All Posts in Category: Interview with architects and designers

Very Dutch NL Architects.

NL Architects has always made a deliberate show of its Dutch roots. The firm’s name alludes to the most common abbreviation for the Netherlands, and even its logo is the “Dutch badge.” The firm’s homepage displays photographs of its founders in the traditional costumes of Volendam. Whether playfully or seriously, NL aspires to be the standard-bearer for contemporary Dutch architecture.
The four principal founders of NL Architects are Pieter Bannenberg, Walter van Dijk, Kamiel Klaasse and Mark Linnemann, who left the firm at the beginning of 2003. They officially opened their Amsterdam office in January 1997 after sharing workspace since the early nineties. All were educated at Delft University of Technology while living in Amsterdam. Often, their projects focus on ordinary aspects of everyday life, including the unappreciated or the negative, which are then enhanced or twisted in order to emphasize the unexpected potential of what surrounds us. NL Architects currently employs an international staff of six to ten people.
NL Architects added the Basketbar, an amalgam of basketball and bar, to the university site of Utrecht five years ago. It has quickly become a city icon. On the roof of the cafe is a basketball court inside a large, imposing cage that serves as a backstop. NL has previously produced facades in the forms of climbing walls and rock cliffs, so in many ways, this unusual structure is a typical NL building.”Yet its expressive, ironically-charged vigor is somewhat deceptive. The building is certainly no one-liner; it has been designed with painstaking precision and architectonic intelligence.
Walter van Dijk comments, “The Basketbar fits naturally into its location; it doesn’t look like an addition to the building. It nestles into its 1960s setting in a contemporary way. Koolhaas’s plan proposed building up to the property line. We did that. We’ve expanded the existing box to the extreme.”
A wolf in sheep’s clothing

.
“A basketball court is a typical icon of urban and black culture. You can’t open a hip- hop magazine without finding it full of the game of basketball – the symbol of urban life and something this campus didn’t have. Basketball is also a spontaneous game; you don’t have to make appointments to play. You can play it alone, as well as with one, two and even four teams. One university board member objected to basketball, finding it too banal. We did some quick research into the origins of the sport and discovered that it was developed by an American professor to give students some relief from heavy intellectual work. Hearing this, he gave in. The basketball court is completely public. It has an ungated entrance to the street. Columns around the court are much heavier than normal, because we didn’t want to use crosses for stabilization. The columns turned out to be large enough to accommodate ventilation shafts for the kitchen. Two columns and the lateral section above now serve as ventilation ducts for the dishwashers, and eight others vent cooking odors. The building appears uncomplicated, but it is a wolf in sheep’s clothing.”


The firm is full of ideas, some of them humorous and ironic. Growing into a flourishing business with a portfolio of building commissions has been slow going, however, and NL still feels like an underdog. Is the architecture world not taking NL seriously enough?

“The name NL Architects was a marketing ploy. We could sense that Dutch architecture was about to boom. But we also had a great deal of respect and affection for the history of Dutch design. And we had recently hired our first Dutch staff member. You start something as a joke, and it fills itself in. We had a list of 1,500 names for the company, and we couldn’t settle on one, because an exhibition abroad was coming up, we chose NL. The bumper sticker is an allusion to the origin of our collaboration: a Ford Escort in which we car-pooled during our years at university.



“We don’t build that much; a lot of projects founder or take an insane amount of time. It’s difficult for a firm of our size to compete for international tenders, because you have to have a minimum turnover and realized a relevant project. Often we don’t make it through the selection process. Clients are afraid we’re going to make something expensive or complicated. You might call it an image problem. But we always work within budget. That’s no guarantee, however, that a project will go ahead. Our main strength is that we can devote a disproportionately high amount of attention to what we do. And, in a certain sense, publishing is almost as much fun as building.”
A conceptual approach is almost a given for Dutch design. A conceptual attitude is mostly regarded as strongly idea-oriented. Does van Dijk consider the members of NL to be conceptual designers?
“We believe in ideas. When making design decisions, it’s important to have an idea to guide you. We like a building that requires only a few parameters to achieve change. We like tight “editing” – you could call that conceptual. By emphasizing a certain aspect of a structure, we can make an explicit statement. That makes a project communicative, and all our work is based on ideas or analysis. The designs follow a certain logic that is rooted in consistency. The results can be not only surprising but also, in some cases, surreal.”

interview BAR Architecten

BAR architecten werd opgericht nadat Joost Glissenaar en Klaas van der Molen op de Academie van Bouwkunst in Rotterdam elkaar ontmoet hadden. Tijdens de opleiding bleken ze niet alleen een overeenkomstige geschiedenis te hebben (ze volgden allebei een kunstacademie) maar ook de voorliefde voor een hands-on ontwerpmethode te delen. zes jaar geleden wonnen ze de Europan V op de locatie polderweg gebied in Amsterdam
Het winnende ontwerp werd weliswaar niet gerealiseerd maar ze kregen een vervangende opgave. Op de golf van die opdracht ontstond het bureau. Joost Glissenaar spreekt over het genomineerde brugwachtershuis omdat hij tijdens het proces het werk het meest toeeigende. Joost formuleert kernachtig, hij maak korte zinnen in gespierde taal. De uitspraken passen goed bij zijn postuur, Joost is een boomlange Hollandse jongen met wie je geen ruzie wil krijgen. Joost en Klaas zijn imponerende reuze architecten die hard en bondig praten.

Het brugwachtershuis dient voor de bediening van de stationsbrug over het kanaal door Walcheren in Middelburg. De draaibrug ligt in het centrum van Middelburg, pal voor het station. Het gebouw wordt eigenlijk maar een keer of zes per jaar bemand, bij speciale gelegenheden. De bediening van de brug gaat in alle andere gevallen namelijk automatisch. Het brugwachtershuis zou dus ook transformatorhuis genoemd kunnen worden. Voor het onderhoud van de apparatuur moeten er geregeld monteurs binnen zijn. Al het onderhoudswerk vormde voldoende aanleiding om een wc en een kleine keuken in het programma van eisen op te laten nemen.

