanuit de site kon je de boom ook dingen laten zeggen via een messageboard. Er zat trouwens ook een tiramin in, zo’n synthesizer uit de jaren twintig die zangerige geluiden produceert bij benadering. De kunstcommissie was enthousiaster over deze boom dan destijds over de straatstukken, maar helaas, het grondbedrijf heeft ook dit voorstel afgeschoten, omdat de boom te hoog en te breed was en men bang was voor de kwetsbaarheid van de technologie.’

En nu?
‘Smart Public Space is een onderzoeksgebied geworden. Publieke ruimte is toe aan een soort vermenging met nieuwe media, wat al aan het gebeuren is met je mobiel. Ik wil daarin ontwerpen. Ik geloof dat de publieke ruimte gerevitaliseerd kan worden met nieuwe media. Onlangs hebben we in Amersfoort een voorstel voor een stadsbank voorgedragen, samen met Jongeriuslab. Kijken of dat doorgaat. Er zit een microfoon in en een speaker, samen met een open gsm-verbinding. Er staan er zeven in Amersfoort. Een bank is eigenlijk een oeroud symbool van het collectieve in de publieke ruimte. Je maakt geen zitje voor één persoon, maar er kan iemand naast gaan zitten. We weten allemaal dat als er nu iemand naast je komt zitten je alleen denkt: “hij zal me toch niet gaan beroven en hij zal toch niet gaan spuiten”. Met de nieuwe media in zo’n bank kun je mensen ontmoeten, zonder dat je ze in de fysieke nabijheid hebt. Ik geloof erg in dit soort toepassingen van nieuwe media. Het gaat erom dat je het als laag in de publieke ruimte erkent. Overigens ook de hinderlijkheid ervan.’

In een tekst bracht je een onderscheid aan tussen de ontwerper en de kunstenaar, die verantwoordelijk is voor content. Hoe bedoel je?
‘We hebben tien jaar lang in Silicon Valley gezien hoe alles gemaakt is. Dat moet gebeuren en daar zijn ontwerpers voor nodig. We kunnen allemaal heel opgewonden raken van Bill Gates, maar het blijft machinerie. De nieuwe versie van een schroefdop. En die lijkt nu een beetje uitontwikkeld te zijn. Nu alle kanalen er liggen gaat het erom wat erop komt. In vaktaal heet dat crisis of content. Het maken van content is iets wat kunstenaars kunnen. Als geen ander kunnen zij iets doen waar in eerste instantie geen vraag naar is, ze volgen alleen hun eigen agenda, dat is content. Het feit dat Gijs Müller ingehuurd is door Compaq vind ik dus niet gek.’

Maar waar sta je zelf?
‘Wij werken volgens onze eigen agenda. We initiëren veel zelf. Autarkisch huis is zelf geïnitieerd, Randstad was zelf geïnitieerd. Ik voel mezelf helemaal niet het type ontwerper dat geacht wordt een probleem op te lossen, al ben ik daar wel voor opgeleid. Mijn compagnon bijvoorbeeld wordt ingehuurd voor het ontwerpen van tentoonstellingen. Ik ben geen tentoonstellingsontwerper. Ik ben te veel content. Ik vind het veel te leuk om zelf data te produceren, niet om andermans data op te hangen of te visualiseren.’

Ben je dan niet meer kunstenaar dan ontwerper?
‘Ik vind het strategisch niet slim mezelf kunstenaar te noemen, want ik beperkt me dan tot de armslag die een kunstenaar of kunst kan hebben en die armslag vind ik te klein. Ik vind het gewoon niet voldoende, ook al is die show in Rome of in Malmö. Ik wil een breder publiek dan het kunstpubliek. Bovendien, als ik bij een projectontwikkelaar binnenkom en die man vraagt wat ik doe en ik zeg dat ik kunstenaar ben… tja, dat is gewoon niet slim. De kunst heeft nu eenmaal haar eigen naam een beetje verpest. Ik draag kunst een warm hart toe, daar niet van, maar ze hebben toch iets niet goed gedaan in de geschiedenis, waardoor die man direct zal zeggen: oh, maar dan moet u met haar afspreken want daar hebben we een apart potje, een apart budget voor. Maar ik moet benadrukken dat ik er niet trots op ben. Ik zou liever het beestje bij de naam noemen, maar dat is gewoon niet handig. Ik zeg nooit dat ik kunstenaar ben.’

