All Posts in Category: Holland

Het ontwerpproces van Jip & Janneke

Zo veel spraakverwarring er heerst over wat design is, zo eenstemmig is de designwereld over het karakter van het design-proces. In vrijwel álle publicaties over design methodologie zijn soortgelijke beschrijvingen met bijbehorende schema’s te vinden. We kunnen het misschien niet eens worden over wat het vak behelst maar in elk geval wél over welk proces wat er aan ten grondslag ligt.
Maar kloppen al die schema’s en die proces beschrijvingen eigenlijk wel? Volgens mij niet. De wekelijkheid van een designproces is veel complexer, chaotischer en onvoorspelbaarder dan de vakliteratuur ons willen doen geloven. Wat ons voorgespiegeld wordt is een versimpeling van de werkelijkheid.  
screen-shot-2013-04-21-at-6-40-17-pm
 
Het archetypische designproces bestaat uit 5 onderdelen.
1. Na de opdrachtformulering is er een analytische fase waar het probleem verkend wordt. Hier worden vragen gesteld aan de opdrachtgever en desk research gedaan.
2. Daarna is er een fase van synthese. Het geleerde wordt gesorteerd en een benaderingswijze (van de opgave) ontwikkelt zich. Ook wordt het verdere verloop van het proces gepland in deze fase.  
3. In het midden is de creatieve kern van het proces. (Het wordt in schema’s vaak als een gloeilamp aangeduid, het oersymbool van creativiteit). Het ontwerp concept komt hier tot stand. Zonder deze fase, spreken we niet van een ontwerp proces maar van een management proces.
4. Na de creatieve fase wordt overgegaan tot de uitwerking, ofwel de executieve fase. Schetsen worden tot tekeningen uitgewerkt en er worden (al dan niet fysieke) modellen of prototypen gebouwd.. Soms worden er materiaal- en constructieproeven gedaan.
5. In de laatste fase wordt er getest, verbeterd en gepresenteerd. Er worden conclusies getrokken en (waar nodig) wordt er terug gesprongen in het ontwerpproces.
Er zijn natuurlijk varianten, variërend van minimaal 3  fasen (Think, Create, Act) tot 7  (Define, Research,. Ideation, Prototype, Choose). Opmerkelijk is ook dat het proces van product design echter nauwelijks verschilt van dat van interaction social of architectonical design. Over de breedte van het vak zijn steeds dezelfde procesbeschrijvingen te zien.
 

design-thinking2

Design proces voor matige ontwerpers
Naar mijn idee worden in al die beschrijven de processen van middelmatige en slechte designers opgetekend. Goede ontwerpers werken niet zo. Het is een designproces voor als je depressief bent, of even geen ideeën en inspiratie hebt. Dan biedt zo’n model houvast om tenminste íets aan de opdrachtgever te tonen op de dag van de deadline.
Wat is er mis? Ten eerste wordt creativiteit opgesloten in een klein deel van het proces. Bij levendige ontwerpprocessen speelt creativiteit gedurende het héle proces een rol. Van opdrachtstelling tot presentatie. Een levendig proces is bovendien geen tweede keer hetzelfde. Soms is het pas achteraf op te tekenen verschilt een proces per opdracht, per situatie.
Ontwerpprocessen zijn veel chaotischer
Een standaard designproces suggereert dat designers een voorspelbare gang hebben. Volgens mij dienen de voorgekookte procesbeschrijvingen vooral om opdrachtgevers gerust te stellen. ‘Maakt u zich geen zorgen, ik werk procesmatig, dus het komt allemaal goed.’
Op zichzelf is dat ook prima; het geeft iedereen houvast als verwachtingen geschetst worden. Bovendien is het een leidraad om later verschillende fases in rekening te brengen.
Ontwerpprocessen worden dus te braaf, te analytisch en te voorspelbaar voorgesteld en opgetekend. De werkelijkheid is veel complexer, en vooral veel onvoorspelbaarder. Er zijn talloze ontwerpprocessen, die soms in de omgekeerde volgorde worden afgelegd. Iedere ontwerper heeft wel eens mee gemaakt dat hij op weg naar de presentatie besluit het allemaal anders te doen. Hoe past dat  dan in het kant en klaar schema?
Ontwerpprocessen zijn zo talrijk en divers als er ontwerpers zijn. De processen van Stefan Sagmeister zijn onvergelijkbaar met die van Irma Boom. Frank Gehry werkt totaal anders dan Norman Foster. Kostantin Gricic werkt heel anders dan Karim Rashid. Hun ontwerpprocessen zijn welhaast de kern van hun ontwerp eigenheid. Bovendien hebben goede ontwerpers niet vaak een voorspelbaar ontwerpproces. Was dat wel zo, dan waren ze veel eenvoudiger te kopiëren.
 