Jullie lijken zo Hollands, zijn jullie dat ontwerpend ook? “Wij zijn op zoek naar helderheid, naar een reductie die klaarheid brengt. Wij willen geen overbodige complexiteit. Wij ordenen het programma opnieuw waaruit de vorm dan ontstaat. We zijn no nonsense, maar zeker niet volks. Nuchterheid en eenvoud past bij ons. We zijn ongecompliceerd, maar zeker niet simplistisch. We hebben wel duidelijke ambities, maar we willen op een heldere manier over ons werk kunnen vertellen. Wij styleren niet, dat zou te oppervlakkig zijn.” Als ik de vergelijking maak met het oeuvre van John Kormeling reageert Joost kriegelig. “Kormeling maakt iconen, maakt stripfiguren en hanteert een ridiculiserende vormtaal en detaillering. Dit gebouw is veel abstracter en zeker niet zo figuratief als het werk van John, er is hier ook geen ironie in het spel. We zijn serieus in dit gebouw”. Bovendien beschouwd hij hem als iemand die vooral commentaar geeft. Bar wil deelnemer zijn in de architectuur, ze willen bouwend realiseren met een middelgroot bureau.

Het gebouw is in bovenaanzicht een eenvoudige, gelijkzijdige driehoek. De hele plattegrond is over manshoogte opgetrokken. Het vreemde is dat het gebouw achterover helt en het dak ook weer niet waterpas is. Daardoor zijn de doorsneden en de zijaanzichten ingewikkelder dan de plattegrond.
Hoe komt een dergelijk gebouw bij jullie tot stand? “we hebben het samen gemaakt, iemand geeft een aanzet, een stagiair maakt wat modellen en zo ontstaat langzaam een idee en een vorm. De een maakt iets en de ander reageert erop, dat is nog altijd de manier van werken. We zetten heel veel modellen naast elkaar, een ronde een vierkant, veel extremen naast elkaar. Dan zie je op een goed moment wat het moet zijn.
Waarom hebben jullie groen glas toegepast? “We wilden het gebouw eerst van koper maken, dat slaat mooi uit tegen de waterspiegel. Het koper refereert aan de koepel van de Lange Jan, een kerk die verderop staat. Koper werd veel in daken gebruikt van bruchwachtershuizen in Amsterdam door bijvoorbeeld de architect Kropholler, wij vonden de referentie grappig. Maar al snel nadat we het voorstel presenteerden kregen we een conflict met het Waterschap. Er zit al veel koper in het kanaal van Walcheren en ze wilden er niet nog meer van gaan aantreffen. We hebben het koper vervangen door groen glas. In feite verwijst dat nog steeds naar het koper.”

Willen jullie je toeleggen op architectuur met het bureau?
“Ik vind alles leuk. De variëteit maakt het leuk ik wil ook wel stedenbouwkundige opdrachten doen. Vragen beantwoorden over hoe je gaat wonen. Is het wel wijs om zo te divergeren? Ik denk dat stedenbouw vanzelf op je pad komt. Neem nou claus en caan, die zie je het ook gaan doen. Ons probleem is dat we veel kleine gebouwtjes doen. We hebben een mobiel buurthuis gedaan en een oefencentrum voor klassieke muziek, wat verbouwingen en inferieure. Met die kleine objecten spring je van dingetje naar dingetje. Je wilt af en toe ook een competitie doen of een onderzoek opstarten”.

Plantijn caspari
We hebben een drukkerij gemaakt van 3500 m2. Plantijn caspari, de opdracht kwam via familie. Het gebouw functioneert goed en het wordt als plezierig ervaren om in te werken. De opdrachtgever is er ook gelukkig mee, het is gewoon goed ontvangen. Je vingers jeuken dan om nog zoiets te gaan maken.

Waar ligt de relatie tussen pc en dit gebouw? Pc gaat over gebruik. Verder is geen relatie. Eenvoud de heldere redenering. Heldere redenering is erg droog design jargon en dutsje design jargon. Dat is wat je over Hollands leest. Droog design is veel traditionalisme. Wij zijn echte avb studenten. Dat betekend dat we iets later gestart zijn. Wij zijn gestart in 99. Het tij was al aan het kenteren. Je voelde het kouder worden. De big boom van de Nederlandse architectuur was net voorbij. Maar laten we ons alsjeblieft geen depressie aanpraten. Overal waar wij komen ontmoeten we enthousiasme. We hebben nog steeds niet dep klagen over aandacht en erkenning.
We wonnen een europan. Dat ging dan niet door maar we kregen een vervangende opgave. Ik kan wel jaloezie voelen. Ik heb bij mvrdv gewerkt. Dat was een successtory. Maar goed zoveel ambitie en doorzetting als daar zit heb ik niet. Wij passen inderdaad in de Hollandse school. Vanuit gebruik gedacht, klaarheid helderheid, niet bang voor sculpturaal. Maar we vertalen ze niet meteen in vorm. Degene die bij het gesprek de grootste mond heeft die er het fierst over spreekt die krijgt de eindbeslissing. Zo ontstaat een eerst verantwoordelijke.

Interview Aaron Betsky

Aaron Betsky verliet per 27 oktober 2006 het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) in Rotterdam, om op 21 november 2006 in dienst te treden als directeur van het Cincinnati Art Museum, een van de oudste en grotere musea in de Verenigde Staten. Hier kan hij zich naar eigen zeggen “bezig houden met visuele cultuur in een breder veld”.

Ik vind Nederlandse design- en ontwerpcultuur fantastisch. Ik heb vijf jaar lang mensen bij de schouders gepakt en gezegd: kijk eens hoe fantastisch het werk is, dat jullie maken. laat het niet gaan, zorg ervoor dat het sterk blijft en zelfs beter wordt.
Architecten , grafisch ontwerpers en product ontwerpers hebben te maken met globalisering, dat betekent dat NL moet internationaal concurreren. Je kan dat alleen doen door je sterkste kwaliteiten in te zetten. Ga niet spelen als de grote internationale bureaus als pentagram maar je zal dat moeten vanuit je eigen kracht, je eigen Nederlandse traditie. 

