All Posts in Category: Essays on design

Moneyshot

Tijdschriften, boeken en beurzen zijn al lang niet meer de dominante media om in gezien te worden. Het internet heeft die rol volledig over genomen. Iedereen kan er zichtbaarheid genereren, en doet dat ook. Hoeveel nieuwsbrieven van collega’s krijgt u?

Op het internet wordt zichtbaarheid teruggebracht in twee dimensies. We maken ontwerpen op hun visuele, tweedimensionale zichtbaarheid. De zichtbaarheidskwaliteit loopt in ons hoofd mee. Een project moet goed uit te leggen zijn aan een breed publiek, niet alleen aan de opdrachtgever. Concepten moeten tot begrijpelijke schema’s of striptekeningen gereduceerd, zoals de visuele 1 + 1 = 2 analogieën. Het schetsontwerp moet sexy ogen en de foto’s van het opgeleverde werk moeten er hoopvol uitzien.

Wie seniorenwoningen maakt die uitblinken in effectieve plattegronden, goede bereikbaarheid, toepassing van aardwarmte, of brede participatie in het ontwerp heeft het moeilijk. Die waarden zijn niet in beeld te vatten. Maar wie seniorenwoningen maakt in een ongebruikelijk materiaal, een ongebruikelijk constructie of met een bijzondere zichtas, is vel beter af: het is vast te leggen in een moneyshot.

Moneyshot staat nog niet in de woordenboeken als architectuurterm, maar dat is een kwestie van tijd. Het wordt al door iedereen gebruikt. De term komt uit de filmindustrie en staat voor dat ene shot dat buitengewoon veel moeite of geld kost, maar waarvan verwacht wordt dat het volgend werk en aandacht op gaat leveren.

Voor het moneyshot stuurt een architect of stedenbouwkundige zijn eigen fotograaf op pad. Zijn beelden worden digitaal de wereld in geschoten. De pers heeft niet meer de budgeten om projecten zelf te fotograferen. Beeldmateriaal bij publicaties wordt aangeleverd door de ontwerpers en initiators. Het beeld regisseren is daarmee onderdeel geworden van het werk van de ontwerper. Net zoals de (pers)teksten trouwens. De regie van het ontwerp gaat  dus tot en met haar beeldvorming.
Architectuurfotografen werken niet bij somber weer waardoor het nooit regent in onze vaktijdschriften. Bovendien klikken de camera’s vlak na oplevering maar voor de verhuizing dus zien we nooit gebruikssporen, vochtplekken, verzakkingen, dode beplanting en volgroeide bomen. We zien geen Ikea vasen, lelijke, ongestreken dekbedovertrekken en kapotte ruiten. Het moneyshot toont sowieso zelden gebruikers. Zelfs in woonhuizen zien we geen bewoners. Op kinderkamers is het spik en span, en als er al een kind te zien is, dan is het een gestylede, welhaast levenloze variant. Op artist impressions en collages zijn altijd vrolijke skaters te zien, knappe jonge vrouwen en een enkele bejaarde, liefst met een stok. Ze staan nooit in groepen bij elkaar maar in kleine plukjes en relatief veel alleen.

Het is verleidelijk om over deze ontwikkeling gewetensvol te zijn: ‘laat u niet om de tuin leiden door de plaatjesmakers van deze wereld’. Blijf ruimtelijke kwaliteit ruimtelijk beoordelen. Ja, er treedt een vervlakking op is onze waardering van kwaliteit: schermkwaliteit verdringt echte kwaliteit.
Maar er zitten meer kanten aan de zaak. Het moneyshot dwingt tot beeldend samenvatten, de essentie van een project in een beeld te vatten. Door de overload van beelden reduceren we een gebouw in onze hersenen tot één beeld. Vak beoefenaars moeten zich aanpassen aan een veranderende tijd en reductie van beeld hoort daar bij.