Wie zijn Jip & Janneke ?
Waarom mag die werkelijkheid, waarin elke ontwerper zich zal herkennen niet opgetekend?  Wie verspreidt het Jip & Janneke ontwerpproces?
Degenen die het ontwerpproces graag inzichtelijk en voorspelbaar willen voorstellen zijn niet designers zelf. Het zijn de design managers en Design thinkers, omdat zij vooral het proces ‘verkopen’.  
Zij zijn degenen die het meest belang hebben proces getrouwheid. De waarheid zou een onverkoopbaar model opleveren. Maar ook ontwerpers hebben belang bij het ontwerpproces, omdat het als management tool prettig is. Een groep is makkelijker aan te sturen, delen zijn makkelijker vooraf te benoemen en achteraf te factureren. Voorspelbaarheid heeft altijd en management voordeel.
Creativiteit
Een design proces is een breiwerk van management vaardigheden en creatieve vaardigheden. De management vaardigheden (informatie verzamelen, synthetiseren, testen, prototyperen, itereren) zijn goed te beschrijven. Maar voor creativiteit is dat veel ingewikkelder.
Creativiteit is een onwetenschappelijke, onvoorspelbare en onregisseerbare bezigheid.  Creativiteit laat zich niet op afroep herhalen, en het laat zich nauwelijks meten. hooguit de bijverschijnselen en de condities ervan zijn te meten. Creativiteit is een onaangepaste, anarchistische darkhorse. Die niet doet wat je van hem wilt, en al helemaal niet op het moment dat je het van hem wilt.

De eerste design-afvallige

Terwijl wij 20 jaar geleden elkaar nog de koppen insloegen of ons beroep nou ontwerpen of vormgeven moest heten. En de term Design louter gebruikten als bijvoeglijk naamwoord voor iets ‘overontworpens’, iets ‘slicks’, dat vast verkocht werd door Alessi, rukte het Angelsaksische gebruik van het begrip op. „Design kun je ook als werkwoord gebruiken“ leerden we van de Amerikanen. Nederland schrok wakker. Design Als paraplubegrip, als umbrella-term: oeioeioei.

Zonder dat we het in de gaten hadden was de wereld ineens geglobaliseerd. De lokale stammenstrijd tussen ontwerpers en vormgevers werd beëindigd. De laatste kemphanen uit BNO, de KIO, de Gio, Premsela en DDFA keken elkaar aan en vroegen zich af waar ze zich in hemelsnaam al die tijd druk over hadden gemaakt. Een situatie die we kenden van de Nederlands Hervormden en de Protestanten. Wie weet waar dat dispuut over ging?

Géén voet meer tussen de deur

Maar er veranderde voor de voormalige kemphanen nóg een paradigma. De ambassadeurs van de design lobbyclubs hoefden opeens géén voet meer tussen de deur te zetten als zij de design boodschap kwamen brengen bij overheden en bedrijfsleven. De design Jehova’s waren jaar in jaar uit langs de velden getrokken om ongelovigen van de kracht van de creatieve industrie te overtuigen. Of het nou in Harderwijk, Hamburg, of Ghangzou was, bij het MKB, de koningin of in de EU, de boodschap was altijd dezelfde: “Designers kunnen bést wel wat. Kijk er eens naar, het zal je verbazen”.