Blijven investeren
We moeten blijven investeren in de onze culturele eigenheid, we moeten dat hoog agenderen. Ik heb me gestoord aan drie kabinetten Balkenende, aan de desinvestering van wat vormgeving zo krachtig heeft gemaakt. Het directe opdrachtgeversschap door de overheid is gevaarlijk uitgekleed. Gelukkig doet rijksbouwmeester Mels Crouwel veel aan het bevorderen van goed opdrachtgeverschap. 

De overheid zou weer de sterke opdrachtgever moeten worden die hij was. De grote wongbouwcorporaties worden bestuurd door mensen uit de grote steden die het hard op de goede plek hebben zitten. 

Ze hebben een verantwoordelijkheid naar hun aandeelhouders en hun afnemers, je moet ze kunnen overtuigen dat vormgeving en architectuur een speerpunt is en dat zij als opdrachtgever een sleutelrol vervullen. 

Zwitserland
De Nederlandse overheid kan een voorbeeld nemen aan de Zwitsers. Die vrij bewust sturen op het visueel eenduidige imago, het rode kruis.

Tonic heeft de Socialistische Partij aan een zege geholpen, dat betekend dat ze ook van grote betekenis kunnen zijn voor ABN-Amro, of voor het nationale merk Nederland. Er was sprake van dat te ontwikkelen voor JP, helaas is dat op de lange baan geschoven. 

Ik heb een dialoog met Dingeman Kuilman van Premsela, stichting voor Nederlandse vormgeving. Ik vind dat je je moet concentreren op waar je echt sterk in bent. Ik vind dat je de Senseo niet hoeft te ondersteunen. Philips is een internationaal bedrijf met een internationale vormgeving. Het merk is een gewone internationale speler en dat red zich toch wel. Je moet het typisch Nederlandse ondersteunen en de bedrijven die dat entermeren, zoals koninklijke Tichelaar Makkum.

Ik heb zoveel design gedaan al ik kon, maar ik vind dat er een brede samenwerking moet komen tussen verschillende instituten van de vormgegeven omgeving. Grens tussen landschaps-, interieur- architectuur, grafische en product vormgeving zijn maan het vervagen waadoor de sectorale, op discipline gebaseerde opdeling niet zal standhouden. Zo’n ontwikkeling moet je stapsgewijs doen. Premsela en Nai zullen evalueren, mogelijk naar elkaar toe groeien.

Schotten tussen disciplines
Ik heb niet het gevoel dat de schotten tussen disciplines groter zijn geworden, de laatste jaren. Ja, het discours binnen de vakdisciplines is recentelijk intenser geworden maar uiteindelijk worden er steeds meer teams geformeerd van ontwerpers uit verschillende disciplines. 

Samenwerkingen tussen grafisch ontwerpers, interieurontwerpers en dergelijke, zoals in goede projecten van OMA. Je doet een project vanuit kennis en disciplinaire achtergrond. Rrend in ontwikkeling is. 

In het beeldmuseum in Hilversum zie je voor een groot deel niet zozeer de architectuur maar de spectaculaire vormgeving op de gevel.

Droog Design
Ik vind het ineressant dat Droog geen bedrijf is, niet een persoon maar een project dat voortdurend in beweging, in het ontwikkeling is. Het is ook heel Nederlands, ik ken nog steeds geen internationaal equivalent.

Het blijft moeilijk om architectuur en vormgeving bij een echt groot publiek onder de aandacht te brengen. Ik had graag een groter publiek willen bereiken, je zou kunnen zeggen dta dat niet gelukt is. Het is ironisch dat je voor toegepaste kunsten harder moet knokken om publiek te interesseren, terwijl het dichter bij de mensen staat.. daar zal ook wel de verklaring zitten.

Ik wilde een Jan-Vredeman, de vries tentoonstelling doen, een schilder uit de zeventiende eeuw. dat bleek niet mogelijk omdat de werken moeilijk te lenen. Ik wilde ook graag de grote Mies van der Rohe tentoonstelling naar Nederland halen, dat is niet helemaal gelukt. Team 10 heeft veel meer bezoekers getrokken dan gedacht. 

Reality maschines
Natuurlijk trokken tentoonstellingen al sdie van Herzog en de Meuron veel bezoekers. Ik had ook een vervolg willen maken op “Reality maschines”, architecten en ontwerpers die een kunstmatige wereld maken, voor wie, waarom en op welke manier? 

We wilden dat doen met Premsela maar der lijkt nu toch iets niet goed te gaan. Ik denk dat realitty maschines niet typusch was voor een bepaalde tijd, of een bepaalde generatie ontwerpers, wat wel een gezegd wordt. De mentaliteit is er nu nog steeds, ik denk dus dat je dat nu weer zou kunnen doen.

Ik heb niet zo veel geschreven als ik wilde in mijn Nederlandse periode maar toch redelijk veel. Het idee van false flat was wel klaar maar het moest nog geschreven worden, ik heb het in Nederland geschreven. 

Ik ben altijd erg kritisch op mijn boeken, natuurlijk ben ik er trots op. Er zitten wel iets teveel foutjes in en het boek is te duur, dat is jammer.
Ik keer de toegepaste kunst niet de rug toe, dit museum heeft een geweldige collectie. Het interesseert mij aan architectuur en vormgeving dat het visuele cultuur is. Beeldende kunst kan soms ingrijpender en breder interveni?ren in de samenleving.




interview Werner Sewing

De vooraanstaande Duitse socioloog en architectuurcriticus Prof. Dr. Werner Sewing verdiepte zich op verzoek van Premsela enkele maanden in Nederlands design. Op 21 april sprak hij een genodigd publiek in de beurs van Berlage toe over zijn bevindingen. 