En was het vroeger niet net zo? Hoeveel beelden staan op mijn netvlies van Oscar Niemeijer’s Brazilia? Eigenlijk ook alleen zijn Moneyshots avant la lettre. Dat zelfde geld voor de Kathedraal van Rochamps en het Rietveld huis. Beeldcultuur reduceert al veel langer dan het internet bestaat. De representatie van ons vak is al veel lang ook tweedimensionaal.

Bovendien bieden de gedemocratiseerde nieuwe media gelijkwaardige kansen aan iedereen om zijn project te tonen. Ik zie regelmatg fantastische projecten van volgslagen onbekende ontwerpers. Zoals onlangs een demonstatie hoe je gloeilampen in sloppenwijk-woningen  vervangen kunnen worden door een gebruikte colafles in het dak te monteren. Zonder social media zou het project niet bekent zijn geworden.

Het zelfde geld voor de Stop motion graffiti projecten, waarbij straatschilderwwerk dag voor dag gefilmd wordt. Het bestaat dankzij de nieuwe media. Er het leidt tot inspirerende collectieven zoals blublu.org.  Het leidt ook tot nieuw engagement dat aangezwengeld wordt door social media.
Moneyshots zijn de bakkbiljetten in de economie van de aandacht. Voor een deel zijn ze te koop, voor een deel ook niet. Dat maakt ze interessant.

Deze column is gepubliceerd in het tijdschrift Stedenbouw & Ruimtelijke Ordening (tijdschrift van het Nirov): klik hier

Design is een Reuzenkwal

Ik ben een designer, daar heb ik voor geleerd. Ik ben bachelor in de industriële vormgeving voor openbare ruimten. Designer of Public Space, in nieuw Nederlands. Jarenlang heb ik mijn keuze voor design betreurd. Het ontwerpdebat onder architecten is rijker, de traditie van ontwerpen is groter en de maatschappelijke impact van een gebouw en zeker een hele wijk is groter. “Ik had architectuur  moeten studeren, zal ik het alsnog doen”, mijmerde ik dan. 

Design studeren
Maar ja, ik verliet een HTS Bouwkunde opleiding om design te studeren. Ik vond de Jellema Bouwkunde-boeken vol met foto’s van bouwvakkers die staal vlochten en kruiwagentjes beton storten te archaïsch. Ik had het gevoel terug in de tijd te gaan in plaats van vooruit.

Wij leerden op de HTS doorsneden van houten kozijndetails uit het hoofd, terwijl de deuren in de laatste Audi 100 kozijnloos  en zeker niet van hout waren. Ik moest uitgestorven metselverbanden optekenen terwijl Peter Struycken in een intelligente pixeltechniek  -uiteindelijk ook een metselverband- een portret van de koningin maakte. Ik klaagde erover tegen mijn bouwkundedocent, die begrip had voor mijn switch naar industrieel ontwerpen.

Vooruitgang
Design blijkt erg goed in staat met de tijd mee te veranderen. Design lijkt vooruitgang, verandering en innovativiteit in de genen te hebben. Het vak is op dit moment bij het grote publiek bekender en populairder dan ooit tevoren (wat dat ook waard mag zijn).

Het publiek heeft nog vertrouwen in designers. Dat vertrouwen is vergelijkbaar met dat het vertrouwen dat men vroeger in architecten had. Een architect kon iets oplossen, zoals geen ander dat kon. Hij kon ook vooruitzien en was toonaangevend in smaakkwesties. 

Door die populariteit groeit design en slokt het andere vakgebieden op. Social design, Designthinking, food-design, interaction design, design management, sustainable design, designstrategie en out of the box denken, het zijn stuk voor stuk nieuwe loten aan de stam, waar recentelijk dikke boeken over gepubliceerd zijn. En het merkwaardige is, dat die boeken meestal uitverkocht raken. Design gaat allianties aan met innovatieve technieken en methoden, nieuwe werkwerkwijzen en nieuwe inzichten. Design groeit ongecontroleerd in allerlei richtingen, als ware het een reuzenkwal. 

