All Posts in Category: in Nederlands

Het ontwerpproces van Jip & Janneke

Zo veel spraakverwarring er heerst over wat design is, zo eenstemmig is de designwereld over het karakter van het design-proces. In vrijwel álle publicaties over design methodologie zijn soortgelijke beschrijvingen met bijbehorende schema’s te vinden. We kunnen het misschien niet eens worden over wat het vak behelst maar in elk geval wél over welk proces wat er aan ten grondslag ligt.
Maar kloppen al die schema’s en die proces beschrijvingen eigenlijk wel? Volgens mij niet. De wekelijkheid van een designproces is veel complexer, chaotischer en onvoorspelbaarder dan de vakliteratuur ons willen doen geloven. Wat ons voorgespiegeld wordt is een versimpeling van de werkelijkheid.  
screen-shot-2013-04-21-at-6-40-17-pm
 
Het archetypische designproces bestaat uit 5 onderdelen.
1. Na de opdrachtformulering is er een analytische fase waar het probleem verkend wordt. Hier worden vragen gesteld aan de opdrachtgever en desk research gedaan.
2. Daarna is er een fase van synthese. Het geleerde wordt gesorteerd en een benaderingswijze (van de opgave) ontwikkelt zich. Ook wordt het verdere verloop van het proces gepland in deze fase.  
3. In het midden is de creatieve kern van het proces. (Het wordt in schema’s vaak als een gloeilamp aangeduid, het oersymbool van creativiteit). Het ontwerp concept komt hier tot stand. Zonder deze fase, spreken we niet van een ontwerp proces maar van een management proces.
4. Na de creatieve fase wordt overgegaan tot de uitwerking, ofwel de executieve fase. Schetsen worden tot tekeningen uitgewerkt en er worden (al dan niet fysieke) modellen of prototypen gebouwd.. Soms worden er materiaal- en constructieproeven gedaan.
5. In de laatste fase wordt er getest, verbeterd en gepresenteerd. Er worden conclusies getrokken en (waar nodig) wordt er terug gesprongen in het ontwerpproces.
Er zijn natuurlijk varianten, variërend van minimaal 3  fasen (Think, Create, Act) tot 7  (Define, Research,. Ideation, Prototype, Choose). Opmerkelijk is ook dat het proces van product design echter nauwelijks verschilt van dat van interaction social of architectonical design. Over de breedte van het vak zijn steeds dezelfde procesbeschrijvingen te zien.
 

design-thinking2

Design proces voor matige ontwerpers
Naar mijn idee worden in al die beschrijven de processen van middelmatige en slechte designers opgetekend. Goede ontwerpers werken niet zo. Het is een designproces voor als je depressief bent, of even geen ideeën en inspiratie hebt. Dan biedt zo’n model houvast om tenminste íets aan de opdrachtgever te tonen op de dag van de deadline.
Wat is er mis? Ten eerste wordt creativiteit opgesloten in een klein deel van het proces. Bij levendige ontwerpprocessen speelt creativiteit gedurende het héle proces een rol. Van opdrachtstelling tot presentatie. Een levendig proces is bovendien geen tweede keer hetzelfde. Soms is het pas achteraf op te tekenen verschilt een proces per opdracht, per situatie.
Ontwerpprocessen zijn veel chaotischer
Een standaard designproces suggereert dat designers een voorspelbare gang hebben. Volgens mij dienen de voorgekookte procesbeschrijvingen vooral om opdrachtgevers gerust te stellen. ‘Maakt u zich geen zorgen, ik werk procesmatig, dus het komt allemaal goed.’
Op zichzelf is dat ook prima; het geeft iedereen houvast als verwachtingen geschetst worden. Bovendien is het een leidraad om later verschillende fases in rekening te brengen.
Ontwerpprocessen worden dus te braaf, te analytisch en te voorspelbaar voorgesteld en opgetekend. De werkelijkheid is veel complexer, en vooral veel onvoorspelbaarder. Er zijn talloze ontwerpprocessen, die soms in de omgekeerde volgorde worden afgelegd. Iedere ontwerper heeft wel eens mee gemaakt dat hij op weg naar de presentatie besluit het allemaal anders te doen. Hoe past dat  dan in het kant en klaar schema?
Ontwerpprocessen zijn zo talrijk en divers als er ontwerpers zijn. De processen van Stefan Sagmeister zijn onvergelijkbaar met die van Irma Boom. Frank Gehry werkt totaal anders dan Norman Foster. Kostantin Gricic werkt heel anders dan Karim Rashid. Hun ontwerpprocessen zijn welhaast de kern van hun ontwerp eigenheid. Bovendien hebben goede ontwerpers niet vaak een voorspelbaar ontwerpproces. Was dat wel zo, dan waren ze veel eenvoudiger te kopiëren.
 
Wie zijn Jip & Janneke ?
Waarom mag die werkelijkheid, waarin elke ontwerper zich zal herkennen niet opgetekend?  Wie verspreidt het Jip & Janneke ontwerpproces?
Degenen die het ontwerpproces graag inzichtelijk en voorspelbaar willen voorstellen zijn niet designers zelf. Het zijn de design managers en Design thinkers, omdat zij vooral het proces ‘verkopen’.  
Zij zijn degenen die het meest belang hebben proces getrouwheid. De waarheid zou een onverkoopbaar model opleveren. Maar ook ontwerpers hebben belang bij het ontwerpproces, omdat het als management tool prettig is. Een groep is makkelijker aan te sturen, delen zijn makkelijker vooraf te benoemen en achteraf te factureren. Voorspelbaarheid heeft altijd en management voordeel.
Creativiteit
Een design proces is een breiwerk van management vaardigheden en creatieve vaardigheden. De management vaardigheden (informatie verzamelen, synthetiseren, testen, prototyperen, itereren) zijn goed te beschrijven. Maar voor creativiteit is dat veel ingewikkelder.
Creativiteit is een onwetenschappelijke, onvoorspelbare en onregisseerbare bezigheid.  Creativiteit laat zich niet op afroep herhalen, en het laat zich nauwelijks meten. hooguit de bijverschijnselen en de condities ervan zijn te meten. Creativiteit is een onaangepaste, anarchistische darkhorse. Die niet doet wat je van hem wilt, en al helemaal niet op het moment dat je het van hem wilt.

De eerste design-afvallige

Terwijl wij 20 jaar geleden elkaar nog de koppen insloegen of ons beroep nou ontwerpen of vormgeven moest heten. En de term Design louter gebruikten als bijvoeglijk naamwoord voor iets ‘overontworpens’, iets ‘slicks’, dat vast verkocht werd door Alessi, rukte het Angelsaksische gebruik van het begrip op. „Design kun je ook als werkwoord gebruiken“ leerden we van de Amerikanen. Nederland schrok wakker. Design Als paraplubegrip, als umbrella-term: oeioeioei.

Zonder dat we het in de gaten hadden was de wereld ineens geglobaliseerd. De lokale stammenstrijd tussen ontwerpers en vormgevers werd beëindigd. De laatste kemphanen uit BNO, de KIO, de Gio, Premsela en DDFA keken elkaar aan en vroegen zich af waar ze zich in hemelsnaam al die tijd druk over hadden gemaakt. Een situatie die we kenden van de Nederlands Hervormden en de Protestanten. Wie weet waar dat dispuut over ging?

Géén voet meer tussen de deur

Maar er veranderde voor de voormalige kemphanen nóg een paradigma. De ambassadeurs van de design lobbyclubs hoefden opeens géén voet meer tussen de deur te zetten als zij de design boodschap kwamen brengen bij overheden en bedrijfsleven. De design Jehova’s waren jaar in jaar uit langs de velden getrokken om ongelovigen van de kracht van de creatieve industrie te overtuigen. Of het nou in Harderwijk, Hamburg, of Ghangzou was, bij het MKB, de koningin of in de EU, de boodschap was altijd dezelfde: “Designers kunnen bést wel wat. Kijk er eens naar, het zal je verbazen”.