Stelt u het zich eens voor hoe het voelt als je 20 jaar de voet tussen de deur hebt gezet en dat plotseling iedereen aan de ander kant zegt: “Ja ja, dat doen wij nu ook. Dat weten we al. Dat implementeren wij nu. Daar zijn we a een poos mee bezig. U bent net iets te laat”, en “Vertel mij wat, ik was altijd al met design bezig”. Er valt ineens niets meer te zenden. Het zendingswerk is definitief vervuld. Het land is bekeerd. Iedereen wil design. Iedereen was al design, maar nu helemaal.

folie02Designers zitten bij DWDD aan tafel met hun 3D geprinte huizen, met hun smog-oplossingen, en met hun belofte met creativiteit de plasticsoep te lijf te gaan. Designers zijn nationale helden met hun eigen ‘image hotels’. Hun huizen staan voor veel geld te koop en ze treden op in pensioenreclames. Op de opening van de door Wanders gesponsorde Wanders reclameshow in het Stedelijk museum liep toet Het Gooi rond. Bontjasje, Pradaatje, etcetera. En ze zeiden allemaal in koor: “Wat een talent heeft die jongen, mensen die dat niet zien, zijn zuurpruimen”. Je hebt filmsterren, rocksterren, gewone BN-ers en designers. En ja, ik weet waar ik het over heb, met de vrouw in bovenstaande montage ben ik al 20 jaar getrouwd.

Design is populairder dan ooit: Ieder tijdschrift, ieder blog, schrijft erover. iedere ondernemer wil ermee geassocieerd worden. Als iets als design te herkennen is namelijk, heeft het een grotere ‘meerwaarde‘. Dat betekent dat je er een hogere prijs voor kan vragen. Daarom serveren middelmatige restaurants hun maaltjes op vierkante borden. Want de sterrenkeuken is ook design.

Er zijn designfestivals waar u nog nooit van gehoord heeft. Deze week was ik In Reijkjavik bijvoorbeeld, waar men ook gelooft dat de toekomst van de IJslandse economie meer creativiteit moet gaan draaien. Verrassend. Er zijn inmiddels meer designweeks dan weken in een jaar. Dus terwijl iedereen denkt te weten wat design is. En iedereen enthousiast is over het begrip en iedereen zijn beroepsnaam herdefinieert zodat het iets met design te maken heeft. Dan begin ik me nu hoe langer hoe meer af te vragen wat design nou eigenlijk nòg is.

Wat is design? Wat kan een designer? Kunnen ze eigenlijk wel iets?

Ik voel me daarbij als een werkeloze Jehova bij wie het -nu hij bevrijd is van zijn zendingswerk- begint te knagen. Ik ben mezelf de vraag aan het stellen die ik 1000 malen aan al die voordeuren stelde. Alleen had ik toen altijd een antwoord paraat, maar nu weet ik het even niet meer. Bij mij heeft de twijfel flink toegeslagen. Dus terwijl de religie groeit als kool ben ik misschien de eerste designafvallige.


folie08Stel we hebben hier ‘Marieke’ (designers zijn tegenwoordig voor 80% vrouwen, er zijn al scholen die er beleid op maken om ook jongens te interesseren). Marieke heeft net haar bachelor degree Design gehaald. Opgedaan op één van de vele Nederlandse scholen. Kan Marieke een model maken? Kan zij 3D printen? Weet zij de productieprijs van een designkadoo van 20 euro? Heeft zij een goede smaak? Weet zij het verschil tussen spuitgieten en extruderen? Kan zij het complementair van lichtblauw noemen? Weet zij wie Walter Gropius was. Kan zij een rekening sturen? Weet zij wat een ontwerpproces is?


Kunnen wij überhaupt één vraag formuleren waar we zeker een “Ja” op willen horen? Kunnen wij één harde eis stellen aan de competenties van een designer? Het zal niet makkelijk worden omdat het beroep transformeert van ambacht gerelateerd naar mentaliteit gedreven. Design is een creatieve mentaliteit en veel preciezer kunnen we het niet maken. 

folie10Toen liep ik op een vliegveld en zag een bord: “Designated Smoking Area”. Ik begon me af te vragen of dit rookverbod samenhangt met woord design. Ik ging de Middeleeuwse oorsprong van het woord rechercheren. Ik voelde me als een psychiatrische patient die zijn obsessies vooral niet hardop moet uitspreken omdat ik dan kans loopt dat mannen in witte pakken mij in een dwangbuis meenemen. Die mannen zetten mij op een afdeling met verwarde patienten die zich uit een sekte bevrijd hebben.