Een dag ervoor sprak ik uitvoerig hem in een klein restaurant. Zijn publieke voordracht droeg de titel ‘Retro Design or Populism – On the return of the Repressed’ 

Heeft Premsela zich wel gerealiseerd dat het niet ongevaarlijk is om een Duitse intellectueel langdurig onze design prestaties te laten bestuderen? Sewing laat zich zeer kritisch uit, daarom is dit verhaal is niet geschikt voor minderjarige designers.

Sociologen kunnen ons onaangenaam confronteren met de betekenis van ons vak. Sewing windt er geen doeken om waar design volgens hem voor staat. ‘Design speelt een rol in de sociologie van lifestyle, zoals bij het tonen van goede smaak. Sociale elites kiezen op smaak. Design dient er vooral voor om de positie van de elite te bevestigen’. Die stelling wordt toegelicht met de Bauhaus Swinging Chair. Echtgenotes van tandartsen (upperclass) kochten de stoelen voor de wachtkamers van hun man’s praktijk, zo blijkt uit de boeken. De clientèle (middle en lower class) beschouwden de stoelen dús als teken van goede smaak en kopieerde -letterlijk en figuurlijk- het gedrag van de tandartsvrouw. Vooral de kopieën van de stoelen werden uitstekend verkocht: minder prijzig en toch refererend aan de smaak van de hogere klasse. Het is een klassiek staaltje sociologie dat een logische verklaring levert voor het gedrag van groepen mensen.

Sewing koos ervoor om sociologie te studeren in een periode dat dat een zeer politiek gekleurd vak was. Pas aan het eind van de jaren zeventig richtte het vak zich meer op cultuur, waar Sewing al langere tijd geïnteresseerd in was. ‘ik deed steeds dingen niet in waren, pas later bleek dat ik op het goede spoor zat.’ Hij was politiek actief in Berlijn en volgt de Duitse en Europese politiek nauwlettend. Dat Sewing kritisch is over het politieke gehalte van Nederlandse vormgeving is dan ook al niet verwonderlijk maar wel, alweer confronterend. ‘Dutch Design is niet politiek genoeg. Nederlandse ontwerpers nemen politiek geen stelling en trekken zich terug in een neutraal pragmatisme. Deze houding biedt geen antwoord op het nieuwe populisme, dat teruggrijpt naar verleden en traditie. Dit gaat de Nederlandse vormgeving kwetsbaar maken. Veel Nederlandse designconcepten lijken politiek maar zijn louter esthetisch. Het is vaak wel innovatieve design maar het is zeker niet politiek.’

Alsof de dubbele afstraffing nog niet genoeg is, vind Sewing daarnaast Nederlands design te weinig context hebben en onvoldoende ingebed in de samenleving. ‘Droog design wil graag de context vergeten maar het is kunst. Het wordt gekocht door verzamelaars en musea. Het zal toch echt eindigen als een kunststroming. Maar als ik het kunst noem, is dat beslist geen negatieve kwalificatie. Al onze noties zijn trouwens kleiner geworden, een eeuw geleden bestond het woord design niet eens. Bauhaus noemde het ‘formgebung’. Ze vermeden het woord architectuur ook en hadden het consequent over ‘bauen’. Ze waren erg geïnteresseerd in de morele kant van gebruik, daar ontwikkelde ze ook wereldvisies uit. Er was een grotere vertelling. Ze wilden de formele, esthetische en functionele dimensie van het leven samenvoegen. De politieke ideeën die ze neergeschreven, vind ik echter niet fantastisch. Gropius was elite bourgeois, hij dacht zelfs dat ze ook voor de nazi’s konden werken.’

‘Als je Design als kunststroming positioneert is dat in zekere zin een minachting van wat mensen willen. En die positie kun je op dit moment niet langer volhouden.’ Als voorbeeld laat hij een plaatje zien uit de DO-IT collectie van Droog Design waarop een dikke bezwete man te zien is die net met veel krachtsinspanning de stalen kubus van Marijn van der Poll in elkaar heeft gemept tot stoel. De setting is niet een smaakvolle lege kamer van een designadept maar een knusse huiskamer van een arbeider. Die arbeider, het volk of de stereotype gebruiker omringt zich graag met de barokke meubels van wat hij als ‘rijkdom’ en ‘smaak’ heeft leren accepteren. Volgens Sewing toont het beeld aan dat Droog Design minachting heeft voor de gebruiker op de foto, en misschien wel voor alle gebruikers. ‘In feite zegt te foto: zo ziet het volk er uit, het volk heeft bezwete oksels en lelijke meubels. De gebruiker, komt in contemporaine Nederlandse design alleen als een geridiculiseerd icoon voor.’ Die ironisering wordt veroorzaakt door de arrogantie van ontwerpers die ver verwijderd zijn van wat de doelgroep zou moeten zijn. ‘Vergelijk dat met de Bauhaus idealen, hun houding ten opzichte van de gebruiker was nooit ironisch, en zeker niet minachtend’.

Bij Sewing komt, zoals meer buitenlandse critici, irritatie op over Nederland. Die irritatie is er bijvoorbeeld over ‘de hautaine, machiavellistische houding’ van Nederlandse ontwerpers. ‘Vanaf grote distantie kijken ze op het veld neer en een maken schijnbaar waardevrije analyses’. Hij rekent het Koolhaas en veel andere designers aan.’Zonderlinge eenlingen die een genie status kiezen. Veel architecten en designers misbruiken deze positie. Het leidt tot datascapes en schijnbaar geëngageerde conceptualiteit. Ik houd niet van Koolhaas’ geschriften en ik houd niet van datascapes. Datascaping is naïef positivisme, het is belachelijk. Sociaal wetenschappers kunnen er alleen maar om lachen. Ze dienen alleen een esthetisch doel. Geen enkele wetenschapper zal het ooit serieus nemen.’