Krimp
Die ongecontroleerde groei staat in schril contrast tot de situatie in de architectuur en de stedenbouw. Die disciplines lijken alleen maar te krimpen. Waar architecten en stedenbouwkundigen de grootste moeite hebben om hun expertise aan de veranderende maatschappelijke omstandigheden aan te passen, lijken designers er juist in voorop te gaan. 

Designers worden in steeds meer processen en ontwikkelingen betrokken, terwijl architecten en stedenbouwkundigen daarin steeds minder betrokken worden. Dat is des te vreemder, omdat ik denk dat de kern van de beide expertises niet veel verschilt. Ja, de materialen en de fabricagemethoden verschillen, maar het denken -de kernactiviteit van de designer- is eender. Ook denk ik dat designers momenteel bij te veel betrokken worden en architecten bij te weinig, maar dat terzijde. 
Buigzamer
Design blijkt een vak dat door zijn geringe expertiseballast en gebrek aan tradities veel buigzamer is dan de architectuur en de stedenbouw. Aan de gebrekkige expertise en het gebrek aan tradities stoor ik me al zolang ik in design zit. Maar de buigzaamheid van het vak vind ik fantastisch. 

Students don’t want freedom

I can remember vividly how we kicked up a fuss in my student days (Design Academy Eindhoven) when we had to design a stand for a trade fair. The department next door to ours protested when they had to design a plastic garden chair. We thought it was corny, an unimaginative assignment without any research element. We (the stand builders) were deeply sorry for the plastic garden furniture builders.
Obviously they were worse off. I am convinced that these assignments could easily be given at design or architectural schools today, and the students would be happy to start. What in actual fact has changed is that students no longer want freedom, they no longer need to escape reality, but rather they want to dive into it completely. They may take drugs on a Saturday night to escape reality but they really want to conform to it on the Monday morning. 

Narrative research: don’t sleep at home.

An example of an educational trend that in fact started within the professional field is narrative research. Designer’s and architects started telling stories more often – stories in their work and in their design process. In order to learn that approach and get a feeling for a design story, a teacher of the Design Academy forbid his Master students to sleep at home for one night, without them expecting this. Another one made them live in half their available space for a week and yet another banned them from making phone calls and e-mailing. What will that do to you and will it inspire any designs? The outcome of these empiric studies form the type of work that was often to be seen: heavily autobiographical, narrative and contextual.
The current crisis has dried up the demand for this kind of work and it will not be long before those assignments will disappear from the curriculum.
Education is no longer leading but following

Through accreditation protocols the next stage is pretty much determined. The professional practice needs to be reflected in education. Thereby following the professionals has become the standerd and all educational trends follow the trends in the profession concerned. Students are often tricked into believing that they are at the forefront of thinking, yet the agenda is in reality set by the profession or society itself. 


Images: Above Philip Starck under: Nathan Wierink

De publieke ruimte van de nieuwe media

De publieke ruimte verandert in een rap tempo onder invloed van nieuwe media. Was vroeger een hardop pratende alleenstaande in het openbaar een teken van psychose, tegenwoordig kijken we er niet meer van op of om.

Waarschijnlijk is de persoon in kwestie via zijn mobiel met zijn vrouw aan het bellen. Hij kan ook verbaal zijn digitale assistent aan commanderen zijn. Ook stilstaande mensen zijn weer terug in de publieke ruimte, niet de versleten theatrale act -of wezenloos van te veel drugs- maar om zich te beter te kunnen concentreren of om sms te verzenden.