Stelt u het zich eens voor hoe het voelt als je 20 jaar de voet tussen de deur hebt gezet en dat plotseling iedereen aan de ander kant zegt: “Ja ja, dat doen wij nu ook. Dat weten we al. Dat implementeren wij nu. Daar zijn we a een poos mee bezig. U bent net iets te laat”, en “Vertel mij wat, ik was altijd al met design bezig”. Er valt ineens niets meer te zenden. Het zendingswerk is definitief vervuld. Het land is bekeerd. Iedereen wil design. Iedereen was al design, maar nu helemaal.

folie02Designers zitten bij DWDD aan tafel met hun 3D geprinte huizen, met hun smog-oplossingen, en met hun belofte met creativiteit de plasticsoep te lijf te gaan. Designers zijn nationale helden met hun eigen ‘image hotels’. Hun huizen staan voor veel geld te koop en ze treden op in pensioenreclames. Op de opening van de door Wanders gesponsorde Wanders reclameshow in het Stedelijk museum liep toet Het Gooi rond. Bontjasje, Pradaatje, etcetera. En ze zeiden allemaal in koor: “Wat een talent heeft die jongen, mensen die dat niet zien, zijn zuurpruimen”. Je hebt filmsterren, rocksterren, gewone BN-ers en designers. En ja, ik weet waar ik het over heb, met de vrouw in bovenstaande montage ben ik al 20 jaar getrouwd.

Design is populairder dan ooit: Ieder tijdschrift, ieder blog, schrijft erover. iedere ondernemer wil ermee geassocieerd worden. Als iets als design te herkennen is namelijk, heeft het een grotere ‘meerwaarde‘. Dat betekent dat je er een hogere prijs voor kan vragen. Daarom serveren middelmatige restaurants hun maaltjes op vierkante borden. Want de sterrenkeuken is ook design.

Er zijn designfestivals waar u nog nooit van gehoord heeft. Deze week was ik In Reijkjavik bijvoorbeeld, waar men ook gelooft dat de toekomst van de IJslandse economie meer creativiteit moet gaan draaien. Verrassend. Er zijn inmiddels meer designweeks dan weken in een jaar. Dus terwijl iedereen denkt te weten wat design is. En iedereen enthousiast is over het begrip en iedereen zijn beroepsnaam herdefinieert zodat het iets met design te maken heeft. Dan begin ik me nu hoe langer hoe meer af te vragen wat design nou eigenlijk nòg is.

Wat is design? Wat kan een designer? Kunnen ze eigenlijk wel iets?

Ik voel me daarbij als een werkeloze Jehova bij wie het -nu hij bevrijd is van zijn zendingswerk- begint te knagen. Ik ben mezelf de vraag aan het stellen die ik 1000 malen aan al die voordeuren stelde. Alleen had ik toen altijd een antwoord paraat, maar nu weet ik het even niet meer. Bij mij heeft de twijfel flink toegeslagen. Dus terwijl de religie groeit als kool ben ik misschien de eerste designafvallige.


folie08Stel we hebben hier ‘Marieke’ (designers zijn tegenwoordig voor 80% vrouwen, er zijn al scholen die er beleid op maken om ook jongens te interesseren). Marieke heeft net haar bachelor degree Design gehaald. Opgedaan op één van de vele Nederlandse scholen. Kan Marieke een model maken? Kan zij 3D printen? Weet zij de productieprijs van een designkadoo van 20 euro? Heeft zij een goede smaak? Weet zij het verschil tussen spuitgieten en extruderen? Kan zij het complementair van lichtblauw noemen? Weet zij wie Walter Gropius was. Kan zij een rekening sturen? Weet zij wat een ontwerpproces is?


Kunnen wij überhaupt één vraag formuleren waar we zeker een “Ja” op willen horen? Kunnen wij één harde eis stellen aan de competenties van een designer? Het zal niet makkelijk worden omdat het beroep transformeert van ambacht gerelateerd naar mentaliteit gedreven. Design is een creatieve mentaliteit en veel preciezer kunnen we het niet maken. 

folie10Toen liep ik op een vliegveld en zag een bord: “Designated Smoking Area”. Ik begon me af te vragen of dit rookverbod samenhangt met woord design. Ik ging de Middeleeuwse oorsprong van het woord rechercheren. Ik voelde me als een psychiatrische patient die zijn obsessies vooral niet hardop moet uitspreken omdat ik dan kans loopt dat mannen in witte pakken mij in een dwangbuis meenemen. Die mannen zetten mij op een afdeling met verwarde patienten die zich uit een sekte bevrijd hebben.

Design schept verwachtingen die het niet waarmaken kan. Designers gaan NIET de smogproblematiek in China oplossen. Erger nog: Design wordt als schaamlap gebruikt om de smogproblematiek daar niet aan te pakken. Design gaat ook niet het immigratievraagstuk oplossen. Design gaat ook niet de plasticsoep kleiner maken, alhoewel verschillende projecten dat beloven. Design gaat voor meer afval zorgen, niet voor minder. Design gaat ook obesitas, climate change en overproductie niet oplossen. Design is een onderdeel van het brandinginstrumentarium geworden, een ruimtelijke vorm van adverteren. Het is impliciet in handen van marketeers en designmanagers. Het publiek wantrouwt namelijk reclames, maar heeft vertrouwen in design. Marieke is ook zo’n eerlijk en lief kind. 

Design geeft geen enkele garantie. Het is een verzameling van 50 onbeschermde beroepen, elke 6 maanden komt er 1 bij. We leiden er elk jaar meer op. RCA wil in 5 jaar groeien van 500 naar 2200 studenten. Dit jaar zijn er weer meer verse ontwerpers dan vorig jaar. Volgend jaar worden het er nog meer. Zit daar dan echt geen maximum aan? Op een zeker moment zijn er toch voldoende designers zou je zeggen. 

Ik ben een boek aan het schrijven met de werktitel ‘wat is design? Over de transformatie van het beroep. Of dat boek een instructieve bestseller wordt of een roman van een psychopaat met oplage één, moet de tijd gaan leren. In beide gevallen noem ik het ‘een design’ en mezelf een designer. Tegen de tijd dat de dwangbuizen voor mij en andere afgekickte Jehova’s en de 12 stappen programma’s allang zijn geredisigned. Misschien wel door Marieke.

Autoregelgeving als fundament van gentrification

berlin-20131218-00749Consumenten huilen krokodillentranen over de teloorgang van mooie auto’s maar kopen inwisselbare modellen die weinig kosten en veel kunnen. Gelijk hebben ze want het levert je niets meer op om in een mooie auto te rijden. De auto betekend niets meer voor onze identiteit. Voor het geld dat hij per maand kost kan je een aan een parachute hangen of een Tantra-seminar volgen. Dat is veel bruikbaarder voor je persoonlijke ontwikkeling én voor je online-identiteitsvorming. Je AMC Pacer daarentegen kan je maar 2 keer per jaar op Facebook posten. Parkeren voor de deur van het restaurant gaat niet meer. Cruisen door de stad is niet meer leuk door rotonden, drempels en gordels. Als je ermee op vakantie wilt, vinden je vrienden het sneu voor je. Zij vliegen en huren iets. De auto heeft geen achterban meer, de grond onder het grote status van de vorige eeuw symbool brokkelt met de dag verder af. De auto straalt niet meer af op de bezitter en de auto’s stralen sowieso niet meer.