Als hij vervolgens grote vraagtekens zet bij het (typisch) Hollandse in Dutch Design begrijpt u dat hier geen volgzame fan aan het woord is geweest. Hij weigert de historische verklaring te geloven dat ons poldermodel, het calvinisme en de groeiende economie van doorslaggevende betekenis waren voor het succes van Nederlands ontwerp in de negentiger jaren. ‘Dat gaat te snel, in alle boeken zoals SuperDutch en FalseFlat wordt er een welhaast clichématige en romantische verklaring gezocht voor de booming nineties. Ik beschouw het veel meer als een geslaagde, nationale brandingstrategie. Een land wat met succes zichzelf als innovatief en creatief weet neer te zetten. Nederland is niet alleen Gouda maar ook Cool & Hip. Een klein land, bedient een kleine markt en opereert met een nicheproduct. Dat is knap, in Duitsland wil het maar niet lukken om de landsidentiteit te branden. In de biografieën van de Droog-deelnemers zal ik zeker iets Nederlands vinden maar verder zie ik een leger van verschillende mensen met verschillende achtergronden. Droog had ook een Berlijns fenomeen kunnen zijn. De koppeling van deze design stroming aan de clichématige ontwerpgeschiedschrijving, is een branding truc. Historisch gezien is het flauwekul. Aan Koolhaas noch Droog is iets Nederlands te bekennen. Koolhaas groeide op in Indonesië en studeerde aan de Architectural Association in Londen. Hij was in Berlijn, New York, overal. Dit soort mensen heb je over de hele wereld. Alle academische theorieën komen van de AA. Bij de start was OMA niet eens een Nederlands bureau. Er zijn vele koolhasen, over de hele wereld.’

Sewing gelooft wél in naïviteit, maar vind Nederlands Design niet naïef genoeg. Met naïviteit bedoelt hij vooral authenticiteit, dat je werk maakt omdat je het zelf wilt maken. Wars van hoe het gedistribueerd, of tentoongesteld kan worden. Wars van het besef of er een commerciële of culturele afzetmarkt voor is. Hij vind Nederlanders te strategisch. Zijn we door de uitstekende mogelijkheden in dit land te berekenend geworden?

Terug naar het populisme, terug naar de titel ‘Retro Design or Populism – On the return of the Repressed’. Volgens Sewing zal ‘het gewone volk’ weer meer gehoord gaan worden, zeker ook door Nederlandse vormgevers. De wittebroodsweken van de avantgarde conceptuelen zijn voorbij. Het publiek gaat meer te vertellen krijgen. Als het niet op een direct manier is, dan via de projectontwikkelaar, de winkelier, de marketingmanager, de commerciële omroepen of de leefbaarheidspartijen. Er zijn inmiddels meer private omroepen dan publieke, alle woningbouwcorporaties zijn geprivatiseerd, en de markt voor individuele, autograph dsigners is verzadigd. Langzaam maar zeker krijgt good old Jan Modaal (in het Duits Otto Normalverbraucher) zijn stem terug. ‘Het is dan pijnlijk om te zien dat het hippe Lodonse architectenburo FAT een feestzaal voor het volk ontwerpt in Hoogvliet. Onder de titel ‘Heerlijkheid’ wordt het banale tot iconen gemaakt. De feesttent lijkt te zeggen: zo wil het volk het. Alles lekker plat en banaal. Die houding ten opzichte van de gebruiker zal vastlopen en getuigd alleen van elitaire minachting’

Als ik een tijd luister naar deze man, die niet in het vak zit en zich niet gek laat maken door de waan van de dag, word ik langzaam meegevoerd. Als gevangen door een geestverruimde drug laat hij mij uitzoomen. Ik neem afstand in historisch, politiek, sociaal en moreel opzicht. In een vrijwel voortdurend bewierookte Nederlandse ontwerpcultuur is dat pijnlijk, zoals leren ook confronterend kan zijn. Vertelde Plato ons al niet in de grotvergelijking dat de waarheid onder ogen zien is als plotseling in fel licht kijken: het doet pijn.

interview NL Architects

Op het universiteitsterrein de Uithof in Utrecht mag sinds kort gewoond worden, het kan nu een echte campus gaan worden. In het masterplan voor het gebied van Rem Koolhas wordt onder andere gepleit voor meer stedelijkheid en meer verdichting. Die oproep is aan NL besteed, de transformatie van een boekenwinkel tot grand caf? wordt aangegrepen om de gewenste stedelijkheid vorm te geven.
De basketbar, een samenvoeging van basketbal en bar, voegt een icoon van de stad toe aan het universiteitsterrein. Op het dak van het caf? zit een sportveld in een grote, pompeuze kooi die als ballenvanger fungeert.
Omdat NL eerder gevels als klimwand en rots voorstelde kan hier van een ?typisch NL-gebouw? gesproken worden. Maar de expressieve, ironisch geladen daadkracht verblindt de toeschouwer enigszins. Het gebouw is namelijk zeker geen oneliner; het is zorgvuldig en precies, met architectonische intelligentie ontworpen.

Water van Dijk: ?De basketbar valt volkomen natuurlijk op zijn plek, het voelt niet als toegevoegd aan het gebouw. Het nestelt zich op een contemporaine manier in de jaren zestig omgeving, de basketbar is er zacht geland, het is geen architectenstatement.
Het plan van Koolhaas stelt voor tot aan de rooilijnen te bouwen. Dat hebben wij gedaan, we hebben het bestaande doosje extreem uitgetrokken en zijn zo tegen 56 meter rooilijn aan gaan zitten.
De bestaande bebouwing was maar 2 meter 60 hoog terwijl in de opdracht gevraagd werd om een Grand Caf?. Men suggereerde er een verdieping bovenop te maken. Wij wilden dat niet omdat we de platheid waardeerden als reactie op het hoge gebouw erboven. Het basketbalveld heeft nu bovendien een relatie met het maaiveld, die verloren was gegaan als het dak verder opgetild zou worden. We hebben de hele vloer in het caf? 1 meter 20 verlaagd, precies barhoogte. Vloerhoogte buiten is barhoogte binnen. Door die verlaging wordt het gebouw 3 meter 80 hoog en dat is Grand caf? waardig. Om een kolomvrije ruimte te maken hebben we stijlen van de gevel dragend gemaakt. Het is eigenlijk een constructief hoogstandje, waar we constructeur Rob Nijsse dank voor verschuldigd zijn.