Maar je bent het wel?
‘Vind jij mij een kunstenaar?’

Ik denk dat uiteindelijk de context bepaalt wie je bent. Zo’n werk in De Appel is een kunstwerk en daar ben je kunstenaar. Maar in VROM krijgt dat werk een heel andere lading.
‘Ik zal je vertellen, we zijn nu met een werkbeursaanvraag bezig bij het Fonds. Vraag ik bij bouwkunst aan. We hebben nog nooit iets bij kunst aangevraagd. Bij vormgeving wel. Ik moet wel zeggen dat het nu een discussie bij ons is. Wat moeten we doen? En eerlijk gezegd weet ik het niet precies. Het is wel zo dat mijn netwerk vooral in stedenbouwkundige hoek zit. En bijvoorbeeld Randstad, het eerste project waarmee ik een beetje op de kaart kwam, werd pas in laatste instantie door de kunst opgepakt. Pas toen ik voor de tweëentwintigste keer een presentatie gaf, zei Jeanne van Heeswijk: “Wat een goed project, wil je niet bij mij in een project in Middelburg meedoen?” Ik wil trouwens niet te veel de kunst in, dat baart me ook zorgen. Ik zit er te veel in de laatste tijd.’

En je adviseert kunstenaars zich geen kunstenaar meer te noemen?
‘Ik denk dat iedere kunstenaar van nu wel weet dat je om strategische redenen beter niet kunstenaar op je kaartje kunt zetten. Elke keer moet je weer verzinnen wat de context is, wat is mijn belang, wat is nu mijn verhaal. Je wordt er gek van. Als ik nu kunstenaars hoor zeggen dat er geen metier is waarin ze werken, dan denk ik: dat is mooi dom. Ik probeer juist ertoe te komen dat het werk meer corporate wordt. Het hebben van corporate identity is niet alleen goed voor Albert Heijn, het is ook voor een kunstenaar gunstig, zoals Joep van Lieshout bewijst. Daarom kies ik er ook voor intensief met Smart Public Space aan de gang te gaan, koop ik die domeinnaam en ga ik er een paar jaar mee in de weer. Dan weet je wat je moet presenteren, dan ontwikkel je een paar verhalen en hoef je niet iedere keer weer het wiel uit te vinden. Je wordt er echt gek van.’

Je houdt een pleidooi voor een beter gebruik van de privatiseerde publieke ruimte door kunstenaars. Kun je niet beter kritisch zijn?
‘We hebben ons er naar mijn gevoel heel lang tegen verzet. We gaan steeds uit van het idee dat privatisering slecht is. Ik ben ermee opgehouden dat te doen, want er zijn heel veel voorbeelden dat privatisering helemaal niet zo slecht is. Alsof de overheid het in haar eentje allemaal zo goed deed. Als ik Schiphol zie, een privaat beveiligd en gefinancierd gebied, is dat volgens de oude definitie geen openbare ruimte. Ondertussen slapen daar zwervers, waarmee de private beveiliging uiteindelijk precies hetzelfde omgaat als de gewone politie. Je ziet dezelfde dingen als in de openbare ruimte. Waarom? Omdat je niet anders kan, het is iets waarmee je moet omgaan. En waarom die angst? Ik heb zelf het gevoel dat je over die angst heen moet stappen, er juist in mee moet gaan. En het kan ons ook wakker maken, net zo goed als dat de publieke omroep pas wakker werd toen commerciële televisie begon.’