Het met duimen typen op een 10 letterig toetsenbord is een vaardigheid die vaak publiekelijk gedemonstreerd wordt; een gemiddelde puber haalt meer toetsaanslagen dan een doorgewinterde secretaresse. De openbare ruimte wordt herontdekt als werk-, speel- en demonstratieruimte, nadat zij lang alleen doorgangsplek was.
Nieuwe media en openbaarheid
Niet alleen in de fysieke openbare ruimte zijn betekenissen, functies en gebruiken aan het verschuiven door oprukkende technologie. In nieuwe media blijkt publieke ruimte verscholen te zitten. Internet en e-mail bezitten een openbaar potentieel dat publieke ruimte genoemd kan worden.

Het is mogelijk om met relatief eenvoudige middelen te ontvangen, uit te zenden en interactie aan te gaan. Het is mogelijk te ontmoeten, een positie in te nemen en van gedachten te wisselen. Het is mogelijk te flirten met een meisje waarvan je hoopt dat ze zo mooi is als dat ze zegt. Het is mogelijk te discussieren over protestpartijen, een vraag te stellen over het belang van Schopenhauer of een koppak-kering en last but not least is het’mogelijk een mud aardappelen en een encyclopedie te kopen of te verkopen.

Stuk voor stuk handelingen die in de publieke ruimte plaats hebben en plaats hadden, de vergelijking dringt zich op. De nieuwe vorm van openbaarheid en openbare ruimte is op een andere manier toegankelijk, ze heeft als het ware haar eigen publiek, dat niet zelden jonger is dan het publiek van bestaande openbaarheid.

Maar deze nieuwe openbaarheid verschilt verder verdacht weinig van de klassieke openbaarheid zoals we die kennen. Daarmee klopt deze openbaarheid, die veroorzaakt is door het aaneenschakelen van computers op initiatief van de NASA, aan de deur van de gereguleerde en gecertificeerde openbaarheid.


Nieuwe media en subculturen
Ontwikkelingen in de virtuele openbaarheid zijn het best waarneembaar in subculturen. Leden van subculturen kunnen dankzij nieuwe media elkaar ontmoeten en in hun eigen taal met elkaar van gedachten wisselen, en dat doen ze dan ook gretig. Op een populaire chatsite als wwwtmf.nl zijn op een zaterdagochtend 10 Turkse en 4 Marokkaanse kanalen actief, en ook soapliefhebbers hebben hun eigen plek gemaakt in de virtuele openbare ruimte.

Openbaar en toegankelijk voor ieder die dat wil Openbare ruimte dus. Islamitische jongeren bespreken anoniem dingen die ze noniem niet bespreken, autofolder-verzamelaars wisselen via digitale veilinghuizen op wereldschaal materiaal uit waar ze dat vroeger op beurzen in het land deden. De fysieke publieke ruimte wordt uitgebreid, aangevuld, vervangen en versmolten met allerhande virtueel/fysieke partnerships. En het lijkt erop dat daarbij de moraal, de wetten en de gebruiken gewoon meegenomen worden.

Combineren
Wat zouden deze twee fenomenen, publieke ruimte en nieuwe media, nog meer voor elkaar kunnen betekenen? Kan de publiek ruimte nog op meer manieren dan de al bestaande verrijkt worden met deze nieuwe mogelijkheden?

In het afgelopen jaar hebben wij twee onderzoeksprojecten over dit thema opgezet; Gratis Tanken en de Chatbench. Het verschil tussen de twee projecten is dat Gratis tanken de openbaarheid zoekt die in nieuwe media verscholen is, terwijl Chatbench de fysieke, bestaande open- bare ruimte wil verrijken met mogelijkheden die nieuwe media te bieden hebben.

 De drijfveer van beide projecten is echter eender: Hoe kan de publieke laag van technologie ge‹ntegreerd, vermengd of opgelost worden in het fysieke publieke domein? Kan de publieke ruimte op een ander niveau worden gebracht met behulp van technologie? Kunnen er vanuit technologie hybrides bedacht worden, die de mogelijkheden van het fysieke publieke domein en het virtuele publieke domein combineren? Kortom, wat heeft de straat te bieden aan dit technologische proces en wat heeft techniek de straat te bieden? Welke rol kunnen ontwerpers spelen in dit proces, dat vooralsnog zonder ontworpen dimensie zich over ons voltrekt ?