Een basketballveld is een typisch icoon van stedelijke en zwarte cultuur. Je kan geen hiphop tijdschrift open slaan of het staat vol met basketball, het zinnebeeld van stedelijk leven. De campus ontbeerde dat. BasketBall is bovendien een flexibel spel, om het te spelen hoeft je geen afspraak te maken. Je kan het alleen, en met ??n, twee en zelfs met vier teams spelen. Er was ??n bestuurslid van de universiteit die bezwaar maakte tegen basketball, hij vond het te banaal. Toen hebben we in de haast onderzoek gedaan naar het ontstaan van de sport. Het is ontwikkeld door een Amerikaanse professor om studenten afwisseling te bieden aan zware intellectuele arbeid. Zo werd zijn weerstand gebroken.
Het sportveld is volledig openbaar, de toegang komt zonder hek uit op de straat. De kolommen om het veld heen zijn veel zwaarder dan normaal omdat we geen kruizen wilden om het stabiel te maken. Ze bleken dik genoeg om er de luchtafvoer van de keuken in te maken. Twee kolommen en de bovenregel dienen nu als schoorsteen voor de vaatwasmaschines en acht andere voeren etenslucht af. Bij kou zal er stoom uit de kolommen komen en als je staat te basketballen kan je ruiken dat de bitterballen klaar zijn. Het vereist veel vernuft om het beeld simpel te houden. Het beeld van het gebouw is ongecompliceerd maar het is een wolf in schaapskleren.?

NL-Architects afficheert zich nadrukkelijk met zijn Nederlandse afkomst, de naam refereert aan de meest gebruikte afkorting voor ons land. Het logo van het bureau is het internationaal kenteken met een piepkleine toevoeging: een punt. Een wit ovaal met NL in kapitalen erin, officieel nog steeds verplicht voor elke personenauto die de grens oversteekt. Op de homepage van NL is een foto van de oprichters te zien in Volendammer klederdracht. NL lijkt de vaandeldrager Hollandse architectuur in de negentiger jaren te willen zijn. Het is vol van idee?n, die soms grappig en ironisch zijn. De groei naar een normaal bouwend bureau laat ging echter traag, en NL voelt zich nog altijd underdog. Neemt de architectuurwereld NL niet serieus genoeg?

?NL-Architects was een marketing truc. Je kon toen al voelen dat Nederlandse architectuur zou gaan boomen. Maar we hebben wel degelijk ook veel respect en liefde voor de geschiedenis van het Nederlandse ontwerp. En we hebben sinds kort ons eerste Nederlandse personeelslid. Je zet iets als een grap in en die vult zich vanzelf in. We hadden een lijst met 1500 mogelijke bureaunamen waar we niet uit konden kiezen. Omdat er een tentoonstelling in het buitenland op stapel stond kozen we voor NL. De bumpersticker verwijst naar de bron van onze samenwerking: een Ford Escort waarin we tijdens onze studie carpoolden.?
?Wij bouwen niet zoveel; er gaat ontzettend veel niet door, of het duurt krankzinnig lang. Het is voor een bureau van onze omvang moeilijk om mee te doen aan internationale aanbestedingen omdat je daarvoor een minimum omzet moet hebben en een relevant project moet hebben gerealiseerd. Wij komen vaak niet door selecties heen. Opdrachtgevers bang zijn dat we iets duurs of ingewikkelds gaan maken. Je zou het een imago probleem kunnen noemen. Maar we werken altijd binnen budget. Dat blijkt echter geen garantie voor het doorgaan van een project. Ons sterkte punt is dat we disproportioneel veel aandacht weten te vestigen op wat doen. En op een bepaalde manier is publiceren bijna net zo leuk als bouwen.?

Vinden jullie jezelf conceptuele ontwerpers?

?Wij geloven in idee?n, het is belangrijk een sturend idee te hebben om ontwerpbeslissingen te nemen. Wij vinden een gebouw leuk als het weinig parameters inzet om tot verandering te komen. We houden van strakke ?editing?, dat zou je conceptueel kunnen noemen. Door een bepaald aspect over te belichten kan een gebouw expliciet ergens over gaan. Dat maakt het communicatief en is altijd gebaseerd op een idee of analyse. De ontwerpen volgen een bepaalde logica die consequent wordt door gedacht. Dat kan verassende en soms surre?le uitkomsten hebben.?

interview met S333

Ik spreek Burton Hamfelt in zijn werkruimte in het centrum van Amsterdam. Hij is een van de vier niet-Nederlandse partners van het architectenbureau S333.
Het interieur is louter functioneel, computers staan uitgelijnd als in een productiestraat en het meubilair vertegenwoordigd weinige waarde. De voertaal is Engels en aan maquettes kleven lijmresten.

Er heerst een werklust en gedrevenheid die grenst aan bezetenheid. Er treedt weinig daglicht toe. ?De achitectuur van morgen kennelijk in TL-verlichting gemaakt?, denk ik. Deze locatie is de globalisering ten voeten uit, dit kan overal zijn. Locatie, afkomst en hechting zijn oude waarden, talenten kunnen zich op iedere plek verbinden. Waarom staat dit geglobaliseerde kantoor dan toch aan de Overtoom?

Burton Hamfelt: ?We hebben projecten in Engeland, Nieuw-Zeeland, Letland, Noorwegen en Singapore. Geen van ons komt uit Nederland, het bureau is gestart is London. Daarna hebben enkele van ons op het Berlage Insitute gestudeerd. Nederland is niet meer dan ??n van de mogelijke vestigingsplekken voor ons. Dat wij in hier niet zo bekend zijn komt waarschijnlijk omdat wij overal werken.
Of we hier naar toe moesten komen was geen lastige vraag. Nederland is Hollywood voor architecten. Als je acteur wilt worden ga je naar Hollywood en als je architect wil worden trek je hier naar toe. Er is geen ander land waar de designcultuur alomtegenwoordig is. De vraag of we hier nog veel langer moeten blijven is veel moeilijker te beantwoorden. Alhoewel we het hier naar onze zin hebben, en geen plannen hebben om te vertrekken geloof ik dat architecten als een nomadenvolk zijn. In principe moeten ze overal hun werk kunnen doen. Globalisering heeft ook voordelen. Ken je die uitspraak think global act local? Dat geld ook voor ons. Globalisering hoeft niet strijdig te zijn met een betrokkenheid bij de plek.?