Maar wil je dan dat geld regeert? Het risico van uitsluiting ligt op de loer.
‘De overheid heeft altijd maar toegestaan dat alles mag en gedoogd en getolereerd wordt. Misschien willen we dat allemaal niet meer. Hoe goed is het dat er junken rondhangen op Centraal Station? Ik weet niet of ik dat zo fantastisch vind. Met Jeanne van Heeswijk kreeg ik het idee een project te maken rond fatsoen. Wat ons allebei enorm stoorde was die H&M-reclame in de bushokjes, van dat naakte Schifferwijf. Het is natuurlijk een mooie vrouw, daar gaat het niet om, ik ben ook een kerel. Maar het is gewoon onbehoorlijk om in een multiculturele samenleving in de winter dit soort softporno in die dingen te hangen. Ik vind dat echt niet kunnen. Wij denken erover daar iets tegen te doen, een actie, onder de naam fatsoensrakkers. Er moet gewoon grof geweld tegenaan, laten zien: mensen dit pikken we niet, dit gaat te ver, hou je eens aan multiculturele wetten, aan fatsoensnormen. Laatst kwam ik in Noord bij een Turks bakkertje binnen, gewoon zo’n low profile dingetje, waar een Ola-reclame hing van een vrouw in een badpak. De man had de vrouw met van dat crêpepapier afgeplakt. Ik vond het een enorm indringend beeld. Het is stuitend om te zien hoe het grootkapitaal die man opzadelt met een beeld waar hij niet buiten kan omdat het assortiment aan ijsjes erop staat, maar dat wel voorbij gaat aan zijn zeden. Ik vind dat interessant.’

Nieuw kaartbeeld toont Randstad als echte metropool, NRC Handelsblad

door Dick van Eijk (17 04 1996)
Stedebouwkundige: Op de huidige kaarten is Groene Hart te leeg; Randstad blijkt op nieuwe kaart één grote metropool