Inperking van vrijheid

De wetgever bemoeit zich intensief met de auto. Bij de invoering van de autogordel-draagplicht (1976) stuitte dat nog op veel weerstand. “Inperking van vrijheid”, “schending van persoonlijke integriteit”, maar zulke stemmen zijn verstomd. De automobilist is een mak schaap geworden. Zo heb ik mijn vorige auto ingeruild omdat hij te ‘vuil’ was om in mijn wijk te staan. Hij behoorde tot de Duitse milieuklasse 3, terwijl 4 benodigd was. Ik had de keus om naar een buitenwijk te verhuizen, of mijn auto voor een schoner model in te ruilen. Dit makke schaap koos ik voor het laatste.
Risee van de stad
folie14Ook de inrichting van steden disciplineert de autogebruiker. Genereerde een auto ooit vlotte toegang tot de stad, is zij tegenwoordig de risee van de stad. Alles is eenrichting verkeer geworden, je staat meer stil dan je beweegt. Wie parkeert wordt uitgeperst. Ondertussen moet je je schamen ten opzichte van elke fietser en voetganger want je doet iets immoreels. Alsof je een bloedige entrecote eet in een vegetarisch restaurant.
Je bent gek als je met de auto de stad in gaat. Het publiek heeft die boodschap inmiddels goed begrepen. Na veel campagnes, parkeertarieven, overstapplekken, wielklemmen en morele druk doen we dat ook niet meer. We gaan met de auto nog wel naar de MEGA-store om boodschappen voor de hele week te doen maar we mijden de binnenstad als de pest. Dat is namelijk definitief het territorium van de voetganger en de fietser geworden. De auto is de boosdoener in de stad: Hij is onvredig, gewelddadig, onsociaal, vervuilend en neemt teveel plek in.

De stad een verloren territorium

Alleen in onwerkelijke autoreclames kijken mensen nog lachend om naar een auto, omdat hij zo mooi en vlot is. Daar zijn de straten leeg, en swingen de auto’s door de stad. Maar in het echt is de binnenstad voor de auto een verloren territorium. Steden als Amsterdam, Groningen en Utrecht zijn disciplineringsmachines geworden.
Groningen liep voorop met haar verkeerskundige ‘kwadranten’. Van het ene naar het ander kwadrant is er maar één doorgang. Alles is eenrichtingsverkeer. Het zijn militaire middelen die ook gebruikt worden bij grootschalige, gevaarlijke evenementen zoals een Europacup Finale en of een Ajax huldiging. In zulke gevallen is boosdoener een dronken Hooligan maar hier is de ‘vijand’ de burger in zijn auto.
Autoregelgeving is het fundament van gentrification
stad-z-auto

Het is begrijpelijk dat een overheid -met grote steun van burgers- ferme maatregelen neemt om de stad te verbeteren. Maar misschien heeft de stedelijke arrogantie ten aanzien van de auto wel een te grote zege geboekt. Winkelgebieden lopen leeg en stadsbezoek neemt af, omdat we ‘winkelen via internet’. Maar er is niet meer aan de hand? Is de stad misschien ook minder opwindend geworden? Hoeveel galeries, lunchcafeetjes en snuisterijenshops kun je verdragen? De stad herbergt nog nauwelijks ongepolijste verassingen en ontmoetingen. Het is geen open platform meer voor iedereen. Alle anti-auto maatregelen zijn genomen vanuit de overtuiging dat de stad toch wel aantrekkelijk genoeg is, maar die aanname klopte misschien niet. Half Hengelo staat leeg en in Breda kan je met het blote oog de stedelijke terugloop zien in elk café.

Vergelijk onze binnensteden eens met een willekeurige stad op het Franse of Spaanse platteland, waar boeren en buitenlui twee keer per week hun auto’s parkeren om groenten en andere waar te verkopen. De ‘Hollandse maatregelen’ zijn daar ondenkbaar omdat ze het functioneren van de stad ondermijnen. Maar was dat primaire stedelijke gebruik niet juist hoe de stad ontstond, en wat de stad legitimeert? En hebben al die maatregelen het vitaal functioneren van onze steden ook niet uitgeroeid?
De autoregelgeving is een van de fundamenten van de gentrification en bijbehorende verburgerlijking van de stadscultuur. Iedereen denkt hetzelfde, vindt hetzelfde en woont hetzelfde. Alle restaurants serveren hetzelfde. De tegenstellingen die de stad ooit opwindend maakte zijn verdwenen omdat de hoogstedelijke cultuur al decennia regeert. We hebben onze steden tot resorts gemaakt, misplaatst arrogante “one-trick ponies”. Veel senioren en gezinnen hebben de stad daardoor juist herontdekt, ze kopen er appartementen en zijn er tevreden. Maar ga eens kijken in Warschau, Marseille en armere wijken van Berlijn. De stad is daar nog meer een melting pot van verschillen. Verschillen die op elkaar botsen en elkaar beconcurreren. De toegankelijkheid -juist ook voor de auto- speelt daarin een grote rol. We zijn te ver gegaan.

de Designbubble, design kan haar beloften niet meer waarmaken.

20 jaar geleden wist niemand wat design was of wat je eraan had. Op het vasteland van Europa werd het woord nauwelijks gebruikt want wij gebruikten de termen ‘ontwerpen’ of ‘vormgeven’. Op het diploma van mijn opleiding staat dan ook nergens design, terwijl diezelfde school inmiddels “Design Academy” heet.

Bijvoeglijk naamwoord
Design was destijds verbonden aan een stylistische opvatting. Allessi produceerde design koffiepotten en Dieter Rams maakte design voor Braun. Design duidde op intensief en meestal modernistisch vormgegeven producten die je in museumwinkels kocht. Cultureel gezegende vormgeving dus. Design was toen nog een bijvoeglijk naamwoord, geen werkwoord.
In de Angel-sakische wereld daarentegen was design een verzamelnaam voor verschillende ontwerpende disciplines. Die opvatting heeft een effectieve zegetocht gemaakt want inmiddels doen wij in Europa precies hetzelfde. Alle ontwerpende disciplines verenigen zich onder de koepel van design. Alles is design geworden en design is overal.

rams


Niet alleen taal 
Behalve die semantische overwinning, is het vakgebied dermate populair dat het andere disciplines in zich opneemt en absorbeert. Design is niet meer alleen interieur, grafisch, en productontwerp maar ook social, interaction-, interface-, game- en fooddesign. En design groeit nog door: delen van geëngageerde- en publieke ruimtekunst worden geïncorporeerd door design. Voor delen van de architectuur, landschaps- en interieur–architectuur geld hetzelfde: het wordt langzaam maar zeker vermarkt onder de allesomvattende titel design.
In discussies in het beroepsveld worden de overeenkomsten opeens meer benadrukt dan de verschillen, terwijl ze het vroeger niet eens konden worden of het nou vormgeven of ontwerpen moest heten.
En dan zijn er nog ‘Design Thinking’ en ‘Service design’. Bij deze disciplines kan het eindresultaat een dienst, een mentaliteit of een procedure zijn. Daarmee komt design dus ook in het veld van distributie, retail en organisatie. Niets blijft onaangeraakt: alles is design geworden en design is overal.

Rugwind 
Het beroepsveld is getransformeerd van een patchwork van disciplines naar een gemoedelijke eenheid. Dat gaat goed omdat het design goed gaat. Boeken en tijdschriften over design verkopen,  Blogs en sites over design hebben veel bezoekers en veel reclame inkomsten. De meeste designproducten en -diensten verkopen goed en de economische crisis heeft de design veel minder hard getroffen dan de architectuur.
In design zit nog steeds groei, het gaat allianties aan met innovatieve technieken en productiemethoden, met nieuwe werkwerkwijzen en inzichten. Design is goed aangesloten op de groeiende interneteconomie. De startup-scene heeft korte lijnen met de designwereld en maakt er deel van uit via app-ontwikkeling, interface en interaction design. Design is nauw verbonden met de veranderende wereld, het zit er middenin. Dat maakt design een aantrekkelijk en kansrijk speelveld.