Schotsen is bedacht door Maarten Schmitt, toenmalig stadsarchitect van Groningen. Het is een anekdotische verwijzing naar drijvende ijsschotsen in zee. De rol van de zee zou door de openbare ruimte gespeeld moeten worden, de gebouwen zijn de schotsen. De metafoor is een populaire bewerking van de tuinstad-gedachte, woonblokken in een zee van groen met een toegevoegd vormbeginsel. Is de ontstaanswijze van het gebouw typisch voor het einde van de vorige eeuw?

?Er heerste in de jaren negentig het idee dat elk gebouw een eigen identiteit moest hebben. Dat is kortzichtig en oppervlakkig, een eiland-mentaliteit. Nederlandse ontwerpers zetten vaak in op een funky vorm. Het is architectuur die lijkt te willen zeggen: kijk naar mij, ik ben gemaakt om bekeken te worden! Natuurlijk heeft de Nederlandse architectuurtaal van de jaren negentig ons flink be?nvloed. Wij hebben gezocht naar een samenhang van gebouw en omgeving. Het complex bevat dan ook twee supermarkten, 300 ondergrondse parkeerplaatsen, 3 collectieve daktuinen, 4500 m2 bedrijfsruimte en een politiebureau. Het herbergt 150 huur-appartementen. Alles staat met alles in verbinding via een ruimtelijke ontsluitingsstructuur. Wij hebben alles in het werk gesteld om de collectieve ruimten te verweven met de woongebouwen, om zo een volwaardig stuk stad te maken. We hebben het benaderd als ??n gebouw met een winkelcentrum dat erin gevlochten is en het gebied organiseert. De buitenwereld dringt het gebouw op allerlei manieren binnen. Het is een slim gebouw?

Het complex wordt gevormd door slingerende bouwstroken die ogenschijnlijk op een doorlopend landschap zijn neergezet. In de pers werd de term ?megavorm? voor het gebouw genoemd, het zoekt de grens op tussen gebouw en landschap. Of dat landschap rood of groen is blijft onbeantwoord. Die dichotomie wordt op een ontwerpende manier vermeden.
Het project is een als een meesterstuk, het eerste gerealiseerde project van S333. Terwijl startende collega?s als eerste bouwwerk vaak een schuur of een dakkapel maken, realiseert dit viertal een groot, duur, (25 miljoen euro) veelomvattend en alom project. Wie dit bij de start kan laten slagen moet vrijwel alles kunnen laten slagen. Is het toeval dat het bureau niet polemisch van aard is?

?Dat is niet waar, wij zijn zeker polemisch en wel degelijk ook politiek. We proberen verandering te entermeren. We publiceren, ik schrijf ook en we doceren op verschillende scholen. Bovenal houden we erg van ontwerpen. Wij houden ervan om de beste oplossing te vinden voor complexe problemen.
Wij hebben heel veel ge?nvesteerd in dit gebouw, we wonnen er elf jaar geleden de Europan 3 prijsvraag mee. De uitvoering heeft bijna vier jaar geduurd. Onlangs zei en collega architect tegen me dat de tijd van leuke architectuur voorbij is. Ik vind dat een interessante gedachte. In Nederland heeft leuk lang geregeerd. Wij hebben noot leuk ontworpen, wij zijn ook nooit ontdekt als aanstormende talenten op ons dertigste. Gelukkig niet. Wij nemen onze praktijk zeer serieus.?

?Ik ben trots op de detaillering, die is met zorg gedaan. Wij vinden daarvoor inspiratie bij Mies van der Rohe, hij was een meester in detailleren. Voor goede details is aandacht voor materialen en aandacht voor aansluitingen nodig. Zoals ik al zei: we hebben veel ge?nvesteerd in dit gebouw. Niet snel de goedkoopste oplossing maken maar doorzoeken naar waardige materiaalcombinaties. We hebben alles geprobeerd om het gebouw niet eenvormig te laten worden. In een van de lange gevels hebben we alle vormen van transparantie en kleur in het glas toegepast. Bij het andere gebouw wordt de gevel juist gemaakt met verschillende maten Western Red Cedar.
De gevels zijn fantastisch ruimtelijk geworden, ze lopen continu door. Er zijn niet echt kopgevels te bespeuren. Ik ben ook trots op deze trage trappen, als toegangspartij naar je woning. Ik ben trots dat woningbouw genomineerd is voor deze prijs?

interview met DAF

Een esthetische exercitie, DAF architecten FastFerry wachtruimte.

Architectenbureau DAF is minder eenvoudig te karakteriseren dan het lijkt. Het aan de universiteit in Delft opgeleide driemanschap heeft bijvoorbeeld geen duidelijke kopman, maar men wisselt steeds van rol. Ze praten allemaal gemakkelijk maar zijn geen van allen stellig. Ze zijn altijd zoekend, soms zelf aarzelend. Ze willen niet imponeren, maar hebben liever een open gesprek. Het bureau kan twijfel en onzekerheid hanteren. Het werk is ook niet eenvoudig te karakteriseren, omdat het divers en veelvormig is. Van planologische studies tot kleine paviljoens en van boerderij-achtige stadsvilla’s tot stoere pontons. Iedere marketing adviseur zou ze aanraden een ‘core-business’ te gaan benoemen, of ‘zichzelf te positioneren’ maar DAF is juist tevreden zonder die afbakeningen.