Door de manier waarop West-Nederland doorgaans op kaarten wordt afgebeeld, lijkt het Groene Hart veel groter dan het is, en lijkt de verstedelijking minder dominant dan in werkelijkheid. Stedebouwkundig vormgever Lucas Verweij pleit voor een ander kaartbeeld, een kaart van de Randstad als metropool.
In kiosk en benzinestation zijn kaarten te koop van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag. Van elke grotere stad. Ook een autokaart van Nederland is voorhanden. De ANWB en enige boekhandels bieden bovendien kaarten van Zuid-Holland, Noord-Holland, Utrecht en andere provincies. Maar naar een kaart van de Randstad zoekt men tevergeefs. Zo’n kaart bestaat niet.
Stedebouwkundig ontwerper Lucas Verweij realiseerde zich dat toen hij twee jaar geleden in Los Angeles was. “Ik had een kaart van de stad gekocht en zocht een museum waar ik heen wilde. Dat was anderhalf uur rijden. Daar was dat heel normaal. Eenmaal terug in Nederland ging ik naar het Stedelijk Museum. Dat was ook anderhalf uur. Toen kon ik me de Randstad ineens als één geheel voorstellen, net als Los Angeles.”
Dat de Randstad zich als metropool zo lang verborgen heeft kunnen houden, heeft volgens Verweij veel te maken met het kaartbeeld. “In standaard cartografische representaties wordt een gebied doorgaans leger gehouden dan het is. De kaarten waar we het meest mee vertrouwd zijn, zijn wegenkaarten. Daarop staan dorpen vaak afgebeeld als een open rondje. Ze hebben geen vlees. Ik snap dat ook wel: het is lastig om al die huisjes op de kaart te zetten. Maar als je een topografische kaart kopieert en alle infrastructuur eruit haalt, zie je een zweem van bebouwing.”
Het niet-stedelijke gebied van de Randstad is dus minder leeg dan het alledaagse kaartbeeld doet vermoeden. Maar het metropoolkarakter van de Randstad zit niet alleen in stedelijkheid of bebouwing, maar ook in de infrastructuur en het ruimtegebruik, aldus Verweij: “Bij de Vinkeveense plassen is het op zondag hartstikke druk. Dat zie je niet op een kaart.” Geleidelijk aan groeide bij hem het verlangen dan zelf maar een kaart te maken. “Ik probeer via de perceptie van het publiek het Randstedelijk denken te vergroten.”
Nederland bekijken we eigenlijk altijd op dezelfde manier: het noorden boven. Die oriëntatie heeft tot gevolg dat een kaart die ten minste de vier grote steden bevat linksboven een enorme driehoek zee toont, en rechtsonder een grote lap groen die zich uitstrekt tot diep in de Betuwe. Dat ligt er allebei wel, maar dat heeft niet zo veel te maken met de Randstad, het gebied dat je op zo’n kaart van West-Nederland zou willen afbeelden. Daarom kantelde Verweij voor zijn Randstadkaart Nederland een eindje om de noord-zuid-as. Dat maakt een veel strakkere uitsnede rondom de vier grote steden mogelijk, zonder dat overbodige stukken zee en weiland worden afgebeeld.
Er waren meer ingrepen nodig om de metropool tot leven te wekken. Verweij: “Als je de Randstad als eenheid wilt zien, moet je de traditionele hiërarchie eruit halen. Daarom heb ik alle corpsgroottes van plaatsnamen gelijk gemaakt.” Een wijk van een grote stad, zoals Hillegersberg in Rotterdam of Osdorp in Amsterdam, is net zo goed een wijk van de Randstad als een middelgrote stad of een flink dorp. Gemeentegrenzen hebben vooral administratieve betekenis – vanaf het asfalt gezien merk je niet eens dat je van Den Haag naar Voorburg of Leidschendam gaat.
De structuur van een stad is niet iets dat er zonder meer is. De structuur van een stad zit ook in je hoofd. Door de vormgeving van het kaartbeeld is die structuur in de hoofden van de mensen te beïnvloeden. Een alledaags voorbeeld: veel mensen die voor het eerst naar Japan vliegen, zijn verbaasd dat de vlucht hen over de Noordpool voert. Dat past niet in het alledaagse kaartbeeld. Maar op een kaart met de Noordpool in het midden lijkt een route over de bevroren zee een vanzelfsprekende manier om van Amsterdam in Tokio te komen.
Uitsnede, kleurgebruik, belettering – het zijn allemaal manieren om met een kaart het beeld in het hoofd van de gebruiker te beïnvloeden. Verweij: “De belangrijkste ingreep in het kaartbeeld heb ik al makend ontdekt: de Ringweg – de Randstadring, zoals ik hem heb genoemd.” Het is een aaneenschakeling van allemaal bestaande stukken autosnelweg, doorgaans gezien als wegen die van A naar B leiden. Door deze wegen te zien als één ringweg, ontstaat een nieuw beeld van de stedelijke structuur: de wijken van de Randstad liggen allemaal langs afslagen van die ringweg. Ineens is het een stuk makkelijker om een buitenlander de weg te wijzen van Delft naar Abcoude.
Een dergelijke kaart verandert je manier van kijken naar de Randstad, meent Verweij. “Hij vergroot je mentale actieradius. Er rijst dan ook ineens een heel andere vraag over het Groene Hart. Op dit moment ligt het Groene Hart ‘buiten de stad’, maar met zo’n kaart voor je, realiseer je je dat het wel degelijk een deel is van die metropool.”
Dat wil helemaal niet zeggen dat de verstedelijking daar dan ook maar ongebreideld voort moet gaan, vindt Verweij. “Elke metropool vertoont enorme contrasten. In Los Angeles verschillen Compton en Beverly Hills zelfs veel meer van elkaar dan welke twee buurten in de Randstad dan ook.”
Wanneer je het Groene Hart ziet als onderdeel van de stad, in plaats van als iets dat buiten de stad ligt, ga je er al snel op een andere manier over denken, ervoer Verweij. “De Randstad is met zes miljoen inwoners de 28e metropool van de wereld, tussen Petersburg en Taipeh. In veel steden van zes miljoen inwoners heb je parken of natuurgebieden waar je rustig anderhalf uur kunt wandelen. In de Randstad niet. Er is wel groen, maar dat is geen natuur. Als je uitgaat van een stad van zes miljoen inwoners, kun je denk ik makkelijker gebieden aanwijzen waar je besluit helemaal niets meer te bouwen. Als je daarentegen uitgaat van ‘het Groene Hart moet blijven’ lukt dat niet: dat is de afgelopen veertig jaar wel gebleken.”