Vertrouwen van het publiek
Bovendien heeft het publiek vertrouwen in designers, vergelijkbaar met het vertrouwen dat men vroeger in architecten had. Een architect kon iets oplossen, vooruitzien, was visionair en creatief en architecten waren toonaangevend in smaakkwesties. Architectuur gaf gestalte aan het naoorlogse discours. Vragen over machtsverdeling, woonvormen, de inrichting van de samenleving werden door architecten van een vorm voorzien. Architectuur zat midden in de veranderende wereld.
De vergelijking met design ligt voor de hand: Veel maatschappelijke vragen komen nu bij design terecht. Veel tools voor de individualisering en de globalisering zitten nu in het domein van design. Veel van de positieve connotaties over architectuur zijn op design overgesprongen. Designers kunnen iets oplossen, zijn visionair, creatief en gaan voorop in smaakkwesties. Design heeft deze eeuw de rugwind, hetgeen de toeloop en de groei verklaart.

Creativiteit en innovatie
Een belangrijke pijler van design is creativiteit. Creativiteit was nog nooit zo positief beladen als nu. In mijn jeugd was het ‘leuk’ als iemand creatief was, maar meer ook niet. Creativiteit was niet per se een goede eigenschap. Je haalde er geen goede cijfers mee, kwalificeerde je niet voor een gymnasium en in een militaire, politieke of sportieve carrière had je er ook niets aan. Wat moest je er ook mee in de tijd waarin de nadruk veel meer lag op efficiëntie, organisatie en kwantiteit dan op kwaliteit en (re)creatie.
Het tegendeel is nu aan de hand. We denken dat problemen onoplosbaar zijn zonder inzet van creativiteit. Creativiteit en innovatie zijn de nieuwe sleutelbegrippen voor groei. In Europa wordt innovatie grootschalig gesubsidieerd. De gedachte daarachter is, dat alleen onze creatieve en innovatieve vermogens wezenlijk onderscheidend zijn in een geglobaliseerde economie. China kan het goedkoper produceren, India kan het goedkoper engineeren maar onze creativiteit is voorlopig onvervangbaar. Alle hoop is plotseling gevestigd op een eigenschap die vroeger als overbodig gold.

overspannen verwachtingen 
Alle design disciplines (behalve ‘interieur-architect’) zijn onbeschermde beroepen. Iedereen mag zich morgen design-thinker, of social designer noemen. Per jaar komen er drie nieuwe opleidingen bij. Design groeit dan ook ongebreideld, maar door de steeds lichter en breder wordende opleidingen nemen de competenties van designers alleen maar af.
Tezelfdertijd zijn de verwachtingen van design inmiddels zo hoog gespannen – het moet bijdragen aan de verkeersveiligheid, de economie uit het slop trekken, om slechts twee voorbeelden te noemen – dat je ervan uit mag gaan dat design deze onmogelijk kan inlossen.
We bevinden ons in een designbubble; een zeepbel. De vraag is wanneer hij uiteen spat.

zeepbel

Een beeld zegt mínder dan 100 woorden

De Braun-Feldweg Preis toont het beste van de Duitse designcultuur. Waar ter wereld schrijven designstudenten meer dan tienduizend woorden? Waar ter wereld is er de rust in de designcultuur om over teksten te spreken? Teksten te vergelijken en teksten te beoordelen? Het gaat hier trouwens niet om een typisch studentenprobleem. Voor designprofessionals geldt hetzelfde; ook zij schrijven niet graag. De hele beroepsgroep lijkt dyslexie te hebben. In geen ander vakgebied zijn zoveel ghostwriters en catalogusschrijvers te vinden als in de designwereld, want de designers zelf kunnen het niet. Op designscholen komt relatief veel dyslexie voor; ze hebben een aantrekkingskracht op mensen met een slecht gevoel voor taal.

In de contemporaine cultuur kunnen studenten zonder moeite duizenden beelden ophoesten, sorteren, bewerken en publiceren. Ook het laten zien van beelden aan een publiek of een docent lukt ze zonder veel moeite.

beeldende wapenwedloop
Is het u opgevallen dat er op designsymposiums een beeldende wapenwedloop gaande is? Vroeger lieten ontwerpers tijdens een voordracht zo’n twintig dia’s zien. Een ‘slede’ noemden we dat. Wie er nu 50 laat zien is geen uitzondering. Ik maak regelmatig mee dat  mensen meer dan 120 beelden laten zien, soms op twee schermen tegelijk. Als ik ze daar als moderator vooraf op aanspreek hoor ik steevast:  “Ja, maar ik kan het heel snel hoor.”

Alsof het kunst is om niet alleen een overdaad aan beeld over een publiek uit te storten, maar dat ook nog heel snel te kunnen. Stelt u zich een chef-kok voor, die u 30 gangen wil laten eten in twintig minuten met de aanbeveling: “Ik kan het heel snel opdienen hoor.”

Biologisch beeld
Naar vergelijking met de voedselindustrie zou er in de beeldcultuur “Neuland of bio-beeld” moeten zijn. Zorgvuldiger behandeld, met respect opgenomen en de rechten ervan zijn goed geregeld.

Met respect opgenomen betekend bijvoorbeeld: geen beelden van aanslagen en de daders van de aanslagen. Het is abject dat u en ik een beeld in ons hoofd hebben van het gezicht van een gruwelijke Noor die tientallen mensen om het leven heeft gebracht omdat hij zich miskent voelde. Het is nog erger dat u en ik zijn stropdas kennen die hij droeg tijdens het proces. Ik wil dat beeld niet kennen, maar ik kom daar onmogelijk onderuit.

In beeldcultuur bestaat namelijk geen bio-beeld en geen Fair Trade Beeld. Het enige dat voor kritische beeldconsumenten mogelijk is, zijn vormen van abstinentie. Geen televisie kijken, geen computerspellen spelen, geen magazines doorbladeren en geen kranten lezen. Misschien dat de stropdas van Breivik je dan bespaard blijft. Maar makkelijk is dat niet.

In beeldcultuur lijkt een volledige gelijkwaardigheid en democratie te heersen. Een onscherp snapshotje uit een telefoon kan het opnemen tegen een geënsceneerd beeld waar een week aan gewerkt. En een vakantiekiek is op het internet van dezelfde orde als een schilderij van Vermeer. Ook promoverende ontwerpers heb ik horen klagen dat ‘beelden niet als woorden tellen’ voor hun promotie. Wat zou hun voorstel zijn? Om een beeld voor tien woorden te tellen, zodat we met 4000 beelden kunnen promoveren?

Tekstcultuur 
Met teksten hebben we al die problemen niet, woorden zijn niet zo eenvoudig te produceren als beelden. En niet iedereen kan het ook zomaar. Als je meer dan duizend woorden schrijft, moet je je heel precies uiten. Dat betekent dat je een idee, een motivatie, een argumentatie én een opbouw moet maken. Het proces van schrijven vraagt doorzettingsvermogen, concentratie, creativiteit en als het even kan: humor.

Wie een tekst schrijft, laat zich in zijn hoofd kijken en de meeste designers vrezen dat. Want pas dan komt het gebrek aan visie, het gebrek aan motivatie, historische kennis en aan kritiek ten volle aan het licht.
Als je een volwassen tekst leest, tekenen de karaktereigenschappen en tekortkomingen van de schrijver zich haarfijn af. Is hij creatief, is hij zorgvuldig, slordig of moedig? Is hij of zij ijdel en heeft hij veel wetenschappelijke pretentie? Kan de schrijver hoofd- van bijzaken onderscheiden? Heeft hij taalgevoel en heel belangrijk: heeft hij gevoel voor humor?