Gratis tanken
Gratis tanken onderzoekt de vernieuwing van de publieke ruimte via het publieke debat met jonge deelnemers (onder de veertig) over hedendaagse onderwerpen. Wij gebruiken voor het openbaar maken van deze debatteneen specifieke infrastructuur (internet, e-mail en theater), waarbij niet alleen de inhoudelijke maar nadrukkelijk ook de distributieve kant van het publieke debat wordt onderzocht. De ontwikkelde knowhow over de publieke betekenis van nieuwe media beschouwen wij ook als publiek bezit. Iedereen kan gratis tanken. (www.gratistanken.nl)

Chatbench
Een bank in de openbare ruimte was ooit een ontmoetingsplek. maar door de verharding in het publieke leven is deze taak bijna verloren gegaan. Mensen zijn in de openbare ruimte bang om aangesproken te worden en die angst is niet ongegrond.

De publieke ruimte is hoe langer hoe minder een plek om ontmoetingen aan te gaan. Om de oude opgave van de publieke ruimte te reanimeren hebben wij in samenwerking met JungeriusLab een serie banken ontworpen waar gebruikers op een andere manier met elkaar contact kunnen leggen. De banken staan in een open verbinding met elkaar via een stelsel van portofoons. Via de Chatbench is het mogelijk om te praten of te kletsen met andere gebruikers van de bank. Een concept als dat van de chatbench maakt het mogelijk verbindingen tussen vreemden tot stand te brengen.

Die vreemden kunnen zeer nabij zijn (we werken nu aan een aantal banken in de Gemeente Amersfoort) maar de geschakelde banken zouden ook veel verder van elkaar vandaan kunnen staan, met de inhoudelijke gevolgen van dien. Als verschillende gekoppelde banken in Marrakech, Spangen en Lombok geplaatst zouden worden zou de inhoud en de betekenis anders zijn als dat de banken in Wassenaar. de Schilderswijk en het Lange Voorhout gekoppeld zouden worden.

Wij hopen dat je op de bank getuige kan worden van een gesprek tussen twee mensen of de intieme openbaringen van kletsende pubers zou kunnen opvangen. Het is te hopen dat een eenvoudig instrument als Chatbench kan bijdragen aan de revitalisering van het publieke in de publieke ruimte.

De gebruikers is overleden

Toen ik nog voor ontwerper studeerde kregen wij van wijlen heer Kraayenhoff ‘echte’ ontwerplessen. Kraayenhoff was namelijk een echte ‘industrial designer’ die zijn finest hour in de jaren zeventig had beleefd toe hij de bagagebanden voor Schiphol ontwikkelde.

Ik werd indertijd de kles gelezen over mijn ontwerp van een Mephis-achtige mixer. Er zou vuil op kunnen komen waar de afwasborstel niet bij kon. De gebruiker zou me dat niet in dank afnemen. Ik eindigde met een schamele 6 voor het vak ontwerpen. Kraayenhoff kende de gebruiker als geen ander. Hij wist wat een gebruiker wilde, wat voor en kleuren hij mooi vindt, welke materialen een gebruiker niet wil, hoe en hoe lang een gebruiker mixt, wat een gebruiker daarna met zijn gardes doe. Deze man gijzelde de gebruiker. Mijn studietijd was vergeven van gebruikerswijsheid.

De gebruiker wordt in Nederland niet meer gedoceerd. Terecht, want op de uitkomsten en inzichten zit niemand te wachten. Kraayenhoff’s gebruiker is inmiddels ook verdwenen. Gebruikers zijn niet meer eenduidig.