Het genomineerde project is een volledig uit staal opgetrokken wachtruimte op het aanlegponton aan de Willemskade in Rotterdam. De snelle boot verbinding (fastferry) tussen Rotterdam en Dordrecht meert er aan. Het was de enige halte aan de route zonder wachtvoorziening. Opdrachtgever was het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam en de bouwsom bedroeg 159.000 euro.

Catherine Visser: ‘Dat wij deze opdracht kregen was niet toevallig, we maakten al eens een kiosk in een recreatiepark, een mobiele tentoonstellingsruimte en een benzine station in Den Haag. Dat zijn ook allemaal sculpturale bakens geworden. FastFerry is een eenvoudige vorm die ruimtelijk heel veranderlijk is. Het getij helpt het gebouw bijzonder te maken. Bij laag water kan je soms vanaf de kade het dak niet eens zien terwijl je bij hoog water het hele ding pontificaal in je gezichtsveld staat. De Willemskade is een onstuimige plek, er moest een af te sluiten wachtruimte komen zodat passagiers niet het water in waaien. Wat wij bouwden werd gemonteerd op een al aanwezig ponton.

Ook de toegangsbrug lag er al, daar zijn we vanaf gebleven zodat het onderscheid goed te zien is.
Al bij al is het bouwwerk gecompliceerder dan het op het eerste gezicht lijkt: er zijn veel veiligheidseisen, de routing is ingewikkeld en de reactie van omwonenden was onvoorspelbaar. Er was eerder een klachtenprocedure tot aan de Raad van State geweest over de plaatsing van een aantal bomen, die het zicht wegnamen. De gemeente was erg gespannen, want dit object zou weer zicht gaan wegnemen. Uiteindelijk vindt de buurt het prachtig en zijn er geen problemen geweest.

Het ontwerpen van het object was een heel esthetische exercitie: waar moet het gebouw geplaatst worden zodat het beeld harmonisch blijft’ Door de robuuste wachtruimte aan de andere zijde van het ponton te plaatsen komt het ponton qua compositie in balans. Het staat nu dus helemaal aan de rand, technisch moest het ponton daardoor gecorrigeerd worden. Er moest meer drijfvermogen worden toegevoegd. De wachtruimte maakt op een vanzelfsprekende manier deel uit van het ponton.

De hoekige, duidelijke vormgeving is een krachtig gebaar maar ook een elegant beeld. Het gebouw is monolithisch, het lijkt van gegoten staal maar feitelijk is het een constructie van U-profielen die tweezijdig in staalplaat gevangen zijn. Alle naden zijn geslepen, om de eenvormigheid te benadrukken en is het totaal in één kleur geverfd. De twee kruizen dienen voor de stabiliteit in geval van botsende schepen. Aan de rand zitten stootborden waar schokdempers achter zitten die de klappen van het aanmeren van de boten kunnen opvangen. Het werk ademt het maritieme karakter van de Rotterdamse haven uit’.

Behalve vrijstaande objecten in de openbare ruimte maakt DAF ook vrijstaande woningen, vaak met een kap als dakvorm. In de architectuurwereld zijn kapbouwers verdacht. Het wordt als een teken van gedienstigheid en nostalgie gezien en daar hebben architecten en critici sinds het modernisme een broertje dood aan. Consumenten, en via hen projectontwikkelaars, willen echter graag vrijstaande huizen met grote kappen. Er zit dus een flinke spanning tussen vraag aan aanbod in de vrije markt. Nostalgisch of zelfs sentimenteel bouwen is daardoor haast een politieke daad geworden.

DAF is niet bang voor deze begrippen, ze gaan de vragen vanuit de markt niet uit de weg. Op een schap aan de wand staan dan ook tientallen maquettes van woningen met kappen. Grote, gedetailleerde, kleurrijke maquettes. Overal zijn verbasteringen van oude boerderijtypes in te zien. De grote huizen ogen marktconform terwijl er ook aan af te zien dat er intelligent ontwerpwerk achter schuil gaat.

‘Onze interesse voor historie is niet zozeer ingegeven door wat de markt wil, maar door wat wij de moeite waard vinden. Sentimenteel accepteer ik beter dan nostalgie. Nostalgie heeft iets vals, je verlangt naar een geïdealiseerde werkelijkheid. Je wil wel een boerenschuur maar niet de hardheid van het boerenleven, inclusief de stank en de armoe. Dat heeft sentiment niet, anders zou het gezegde vals sentiment pleonastisch zijn. Sentimenteel is altijd eerlijk.

Als een opdrachtgever iets nostalgisch wil, ben ik bereid die wens serieus te nemen. Historische kwaliteit wordt nou eenmaal erg gewaardeerd, oude steden worden mooi gevonden en in oude boerderijen wordt graag gewoond.

 We werden gevraagd om een vrijstaande woning te maken, in een stedenbouwkundig plan wat zo nadrukkelijk was dat je tussen de regels de boerderettes al zag staan. We hebben toen een ontwerp gemaakt dat de nostalgische vraag naar boerderette serieus neemt. Niet allen in de verschijningsvorm, een gezinswoning in een boerderijvorm, maar ook ruimtelijk. De zeer grote woonkamer is de deel met een houten kap en een schouw terwijl het voorhuis een opeenstapeling van kleine kamers is geworden’

Ook in de ferry wachtruimte speelt nostalgie een rol; het bouwwerk zou maritiem nostalgisch genoemd kunnen worden. DAF beseft zich dat er een duidelijk relatie met de kapwoningen is

‘Zelfs een ogenschijnlijk rationeel en functionalistisch gebouw als de FastFerry is’ k te begrijpen als havensentiment. Het is hypocriet dat een nostalgisch verlangen naar haven esthetiek vrijelijk botgevierd kan worden, terwijl een nostalgisch verlangen naar de boerderijwoning not done is.

Voor ons is de associatieve, mentale betekenis en de gefalsificeerde historische betekenis van ruimte relevant. Natuurlijk hebben we dan angst om banaal te worden. Maar ik vraag me toch nog steeds af waarom deze historische opgaven zoveel angst inboezemt bij veel collega’s.