Zo verhullend als beelden kunnen zijn, zo ontmaskerend zijn  woorden als ze gedrukt worden. Daarom moet ik nu ook snel ophouden, anders loop ik in de door mijzelf zorgvuldig beschreven val.

Het vermogen om te schrijven is dus (ook in de designwereld) een proeve van bekwaamheid. Een prijs is een goed instrument om aandacht te vragen voor teksten en om het schrijven in scholen te stimuleren.
Het stimuleren van schrijven (via een prijs) is belangrijk voor de precisie van ontwerpers, en voor het ontwerpvak.

In een designcultuur die steeds meer drijft op de overweldigende beeldencultuur is het van belang het vak te verdiepen. Daarnaast blijkt dat de schrijvende ontwerper, die Braun Feldweg zelf was, nog steeds bestaat. Creativiteit is niet iets wat zich alleen in beeldcultuur uit: het uit zich evenzo in tekst.

Plezier te lezen
De winnaar van dit jaar toont dat fantastisch aan: het is een plezier om zulk een verrassende gedachtengangen te volgen. Het is een ontwerpende tekst, er wordt een gedachte ontvouwd en er wordt tot actie overgegaan. Dat maakt deze tekst zo bijzonder: het is geen klassieke designkritiek, of designbespreking. Het is een activistische tekst over een persoonlijke ontwikkeling van de schrijver.

In de tekst van de prijswinnaar Moritz Grund volgen we de relatie die hij als jonge ontwerper heeft met zijn bezittingen, dingen, objecten, producten. De zorgvuldige beschrijving van die relatie is waardevol in een tijd van overconsumptie. Een zorgvuldige en liefdevolle relatie tussen product en gebruiker is sowieso de sleutel naar duurzaamheid. Die relatie wordt ook in zijn tekst gelegd.

Door zijn zelfopgelegde limiet om 100 producten te gebruiken stelt de schrijver de relatie tussen object en gebruiker op scherp. De schijnbaar bizarre therapie om met 100 spullen een normaal leven te leiden is waardevol én aantrekkelijk. Het past goed in een trend van ‘real life challenges‘. Je zou het zo tot een reality televisieformat om kunnen schrijven.

Als je met respect ieder ding -ieder object- benadert zal je automatisch niets kopen dat je niet nodig hebt. Niets kopen dat je na één keer gebruiken weer weggooit, zoals een wegwerpbeker of een cellulose zakdoek.

Je zal producten voor verschillende doeleinden gaan gebruiken. Je zal je bij alles afvragen of je een product écht nodig hebt en wat je er nog meer mee kunt. En wat je er mee kan als je het ondersteboven of achterstevoren gebruikt. Kortom: je zal jezelf dwingen om echt na te gaan of het product je leven verrijkt, of het iets wezenlijks gaat bijdragen aan je leven. Dat doet Grund allemaal in een toegankelijke tekst.

Activistisch
De winnende tekst heeft niet zo zeer een wetenschappelijk ambitie, eerder een activistische en creatieve. De tekst toont een specifieke vorm van ontwerpend onderzoek.

In het onderwijs zijn de meningen over verschillende vormen van ontwerpend onderzoek zeer verdeeld.  Er wordt dan ook stevig gediscussieerd over de vraag wat onder ontwerpend onderzoek verstaan moet worden. Het is een zoekend discours. In vergelijking tot klassiek wetenschappelijke vakgebieden zijn er in design relatief weinig professoren en is er relatief weinig ontwerponderzoek. Slechts af en toe promoveert er een ontwerper.

De prangende vragen die ter tafel liggen zijn niet eenvoudig op te lossen. Is ontwerpend onderzoek een louter beschrijvende bezigheid, zoals designkritiek? Kan een ontwerp (een object, een product) het bewijs vormen in een onderzoek? Wat is het verschil tussen onderzoekend ontwerpen en ontwerpend onderzoeken? Moet ontwerponderzoek systematisch zijn, en zo ja: wat betekent dat voor het ontwerpen? Moet een ontwerpproces in een wetenschappelijke context herhaalbaar zijn? Betekent dat dat je ontwerpkwaliteit  kan afdwingen langs van te voren beschreven procedures? Het ligt voor de hand in een context als deze een oproep te doen voor meer wetenschappelijk ontwerponderzoek, maar ik zal dat niet doen.

De schrijvende ontwerper en de wetenschap
De schrijvende ontwerper, die door deze prijs gestimuleerd zou moeten worden, is niet per sé gebaat bij een wetenschappelijke context. De wortels van die opvatting gaan terug naar een wezensvraag over het ontwerpen zelf. Kan de ontwerpende discipline zich goed tot wetenschap verhouden? Is ontwerpen wetenschappelijk?

Mijn antwoord telt vier letters: Neen. Ik denk daarom dat we niet tegen elke prijs op zoek moeten gaan naar een wetenschappelijke erkenning of fundering van het vakgebied. Ik zie de beste ontwerpers in Europa van de academies komen, niet van de universiteiten. Ik zie op de technische en artistieke hogescholen een sneller reactievermogen op ontwikkelingen in het vakgebied dan op de universiteiten.

Zo is er op de recente verbreding van het vak in de richting van social-design, open-design, service-design en design-thinking vanuit de hogeschool adequaat en actief gereageerd. Managementscholen bieden design-thinking cursussen aan, diverse kunstacademies onderwijzen open design en social design. Het discours erover is aangevuurd door de scholen, niet door de universiteiten. Maar dat zijn allemaal nog géén argumenten tegen wetenschappelijkheid van het vak.

Op gespannen voet
De meeste ontwerpopleidingen aan universiteiten staan op gespannen voet met de wetenschappelijke aanspraak. Zelfs in de vakrichtingen van architectuur is deze discussie met regelmaat aan de orde.

In de kern van ontwerpen huist creativiteit, daar is iedereen het wel over eens. En juist die kern laat zich niet wetenschappelijk grijpen. Creativiteit is maar moeizaam bewijsbaar en vooral moeilijk herhaalbaar en afroepbaar te maken.

Creativiteit beschrijven lukt nog wel (neurobiologische eigenschap van een levend systeem aangaande de flexibiliteit van het hersens). Maar creativiteit veroorzaken, creatieve processen herhaalbaar maken, creativiteit sturen of vervangen gaat niet.

In elk geslaagd ontwerpproces huist een welhaast onlogisch en onvoorspelbaar onderdeel. Je kan in ontwerpen grote delen van het proces uitschrijven en formaliseren, maar een belangrijke vonk is ten principale onwetenschappelijk.

Ik weet dat ik mezelf niet populair maak met mijn opvatting, maar ik ben ervan overtuigd dat in de kern ontwerpen een onwetenschappelijk vak is. Het beroep deelt zijn wezen met artistieke disciplines, zoals beeldhouwen en schilderen en daarnaast met management, sociale vaardigheden, procesdisciplines en planning. Enkele flanken zijn dus wetenschappelijk te verankeren, maar de andere niet.

Hollandse export 
Terug naar de start. Wie aan Nederlandse exportproducten denkt, denkt aan kaas, marihuana en tulpen. Behalve die lekkernijen leveren we stervoetballers, designers en designcritici. Die designcritici zijn vereerd en gelukkig om betrokken te zijn in dit project, dat hen helpt na te denken over kwesties in het vakgebied.