Design schept verwachtingen die het niet waarmaken kan. Designers gaan NIET de smogproblematiek in China oplossen. Erger nog: Design wordt als schaamlap gebruikt om de smogproblematiek daar niet aan te pakken. Design gaat ook niet het immigratievraagstuk oplossen. Design gaat ook niet de plasticsoep kleiner maken, alhoewel verschillende projecten dat beloven. Design gaat voor meer afval zorgen, niet voor minder. Design gaat ook obesitas, climate change en overproductie niet oplossen. Design is een onderdeel van het brandinginstrumentarium geworden, een ruimtelijke vorm van adverteren. Het is impliciet in handen van marketeers en designmanagers. Het publiek wantrouwt namelijk reclames, maar heeft vertrouwen in design. Marieke is ook zo’n eerlijk en lief kind. 

Design geeft geen enkele garantie. Het is een verzameling van 50 onbeschermde beroepen, elke 6 maanden komt er 1 bij. We leiden er elk jaar meer op. RCA wil in 5 jaar groeien van 500 naar 2200 studenten. Dit jaar zijn er weer meer verse ontwerpers dan vorig jaar. Volgend jaar worden het er nog meer. Zit daar dan echt geen maximum aan? Op een zeker moment zijn er toch voldoende designers zou je zeggen. 

Ik ben een boek aan het schrijven met de werktitel ‘wat is design? Over de transformatie van het beroep. Of dat boek een instructieve bestseller wordt of een roman van een psychopaat met oplage één, moet de tijd gaan leren. In beide gevallen noem ik het ‘een design’ en mezelf een designer. Tegen de tijd dat de dwangbuizen voor mij en andere afgekickte Jehova’s en de 12 stappen programma’s allang zijn geredisigned. Misschien wel door Marieke.

Een beeld zegt mínder dan 100 woorden

De Braun-Feldweg Preis toont het beste van de Duitse designcultuur. Waar ter wereld schrijven designstudenten meer dan tienduizend woorden? Waar ter wereld is er de rust in de designcultuur om over teksten te spreken? Teksten te vergelijken en teksten te beoordelen? Het gaat hier trouwens niet om een typisch studentenprobleem. Voor designprofessionals geldt hetzelfde; ook zij schrijven niet graag. De hele beroepsgroep lijkt dyslexie te hebben. In geen ander vakgebied zijn zoveel ghostwriters en catalogusschrijvers te vinden als in de designwereld, want de designers zelf kunnen het niet. Op designscholen komt relatief veel dyslexie voor; ze hebben een aantrekkingskracht op mensen met een slecht gevoel voor taal.

In de contemporaine cultuur kunnen studenten zonder moeite duizenden beelden ophoesten, sorteren, bewerken en publiceren. Ook het laten zien van beelden aan een publiek of een docent lukt ze zonder veel moeite.

beeldende wapenwedloop
Is het u opgevallen dat er op designsymposiums een beeldende wapenwedloop gaande is? Vroeger lieten ontwerpers tijdens een voordracht zo’n twintig dia’s zien. Een ‘slede’ noemden we dat. Wie er nu 50 laat zien is geen uitzondering. Ik maak regelmatig mee dat  mensen meer dan 120 beelden laten zien, soms op twee schermen tegelijk. Als ik ze daar als moderator vooraf op aanspreek hoor ik steevast:  “Ja, maar ik kan het heel snel hoor.”

Alsof het kunst is om niet alleen een overdaad aan beeld over een publiek uit te storten, maar dat ook nog heel snel te kunnen. Stelt u zich een chef-kok voor, die u 30 gangen wil laten eten in twintig minuten met de aanbeveling: “Ik kan het heel snel opdienen hoor.”