Om het idee van de Randstad als metropool uit te dragen heeft Verweij inmiddels ook een serie ansichtkaarten uitgebracht, met teksten als ‘Groeten uit Randstad: 6 miljoen inwoners, 5 vliegvelden’ en ‘6 miljoen inwoners, 163 culturen’. “Ik ben ervan overtuigd dat er over tien jaar een boekje is met alle straten van de Randstad. Het Prins Bernhardplein is er vast wel 22 keer, maar dat heb je in elke metropool. Ik wil nu vooral de Randstad op één vel.”
Behalve nevenstaande kaart heeft Verweij ook een spoorkaart gemaakt, waarop alle 108 spoorwegstations in de Randstad staan aangegeven, alsmede de treinverbindingen daartussen. Wie op Schiphol zo’n kaartje in handen krijgt gedrukt, kijkt heel anders naar zijn omgeving dan iemand die het met een kaart van Amsterdam moet doen. Het centrum van Rotterdam ligt immers niet verder van Schiphol dan Manhattan van JFK. Leiden ligt zelfs dichter bij Schiphol dan Amsterdam CS. Amsterdam Airport is zo bezien dan ook een tamelijk misleidende naam.
De gebruikte cartografische technieken zijn voor een aanzienlijk deel bepalend voor het beeld van een gebied, bevestigt Ferjan Ormeling, hoogleraar cartografie in Utrecht. “De gebruikte techniek is sterk bepalend voor het kaartbeeld. Zo bevoordelen choropleten – kaarten waarin een bepaald aspect in grijswaarden wordt weergegeven – de rurale gebieden. Neem bijvoorbeeld de man-vrouw-verhouding in Nederland: op een dergelijke kaart vertoont een heel groot deel van Nederland een mannenoverschot.” Dat komt doordat veel plattelandsgemeenten een mannenoverschot hebben. Dat wordt in aantal ruimschoots gecompenseerd door de steden, maar die nemen minder oppervlakte in beslag.
“Als je gemeenten groepeert tot corop-gebieden (veertig regio’s waarin Nederland is onderverdeeld, red.) schep je een geweldig vervlakkende werking, want je voegt stad en platteland samen. Wanneer je gemeenten groepeert tot economisch-geografische gebieden doe je precies het omgekeerde, want die zijn geselecteerd op economische activiteit. Door de gekozen methode is het heel voorspelbaar of je stad of platteland benadrukt. Je kunt alles benadrukken wat je wilt. Je kunt bijvoorbeeld zeggen: ik wil zo karteren dat Zwolle er als stedelijk knooppunt uitspringt.”
Kaarten lenen zich dus heel goed om te tonen wat belangrijk is, of wat bij elkaar hoort – eigenlijk: wat de maker belangrijk vindt, of vindt dat bij elkaar hoort.
“Het besef dat je door het gebruik van een bepaalde cartografische methode een bepaalde indeling krijgt, is nog niet zo oud. Zo hebben de Hongaren bij het vaststellen van de nieuwe grenzen in Europa in 1918 veel last gehad van de gebruikte karteringsmethode. Men gebruikte kaarten waarop elke bevolkingsgroep met een bepaalde kleur werd aangeduid. Nu woonden Hongaren vooral in steden en Slowaken op het platteland. Daardoor leek het of er in grote gebieden veel meer Slowaken woonden dan Hongaren, omdat hun woongebied een veel groter oppervlak besloeg. Uiteindelijk is daardoor een derde van de Hongaren buiten Hongarije terechtgekomen.”
De gebruikte kartering heeft grote invloed op hoe men een gebied ziet, en dus ook op de beslissingen die men erover neemt. Over die invloed op de Nederlandse politiek is nog niet zo veel bekend. Ormeling heeft een project opgezet om alle beleidsstukken die de afgelopen 150 jaar aan de Tweede Kamer zijn aangeboden te analyseren op het kaartmateriaal. “De kaarten die voor de Tweede Kamer zijn gemaakt zijn zéér wisselend van kwaliteit. Er zijn soms gemakkelijk verkeerde conclusies uit te trekken. Het wordt de laatste tijd overigens wel wat beter. Maar bewuste manipulatie met politieke consequenties kan ik me niet voorstellen in Nederland.”
Kaarten maken blijft keuzen maken. “Een ware kaart is er niet”, zegt Ormeling. “Je kunt nooit alles weergeven.” Enkele jaren geleden is een groep mensen bij de Rijksplanologische Dienst begonnen een kaart te maken die in elk geval de beleving van het landschap beter moest benaderen dan de meest gebruikte kaarten. Deze ‘belevingskaart’ is bekend geworden als de Witsenkaart, genoemd naar de voormalige directeur-generaal ruimtelijke ordening. In zijn visie ontbrak een kaart waarin infrastructuur was teruggebracht tot zijn werkelijke proporties.
“De eerste reactie bij de presentatie was ‘jé, wat groen’, verhaalt cartograaf Oene Bouma, die een belangrijk deel van de technische realisering van de Witsenkaart voor zijn rekening nam. Het vele groen komt niet overeen met het beeld dat veel mensen van het landschap hebben. “Dat komt doordat het landschap veelal wordt ervaren vanuit de infrastructuur. De lintbebouwing is dan erg dominant.” Dus ook een belevingskaart hangt af van het perspectief van de belever.
Op de Witsenkaart is onder meer gepoogd de verschillende dichtheden van stedelijk gebied tot uiting te laten komen door verschillende tinten rood te gebruiken. Binnen het groen wordt onderscheid gemaakt tussen natte en droge gebieden. Het kiezen van een kleur kan heel bepalend zijn voor het kaartbeeld. Zo werd er binnen de RPD heel wat afgebakkeleid over de kleur die kassengebieden zouden moeten krijgen, waarbij de keuzes varieerden tussen vriendelijk zachtroze en keihard paars. Verweij heeft er bewust voor gekozen kassen is zijn Randstadkaart aan te duiden in een tint die dichtbij stedelijke bebouwing ligt. Beleving en politiek komen daar dicht bij elkaar.
Verweijs kaartbeeld zou ook politieke implicaties kunnen hebben, bijvoorbeeld in discussies over het Groene Hart of over waar de komende decennia grote aantallen woningen moeten worden gebouwd. Ormeling ziet duidelijke beperkingen aan Verweijs boodschap van ‘de Randstad als metropool’. “Hij vergeet door zijn methode van karteren dat de grenzen van de Randstad naar buiten toe in feite moeilijk zijn af te bakenen. Het verstedelijkt gebied loopt door tot Alkmaar en tot ver in Brabant. Het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft een kaart gemaakt waarop het percentage verstedelijking gedetailleerd is aangegeven. Daarop zie je in West-Nederland twee duidelijke concentraties: Rotterdam/Den Haag en Amsterdam met uitloop naar het noorden. Je ziet er geen hoefijzer in of ringvormige Randstad, en ook geen Groene Hart. De term Randstad suggereert dat het een eenheid is, maar dat is slechts in zeer beperkte mate het geval. Daarom zou ik liever spreken van de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad.”