Ik heb grote waardering voor de kalmte en de zorgvuldigheid van het Duitse debat, ook in de design. Ik ben blij daar deel van uit te mogen maken. Net als bij de voetballers worden designcritici beter als ze in een andere cultuur hun beroep uitoefenen. Omdat de nieuwe context iets anders van ze vraagt, en ze zich opnieuw moeten aanpassen en bewijzen. Daarom: Lang leve de Duitse designcultuur, lange leve de BF -Preis, Lang leve Moritz Grund en lang leve de Duitse debatcultuur.

DE AUTO IS DOOD, LEVE DE AUTO.

De Parijse autosalon is weer achter de rug. We konden zien dat autos saai, lelijk en voorspelbaar zijn. 30 jaar veiligheid- en milieuregelgeving hebben de ontwerpvrijheid volledig afgeknepen. Designers zijn niet te benijden. Maar zo vast als de oude petrolheads zitten, zo beweeglijk zijn de nieuwe mobilteits startups, die elektrische autos en deelconcepten ontwikkelen. Van Silicion Valley cars verwachten we dat ze er anders uitzien. Maar hoe doe je dat? Bestaat er na een eeuw autovormgeven nog een hele andere visuele taal? Honderd jaar autovormgeving is niet eenvoudig te ontlopen. Is er hoop voor de autovormgeving?


Autos zijn technisch, stilistisch en cultureel uitontwikkeld. Elke moderne auto kan vijf keer de aarde rond, haalt met gemak de maximum snelheid en hoeft nog nauwelijks naar de garage. Het benzineverbruik is in een halve eeuw gehalveerd en rijden is veilig geworden. Vroeger stierf je als je op een lantaarnpaal inreed, nu kan je over de kop slaan en er ongeschonden uitkomen. Daarnaast is de auto comfortabeler en makkelijk in de omgang geworden. Die successen zijn toe te schrijven aan auto-ontwerpers die hun best hebben gedaan. Kooiconstructies, airbags, antiblokkeersystemen, kreukelzones, hoofdsteunen en gewichtsbesparing hebben autos slimmer, goedkoper, veiliger en zuiniger gemaakt. Jammer dat de esthetiek erbij in is geschoten: Autos zijn lelijk, voorspelbaar en oersaai. Toch kan je dat de ontwerpers niet kwalijk nemen. De marges waarbinnen ontworpen kan worden zijn dermate klein dat er nauwelijks nog ruimte is voor verandering.

Eenvormige esthetiek en minder variatie
Alle grote merken maken een vijftal onomstotelijke modellen. Pogingen andere concepten te lanceren flopten te vaak (Fiat Multipla, Renault Avantime,). Producenten houden vast aan hun bestsellers. Autos lijken op elkaar omdat er weinig technische variatie is. De watergekoelde motor ligt dwars voorin, er is een zelfdragende carrosserie met voorwielaandrijving. De windtunnel doet de rest in het eenvormig kneden van de auto. Ook in de detaillering is weinig variatie. De aansluiting van de vijfde deur op de laadvloer is van goedkope Fiat tot dure Mercedes hetzelfde. Wielen zijn altijd ongeveer even groot en ruim in het zicht. Het liefst kijken we in de wielkassen, als ware het een decolté. De esthetische waarden die voor een auto gelden zijn eenvormiger geworden.


Sinds de verkopen dalen, worden in de auto-industrie geen geen experimenten gedaan. Het statussymbool van weleer is in verval. De autosector is in 60 jaar getransformeerd van wild, expressief en visionair naar braaf, visieloos en volgend.

Silicon Valley-cars hebben geen bezine.
Grote visie is moet komen van nieuwe mobiliteits-startups. Nieuwe automerken, die nooit een verbrandingsmotor gemaakt hebben zetten de autowereld op zn kop. Consumenten blijken de auto niet langer per se te moeten bezitten. Zo ontstaat ruimte voor ander autogebruik. Apps als Snapcar en Uber stellen je in staat om je auto te delen. Je kan je abonneren op deelauto-services (Drivenow, car2go) of betaald liften met Blablacar, Avego of Pickuppal.

De Automerken Tesla en Byd bouwen uitsluitend elektrische autos, waardoor de bedrijfscultuur volkomen anders is. Ook motorfietsproductenten Zero en Brammo hebben geen druppel benzine in huis, waardoor is er een veel duidelijkere focus is. De bedrijven lijken meer op een computerfirma dan op een autofabriek. In een e-voertuig zitten zo een miljoen programmeerregels. Het is dus geen toeval dat de nieuwkomers allemaal uit Silicon Valley komen. De nabijheid van developpers is cruciaal. Apple zit bij Tesla om de hoek.


Het vormgevende motief voor de elektrische auto
Electrische aandrijving is een grote stap voorwaarts voor leefklimaat in steden. Geluid, fijnstof, Co2 en stank worden teruggedrongen. Centrale opwekking van de energie is veel schoner. De politiek vindt dat ook, elektrische autos mogen daarom soms op de busbaan, op eigen parkleerplaatsen en eigenaren betalen nauwelijks belasting. Een volle tank kost 5 euro.
De berijder komt beter voor de dag, vooral in moreel opzicht. Ik rijd zelf op een elektrische motor en merk dat het ook een socialer voertuig is. De weg vragen en opstarten gaat niet gepaard met stank, herrie en intimidatie. Met een elektrische auto kan je voor een hip café met opgeheven hoofd uitstappen. Maar dan moeten de mensen die auto wél kunnen herkennen.  
Er zijn dus genoeg redenen om elektrische autos er anders uit te laten zien. Nu is het aan de designers. Eenvoudig is de opgave niet. Een ander vormgevend repetoire wordt niet overnacht uitgevonden. Waarin schuilen de kansen om deze autos te onderscheiden?

Wat zijn de handvaten voor een ander ontwerp?

Twee technische verschillen zijn bruikbaar. Elektromotoren hebben nauwelijks koeling nodig, waardoor de autos zonder luchtopening kunnen. Bij Bmw en Renault is dat uitgewerkt. Ze hebben een nadrukkelijk dichte grille. Daarnaast zijn elektromotoren stil. Bij Renault is er daarom geluid ontworpen voor inparkeren en langzaam rijden.
Als technische aanleidingen te kort schieten, is er nog de ideologie. De samenleving gelooft en wil dat dit de toekomst is, dus futurisme lijkt op zn plaats. Stijlkenmerken van het futurisme in de autoindustrie zijn de druppelvormige carrosserie, gesloten achterwielkassen en een scherpe, kromme rug. De Honda Insight, de Volkswagen XL1, BMW I3 volgen die koers. 15 jaar geleden was er al General Motors-Ev1, een futuristisch ontwerp dat radicaal anders was. Maar de petrolheads in de GM-boardroom waren er bang voor. De populaire wagen stierf een mysterieus vroege dood.


Het gevaar van futurisme in de vormgeving is dat het de klant af kan schrikken. De vormentaal loopt snel te ver voor consument-acceptatie uit. Futuristische autos -ook van topontwerpers- zijn opmerkelijk vaak geflopt. Behalve dus de Ev1 ook Pininferinas svx, Citroen SM, Delorean DMC12 en Tucker Torpedo  Daarom ziet de Tesla-S er gematigd progressief uit. Designchef Holzhausen zegt erover a car like this needs to have a conventional appeal as well. De carrosserievorm is daardoor bewust conservatief. Maar in de materialisering (97% aluminium), het interieur en de coating wordt wel uitgepakt. Op een tweede achterbank is plek voor 2 kinderen die achterstevoren zitten, nooit eerder vertoont. Er is een nieuwe lak ontwikkeld die 2 keer geglazuurd wordt, om hem als van glas te laten ogen.
Ook de detaillering is Tesla ronduit futuristisch: Op een groot touch-screen worden interieurfuncties bediend en de deurgrepen komen pas tevoorschijn als de auto van het slot afgaat. Zo uit Star-wars.