Biologisch beeld
Naar vergelijking met de voedselindustrie zou er in de beeldcultuur “Neuland of bio-beeld” moeten zijn. Zorgvuldiger behandeld, met respect opgenomen en de rechten ervan zijn goed geregeld.

Met respect opgenomen betekend bijvoorbeeld: geen beelden van aanslagen en de daders van de aanslagen. Het is abject dat u en ik een beeld in ons hoofd hebben van het gezicht van een gruwelijke Noor die tientallen mensen om het leven heeft gebracht omdat hij zich miskent voelde. Het is nog erger dat u en ik zijn stropdas kennen die hij droeg tijdens het proces. Ik wil dat beeld niet kennen, maar ik kom daar onmogelijk onderuit.

In beeldcultuur bestaat namelijk geen bio-beeld en geen Fair Trade Beeld. Het enige dat voor kritische beeldconsumenten mogelijk is, zijn vormen van abstinentie. Geen televisie kijken, geen computerspellen spelen, geen magazines doorbladeren en geen kranten lezen. Misschien dat de stropdas van Breivik je dan bespaard blijft. Maar makkelijk is dat niet.

In beeldcultuur lijkt een volledige gelijkwaardigheid en democratie te heersen. Een onscherp snapshotje uit een telefoon kan het opnemen tegen een geënsceneerd beeld waar een week aan gewerkt. En een vakantiekiek is op het internet van dezelfde orde als een schilderij van Vermeer. Ook promoverende ontwerpers heb ik horen klagen dat ‘beelden niet als woorden tellen’ voor hun promotie. Wat zou hun voorstel zijn? Om een beeld voor tien woorden te tellen, zodat we met 4000 beelden kunnen promoveren?

Tekstcultuur 
Met teksten hebben we al die problemen niet, woorden zijn niet zo eenvoudig te produceren als beelden. En niet iedereen kan het ook zomaar. Als je meer dan duizend woorden schrijft, moet je je heel precies uiten. Dat betekent dat je een idee, een motivatie, een argumentatie én een opbouw moet maken. Het proces van schrijven vraagt doorzettingsvermogen, concentratie, creativiteit en als het even kan: humor.

Wie een tekst schrijft, laat zich in zijn hoofd kijken en de meeste designers vrezen dat. Want pas dan komt het gebrek aan visie, het gebrek aan motivatie, historische kennis en aan kritiek ten volle aan het licht.
Als je een volwassen tekst leest, tekenen de karaktereigenschappen en tekortkomingen van de schrijver zich haarfijn af. Is hij creatief, is hij zorgvuldig, slordig of moedig? Is hij of zij ijdel en heeft hij veel wetenschappelijke pretentie? Kan de schrijver hoofd- van bijzaken onderscheiden? Heeft hij taalgevoel en heel belangrijk: heeft hij gevoel voor humor?

Zo verhullend als beelden kunnen zijn, zo ontmaskerend zijn  woorden als ze gedrukt worden. Daarom moet ik nu ook snel ophouden, anders loop ik in de door mijzelf zorgvuldig beschreven val.

Het vermogen om te schrijven is dus (ook in de designwereld) een proeve van bekwaamheid. Een prijs is een goed instrument om aandacht te vragen voor teksten en om het schrijven in scholen te stimuleren.
Het stimuleren van schrijven (via een prijs) is belangrijk voor de precisie van ontwerpers, en voor het ontwerpvak.

In een designcultuur die steeds meer drijft op de overweldigende beeldencultuur is het van belang het vak te verdiepen. Daarnaast blijkt dat de schrijvende ontwerper, die Braun Feldweg zelf was, nog steeds bestaat. Creativiteit is niet iets wat zich alleen in beeldcultuur uit: het uit zich evenzo in tekst.

Plezier te lezen
De winnaar van dit jaar toont dat fantastisch aan: het is een plezier om zulk een verrassende gedachtengangen te volgen. Het is een ontwerpende tekst, er wordt een gedachte ontvouwd en er wordt tot actie overgegaan. Dat maakt deze tekst zo bijzonder: het is geen klassieke designkritiek, of designbespreking. Het is een activistische tekst over een persoonlijke ontwikkeling van de schrijver.