Datum:      17-04-1996

Me on television

I did a few television programs, in most cases I interviewed architects on screen. A serie of 5 was broadcasted by AVRO, a dutch public broadcaster.
Here are a couple of links were the films are to be seen. Excuse me it’s all in Dutch.

Summary at the prizewinning event:
http://www.blauweoog.nl/popup_movie.php?title=Jonge%20Architecten%202006&movie=jonge_architecten_2006_1.mov

Interview with Frank Havermans about his minimal house:
http://www.blauweoog.nl/popup_movie.php?title=Jonge%20Architecten%202006&movie=jonge_architecten_2006_5.mov

Interview with Aarons and Gelauf about their apartmentblock for seniors
http://www.blauweoog.nl/popup_movie.php?title=Jonge%20Architecten%202006&movie=jonge_architecten_2006_2.mov

Interview with Bar Architects about their bridge sterring hut:
http://www.blauweoog.nl/popup_movie.php?title=Jonge%20Architecten%202006&movie=jonge_architecten_2006_4.mov

Interview with Bastiaan Jongerius about his cheese related powderfactory.
http://www.blauweoog.nl/popup_movie.php?title=Jonge%20Architecten%202006&movie=jonge_architecten_2006_6.mov

Interview with 2012 architects about their clubbing venue Worm
http://www.blauweoog.nl/popup_movie.php?title=Jonge%20Architecten%202006&movie=jonge_architecten_2006_7.mov