Vanaf volgend jaar is een model verkrijgbaar dat met 2 vleugeldeuren is uitgevoerd: het ultieme futurisme. De belangrijkste innovator Tesla is alle schroom dus aan het afwerpen. Dat is goed nieuws. We gaan een opwindende toekomst tegemoet. Want geloof me, over een poosje is de auto-industrie weer net zo expressief, visionair en wild als hij ooit was. Maar nu elektrisch.



Design is een Reuzenkwal

Ik ben een designer, daar heb ik voor geleerd. Ik ben bachelor in de industriële vormgeving voor openbare ruimten. Designer of Public Space, in nieuw Nederlands. Jarenlang heb ik mijn keuze voor design betreurd. Het ontwerpdebat onder architecten is rijker, de traditie van ontwerpen is groter en de maatschappelijke impact van een gebouw en zeker een hele wijk is groter. “Ik had architectuur  moeten studeren, zal ik het alsnog doen”, mijmerde ik dan. 

Design studeren
Maar ja, ik verliet een HTS Bouwkunde opleiding om design te studeren. Ik vond de Jellema Bouwkunde-boeken vol met foto’s van bouwvakkers die staal vlochten en kruiwagentjes beton storten te archaïsch. Ik had het gevoel terug in de tijd te gaan in plaats van vooruit.

Wij leerden op de HTS doorsneden van houten kozijndetails uit het hoofd, terwijl de deuren in de laatste Audi 100 kozijnloos  en zeker niet van hout waren. Ik moest uitgestorven metselverbanden optekenen terwijl Peter Struycken in een intelligente pixeltechniek  -uiteindelijk ook een metselverband- een portret van de koningin maakte. Ik klaagde erover tegen mijn bouwkundedocent, die begrip had voor mijn switch naar industrieel ontwerpen.

Vooruitgang
Design blijkt erg goed in staat met de tijd mee te veranderen. Design lijkt vooruitgang, verandering en innovativiteit in de genen te hebben. Het vak is op dit moment bij het grote publiek bekender en populairder dan ooit tevoren (wat dat ook waard mag zijn).

Het publiek heeft nog vertrouwen in designers. Dat vertrouwen is vergelijkbaar met dat het vertrouwen dat men vroeger in architecten had. Een architect kon iets oplossen, zoals geen ander dat kon. Hij kon ook vooruitzien en was toonaangevend in smaakkwesties. 

Door die populariteit groeit design en slokt het andere vakgebieden op. Social design, Designthinking, food-design, interaction design, design management, sustainable design, designstrategie en out of the box denken, het zijn stuk voor stuk nieuwe loten aan de stam, waar recentelijk dikke boeken over gepubliceerd zijn. En het merkwaardige is, dat die boeken meestal uitverkocht raken. Design gaat allianties aan met innovatieve technieken en methoden, nieuwe werkwerkwijzen en nieuwe inzichten. Design groeit ongecontroleerd in allerlei richtingen, als ware het een reuzenkwal. 

Krimp
Die ongecontroleerde groei staat in schril contrast tot de situatie in de architectuur en de stedenbouw. Die disciplines lijken alleen maar te krimpen. Waar architecten en stedenbouwkundigen de grootste moeite hebben om hun expertise aan de veranderende maatschappelijke omstandigheden aan te passen, lijken designers er juist in voorop te gaan. 

Designers worden in steeds meer processen en ontwikkelingen betrokken, terwijl architecten en stedenbouwkundigen daarin steeds minder betrokken worden. Dat is des te vreemder, omdat ik denk dat de kern van de beide expertises niet veel verschilt. Ja, de materialen en de fabricagemethoden verschillen, maar het denken -de kernactiviteit van de designer- is eender. Ook denk ik dat designers momenteel bij te veel betrokken worden en architecten bij te weinig, maar dat terzijde. 
Buigzamer
Design blijkt een vak dat door zijn geringe expertiseballast en gebrek aan tradities veel buigzamer is dan de architectuur en de stedenbouw. Aan de gebrekkige expertise en het gebrek aan tradities stoor ik me al zolang ik in design zit. Maar de buigzaamheid van het vak vind ik fantastisch. 

Nederland heeft geen hoofdstad

Toen mij in de 4e klas de Hoofdstad uitgelegd werd, wilde ik er wonen. Ik zag de naam ervan op een landkaart in vette kapitalen en onderstreept geschreven werd. AMSTERDAM. De plaatsaanduiding was een ster in plaats van een kleine zwarte cirkel. Ik wist meteen: daar moet ik bij zijn. Als het leven er niet beter zou zijn, dan was het er in zeker betekenisvoller. Ik woonde toen slechts in een open zwart puntje. 


Ik deelde de obsessie met mijn vader, want of ik nou in Roermond, Utrecht of Rotterdam woonde, hij nam me regelmatig mee naar de hoofdstad. ‘Daar gebeurt het allemaal’, zei hij zonder twijfel. Op de hoofdstadtrips belandden we in het Stedelijk Museum, de Rosse buurt of het Olympisch Stadion. We aten in Surinaamse restaurants en dronken in ‘Koekebier’ met mannen die over Mokum spraken. Allemaal dingen die je in Roermond niet had. Misschien is het zijn liefde die er voor zorgde dat mijn broer er al een kwart eeuw woont. Ik sleet er uiteindelijk maar een paar jaar als bewoner en forens. Nu ben ik een andere hoofdstad aangekomen: Berlijn. Maar in mijn hoofdstadromantiek is iets geknakt: Noch Berlijn noch Amsterdam zijn eigenlijk echte hoofdsteden. 

Nederland
Het grootste defect van de hoofdstad is dat de regering er niet zetelt. De uitgeplaatste regering is een rariteit die verder alleen in Bolivia en Maleisië  voorkomt. Op sommige kaarten van Nederland zijn dan ook twee hoofdsteden getekend: Den Haag én Amsterdam. Maar er knaagt meer: de stad is ook geen provinciehoofdstad en heeft dus geen enkele bovenlokale macht aan boord. Men kan er nauwelijks iets bestemmen dat voorbij de gemeentegrenzen gaat.

Er zijn in Amsterdam talrijke consulaten maar geen ambassades. Met alle respect, maar consulaten zitten tegenwoordig ook in Zwolle en in mijn geboortedorp St-Michielsgestel. Het is nou eenmaal praktisch als Roemeense aspergestekers niet helemaal naar den haag hoeven. En dus kunnen ze sinds kort ook in St. Michielsgestel terecht. Ook de houding van het koningshuis ten opzichte van de hoofdstad is halfslachtig. Beatrix ontvangt regelmatig gasten in haar Paleis op de Dam en de staatsbezoeken worden er voor een belangrijk deel afgewikkeld. En ook al trouwde zoonlief er, de familie woont er niet. Het lijkt erop alsof de van Oranjes Amsterdam ‘leuk’ vinden (zoals veel mensen) maar ze committeren zich niet aan de hoofdstad. Dat deed Juliana al niet, en dat gaat Willem de Vierde ook niet doen. “Geen lekkere stad om met een gezinnetje te leven”, zie je hem denken.

Daarnaast heeft Amsterdam geen internationale politieke organisaties in huis, zoals Europol, Strafhof, NAVO. Het heeft noch een diplomatiek, noch een ambtelijk apparaat, noch een hofhouding, noch een grote mediasector. Op de spoorkaart is Amsterdam niet belangrijker hoofdstad Utrecht en economisch is het maar de vraag of er inmiddels meer verdiend wordt dan in de havenstad Rotterdam. Kortom een gemankeerde, vooral culturele hoofdstad.