In de tekst van de prijswinnaar Moritz Grund volgen we de relatie die hij als jonge ontwerper heeft met zijn bezittingen, dingen, objecten, producten. De zorgvuldige beschrijving van die relatie is waardevol in een tijd van overconsumptie. Een zorgvuldige en liefdevolle relatie tussen product en gebruiker is sowieso de sleutel naar duurzaamheid. Die relatie wordt ook in zijn tekst gelegd.

Door zijn zelfopgelegde limiet om 100 producten te gebruiken stelt de schrijver de relatie tussen object en gebruiker op scherp. De schijnbaar bizarre therapie om met 100 spullen een normaal leven te leiden is waardevol én aantrekkelijk. Het past goed in een trend van ‘real life challenges‘. Je zou het zo tot een reality televisieformat om kunnen schrijven.

Als je met respect ieder ding -ieder object- benadert zal je automatisch niets kopen dat je niet nodig hebt. Niets kopen dat je na één keer gebruiken weer weggooit, zoals een wegwerpbeker of een cellulose zakdoek.

Je zal producten voor verschillende doeleinden gaan gebruiken. Je zal je bij alles afvragen of je een product écht nodig hebt en wat je er nog meer mee kunt. En wat je er mee kan als je het ondersteboven of achterstevoren gebruikt. Kortom: je zal jezelf dwingen om echt na te gaan of het product je leven verrijkt, of het iets wezenlijks gaat bijdragen aan je leven. Dat doet Grund allemaal in een toegankelijke tekst.

Activistisch
De winnende tekst heeft niet zo zeer een wetenschappelijk ambitie, eerder een activistische en creatieve. De tekst toont een specifieke vorm van ontwerpend onderzoek.

In het onderwijs zijn de meningen over verschillende vormen van ontwerpend onderzoek zeer verdeeld.  Er wordt dan ook stevig gediscussieerd over de vraag wat onder ontwerpend onderzoek verstaan moet worden. Het is een zoekend discours. In vergelijking tot klassiek wetenschappelijke vakgebieden zijn er in design relatief weinig professoren en is er relatief weinig ontwerponderzoek. Slechts af en toe promoveert er een ontwerper.

De prangende vragen die ter tafel liggen zijn niet eenvoudig op te lossen. Is ontwerpend onderzoek een louter beschrijvende bezigheid, zoals designkritiek? Kan een ontwerp (een object, een product) het bewijs vormen in een onderzoek? Wat is het verschil tussen onderzoekend ontwerpen en ontwerpend onderzoeken? Moet ontwerponderzoek systematisch zijn, en zo ja: wat betekent dat voor het ontwerpen? Moet een ontwerpproces in een wetenschappelijke context herhaalbaar zijn? Betekent dat dat je ontwerpkwaliteit  kan afdwingen langs van te voren beschreven procedures? Het ligt voor de hand in een context als deze een oproep te doen voor meer wetenschappelijk ontwerponderzoek, maar ik zal dat niet doen.

De schrijvende ontwerper en de wetenschap
De schrijvende ontwerper, die door deze prijs gestimuleerd zou moeten worden, is niet per sé gebaat bij een wetenschappelijke context. De wortels van die opvatting gaan terug naar een wezensvraag over het ontwerpen zelf. Kan de ontwerpende discipline zich goed tot wetenschap verhouden? Is ontwerpen wetenschappelijk?

Mijn antwoord telt vier letters: Neen. Ik denk daarom dat we niet tegen elke prijs op zoek moeten gaan naar een wetenschappelijke erkenning of fundering van het vakgebied. Ik zie de beste ontwerpers in Europa van de academies komen, niet van de universiteiten. Ik zie op de technische en artistieke hogescholen een sneller reactievermogen op ontwikkelingen in het vakgebied dan op de universiteiten.

Zo is er op de recente verbreding van het vak in de richting van social-design, open-design, service-design en design-thinking vanuit de hogeschool adequaat en actief gereageerd. Managementscholen bieden design-thinking cursussen aan, diverse kunstacademies onderwijzen open design en social design. Het discours erover is aangevuurd door de scholen, niet door de universiteiten. Maar dat zijn allemaal nog géén argumenten tegen wetenschappelijkheid van het vak.

Op gespannen voet
De meeste ontwerpopleidingen aan universiteiten staan op gespannen voet met de wetenschappelijke aanspraak. Zelfs in de vakrichtingen van architectuur is deze discussie met regelmaat aan de orde.

In de kern van ontwerpen huist creativiteit, daar is iedereen het wel over eens. En juist die kern laat zich niet wetenschappelijk grijpen. Creativiteit is maar moeizaam bewijsbaar en vooral moeilijk herhaalbaar en afroepbaar te maken.

Creativiteit beschrijven lukt nog wel (neurobiologische eigenschap van een levend systeem aangaande de flexibiliteit van het hersens). Maar creativiteit veroorzaken, creatieve processen herhaalbaar maken, creativiteit sturen of vervangen gaat niet.

In elk geslaagd ontwerpproces huist een welhaast onlogisch en onvoorspelbaar onderdeel. Je kan in ontwerpen grote delen van het proces uitschrijven en formaliseren, maar een belangrijke vonk is ten principale onwetenschappelijk.

Ik weet dat ik mezelf niet populair maak met mijn opvatting, maar ik ben ervan overtuigd dat in de kern ontwerpen een onwetenschappelijk vak is. Het beroep deelt zijn wezen met artistieke disciplines, zoals beeldhouwen en schilderen en daarnaast met management, sociale vaardigheden, procesdisciplines en planning. Enkele flanken zijn dus wetenschappelijk te verankeren, maar de andere niet.

Hollandse export 
Terug naar de start. Wie aan Nederlandse exportproducten denkt, denkt aan kaas, marihuana en tulpen. Behalve die lekkernijen leveren we stervoetballers, designers en designcritici. Die designcritici zijn vereerd en gelukkig om betrokken te zijn in dit project, dat hen helpt na te denken over kwesties in het vakgebied.

Ik heb grote waardering voor de kalmte en de zorgvuldigheid van het Duitse debat, ook in de design. Ik ben blij daar deel van uit te mogen maken. Net als bij de voetballers worden designcritici beter als ze in een andere cultuur hun beroep uitoefenen. Omdat de nieuwe context iets anders van ze vraagt, en ze zich opnieuw moeten aanpassen en bewijzen. Daarom: Lang leve de Duitse designcultuur, lange leve de BF -Preis, Lang leve Moritz Grund en lang leve de Duitse debatcultuur.

Holland Upside-Down

This is a simple map of the Netherlands, isolated on a Din-A format. The outline of the Netherlands, also called Holland. is slightly smaller than the well-known A4 or Din-A normal format. This image shows the A surplus. If you wanted to fit Holland onto the smallest piece of paper possible, you would first need to rotate it 11 degrees counter clockwise. Then it would be in its most efficient balance. As you can see in the picture below, the harbor of Delfzijl would kiss the north, while Limburg and Zealand would fit well in the south.
In the sixties there were gasoline companies that printed maps like this, because it used less.
Actually, I like Holland better when it is in its most efficient shape. Tilted 11 degrees, it looks more elegant, its head up high.
If the sea level were 20 meters lower, our country would look like this:

We would see a land increase of 51%, mostly near the densest region, the Randstad in the West. Because the coastline would look radically different, the country would appear to be wearing a hat—a silly, artistic French beret.
If we were to copy and paste a mirror image of the entire Netherlands right next to the original, making a kind of geographical Rorschach inkblot, it would look like this:
Holland would now be a bodybuilder who worked on his chest too much and his legs too little. I think if we held a vote on this proposal, it would have a good chance of succeeding. The Netherlands might be less populated, but the remaining parts would be prettier and friendlier. There would be more provincial suburbanization and fewer drug problems, and less poverty and violence.
 If one were to project a view of the Netherlands from one of the poles, it would look like the above picture. We are all familiar wit polar projections from the United Nations logo. They are always used to show the world in a non-hierarchical way.
This story has no conclusion; it is but a program of suggestions.