Als ik nu door Berlijn fiets zie ik soms de smakelijke details van een hoofdstad: grote, donkere BMW’s, op diplomatiek kenteken die, onder politiebewaking, te hard rijden. Onverklaarbare, tijdelijke wegversperringen met gewapende politie of douane personeel in speciale kleding. Demonstraties van protestbewegingen waarvan je het bestaan niet wist. In een echte hoofdstad voel je een politiek belang dat de regio ver overstijgt. In Pankow wordt verbouwd aan de ambassade van Kazachstan, die er al zat ten tijde van de DDR. Er is een Lidl om de hoek. 

Duitsland
Door het halfslachtige besluit (met 51% meerderheid) om Berlijn hoofdstad te maken en vijf ministeries in Bonn te achter te laten is pijnlijk gebleken dat een stad naar hoofdstad moet groeien. De politiek kan het wel aanwijzen, maar hoofdstadvorming kost decennia. In de speculatiegolf na de Hauptstadtwahl zijn miljarden euro’s verdampt. Er gebeurde eigenlijk helemaal niets, terwijl iedereen dacht dat stad zou gaan gieren. Maar na 20 jaar groeit Berlijn gestaag in zijn hoofdstadrol. In het najaar wordt er weer een ministerie verhuisd. Weer tienduizenden ambtenaren erbij, weer een wijk (Chaussestrasse) op z’n kop. Ook komen er steeds meer lobbyclubs naar de stad. En de betekenis van de stad neemt toe met elke lobbyclub, elke galerie, elk ministerie en elke groot sportevenement. In München en Düsseldorf is het telkens weer een onderwerp op kunstborrels: de leegloop richting Berlijn.

Als Frankrijk, Albanië of Belarus het songfestival wint, weten we zeker van waaruit het jaar daarna opgestraald zal worden. Vanuit hun onomstotelijke hoofdsteden Parijs, Tirana en Minsk. De trotse symbolen van de Natie. Maar als hetzelfde Nederland of Duitsland overkomt, blijft het gissen. De laatste keer dat het gebeurde werden het in elk geval niet hun ‘hoofdsteden’. Ik vrees dat ik nog steeds nooit in een stad heb gewoond die terecht onderstreept is en in kapitalen geschreven is Misschien moet ik terug naar ST.MICHIELSGESTEL

Entertainment 2.0: de Kastanienallee in Berlijn

Ik woon sinds drie jaar in de Kastanienallee, Prenzlauerberg, Berlijn. Door de straat gaan trams, autoverkeer en het is de meest befietste straat van de stad. Op het gedeelde baanvak wordt ook geparkeerd. Op acht meter brede trottoirs staan kastanjebomen (verklaring voor de straatnaam). En toch is er niet voldoende ruimte: de toeristenstroom maakt het moeilijk je als buurtbewoner de straat toe te eigenen. Daarom gaan we dus binnenkort verhuizen.

De Kastanienallee heeft nichetoerisme: voorgesorteerd publiek, dat er door internetadviezen gekomen is. De modale bezoeker is een 35-jarige, modebewuste vrouw uit een welvarend westers land. Ze is niet rijk. Ze is met drie vriendinnen of haar vriend op stap. Ze is eigenzinnig in haar modieuze keuzes. Ze draagt geen kleding uit de grote standaardwinkels.

Daardoor zie ik veel korte pony’s, korte broeken en korte jurken over leggings, hoedjes, laarzen en broeken met nauwsluitende pijpen. Weinig spijkerbroeken, weinig merkkleding en weinig pakken. Het is een modieuze parade. De bijnaam van de straat is: Casting-allee. Het zicht op paraderende, opperbest en vooral hip geklede meiden doet denken aan een acteurscasting voor een film.

Reisgidsen
Wonen in de Kastanienallee heeft me veel geleerd over nichetoerisme en het nieuwe entertainment. De straat is beroemd en staat daarom in elke reisgids vermeld.

Zomaar een verhaal van een ‘onlineverklikker’: ‘If you’re bored with more conventional clothing brands, on Kastanienallee you can find some unique pieces of clothing with a reasonable price. This place is a must.’

De straat wordt dus aangeprezen om het ontbreken van ‘grote merken’ en inderdaad is de schaal van de middenstand klein. Er zijn verschillende winkeltjes op een paar vierkante meter met de meest uitlopende, vaak trendy hebbedingen. Daarnaast zijn er twee kraakpanden, waarvan er één in koeienletters op de gevel heeft staan: ‘Totalismus tötet, zerstört & normiert’. Op het antikapitalistische terrein worden cursussen gegeven in jongleren, dansen, mediteren en er is een kleine cultbioscoop.

Toeristische attractie
De straat heeft haar wortels in de kraakscene en de kleinschalige bedrijvigheid, maar is inmiddels een toeristische attractie geworden. Dat leidde tot opmerkelijke nieuwe allianties bij recent protest tegen de ombouw van de straat. De politiek wil een vrijliggend fietspad realiseren en daarvoor moeten de stoepen smaller. Winkeliers, horeca en omwonenden zijn daar op tegen. De horeca-uitbaters hebben daarom gebroederlijk met de krakers en professionele protestanten (uit Kreuzberg) wekenlang elke zaterdag ‘gedemonstreerd’ in de straat.

Een demonstratie in de Kastanienallee lijkt echter op een straatfeest. Verkeer wordt lamgelegd, er is een podium, er spelen bandjes (of goedkoper: spontane karaoke). Er is drankverkoop op volle terrassen en falafelverkopers draaien overuren.

Ook is er politie op de been, hun blauwe busjes met gepantserd glas staan al klaar voor de onruststokers. Want het moet natuurlijk wel een echte demonstratie zijn en blijven. De geschiedenis heeft immers geleerd dat het in Berlijn altijd uit de hand kán lopen.

Entertainmentstad
Inmiddels is protest, actie en verzet een wezenlijk onderdeel geworden van de entertainmentstad. Echt buurtengagement, met mensen die de straat opgaan, zich roeren en zich verzetten, is ook aantrekkelijk voor bezoekers. Of het nou een buurtbarbecue of een massademonstratie is, toeristen, middenstand én bewoners vinden het leuk. Niet alleen hier.

Iedereen was dan ook tevreden met de handtekeningenactie op de ‘Tag des Zorns’ (dag van de woede). De Tagesspiegel schreef echter fijntjes op: ‘Statt Zorn soll es nun vor allem Konzerte geben.’ De krant heeft in de gaten dat we hier op de grens van buurtfeest en actie zitten.

Voorganger van onze actie is trouwens de eigenaresse van het hippe café Schwarz Sauer. Het tijdschrift Prinz schrijft over haar bar: ‘Überprüfe den eigenen Style im Schwarz Sauer, denn im Szenetreffpunkt gibt es nur ein Mantra: Sehen und Gesehen werden.’

Is het toeval dat de puik geklede uitbaatster van dé coolste kroeg uit hip Prenzlauerberg de voorvrouw is van een ‘politieke actiegroep’? Nee, politiek verzet en activisme zijn inmiddels versmolten met entertainment; het is weer cool.

Ouderwets
Daarom zijn de oude concepten voor entertainmentgebieden zoals het terrein rondom de Arena in Amsterdam-Zuidoost (en hier O2-World) verouderd. Het zijn brave, voorgeprogrammeerde en gescripte vormen van entertainment, zonder echte betrokkenheid.

Met grote merken, flagshipstores en merken in hun nadagen op smooth functionerende podia. Led Zeppelin in de Heineken Music Hall: alles precies fout. Als maaltijd is er keus uit Burger King en steak bij Friday’s, terwijl de voetbalploeg (een bij elkaar gekochte boel) tegen een andere bij elkaar gekochte boel speelt. Dat was de entertainmentstad van de jaren negentig.

Entertainment impliceert uiteindelijk betrokkenheid, engagement. In welke vorm dan ook: de Kastanienallee heeft me daarvan een voorbode laten zien.