Omdat wij in het westen rijk en ontwikkeld zijn, en het mixen met elk apparaat lukt wil de gebruiker nu dat een mixer er goed uitziet. Mogelijk dat er een leuk concept aan de mixer ten grondslag licht. Zoveel mixers, zoveel gebruikers. Een kniesoor die let op de afwasbaarheid. Het gebruikers-gijzelingsdrama is vreedzaam opgelost.

Gebruiker is veeltallig geworden
Ook in de bladen van de gebruiker (elle wonen, viva, flair, avenue) predikt niemand meer dat je moet gedragen als de gebruiker. Je bent een identiteit en producten die je aanschaft of restaurants waar je je vertoond bevestigen die identiteit. Denk dus niet dat de gebruiker niets meer vind; integendeel. De gebruiker is veeltallig geworden, mondig. De gebruiker praat terug tegenwoordig.

In het ontwerpen is er tegenwoordig een aparte divisie voor gebruikers: user centred design. Dat zou contradictio in terminus moeten zijn: Design was toch al user centred?

Het blijkt dan ook dat bij clubs als user centred design en het in het verlengde liggende design for all vaak weer gaat over alle gebruikers. Lees: ook minder validen, senioren, zeer kleine en grote mensen. De gebruiker is dus eigenlijk niet verdwenen maar invalide en extreem groot geworden.

Ik zei het al het gijzelingsdrama van de gebruik is ten einde. Soms zit hij in een rolstoel, dan weer wil hij het goedkoop, dan weer wil dat een mobiele telefoon zo klein mogelijk is, maar opeens moet ie natuurlijk zo groot mogelijk. Anders is het sneu voor senioren die de knopen of sms niet kunnen lezen.

Van een zo verdeelde gebruiker zou ik me als ontwerper ook niets aantrekken. Ontwerpers hebben groot gelijk dat ze de gebruiker met een korrel zout nemen.

Hypocriete ontwerpers
Ondanks dat de gebruiker nagenoeg geen rol meer speelt in het hedendaags ontwerp veinzen veel hypocriete ontwerpers dat dat wel het geval is. Niemand durft openlijk de gebruiker dood te verklaren.

Dat is laf, Peter Eisenman had er het lef wel voor. In zijn studies House 1-10, waarvan er 1 gerealiseerd werd, maakte hij kamers die ontoegankelijk zijn voor mensen. Ruimtes die te laag en niet horizontaal zijn. Een regelrechte aanklacht tegen het modernisme en tegen de gebruiker.

Dan zie je dat ontwerpers als Matali Crasset toch nog altijd minder lef hebben. In een recent Items artikel verteld zij voluit hoe de gebruiker bij haar centraal staat. Ook op veel designers-websites is te lezen hoe bezorgd, lief en betrokken ze zijn met gebruikers. Onzin natuurlijk. Designers, ga niet lief zitten wezen.

De consumentenbond, zeg maar de vakbond van gebruikers, weet het ook niet meer precies. De criteria voor de populaire consumententests zijn steeds moeilijker te formuleren.

Waarop test je een MP3 speler? Op de duidelijke gebruiksaanwijzing, lekker grote knoppen, of juist hele kleine? Het goede van de bond is dat ze de vertwijfeling met de achterban deelt. Zo loopt er nu een pilot met vormgevingsrecensies van producten door ontwerpers.

15 kinderkarren op een rij worden van vormgevingscommentaar voorzien door verschillende ontwerpers. Het toont op een  integere manier dat de gebruiker niet meer door 1 man te representeren is.

Afnemende rol van ontwerpers

Vorige week had ik sinds lange tijd weer eens twee echte ontwerpers te eten. Over één ding werden we het snel roerend eens: het mandaat van ontwerpers loopt in rap tempo terug. Het etentje kreeg daardoor iets van een condoleance. Wat is er aan de hand? Sinds de jaren negentig voorbij zijn zeggen opdrachtgevers weer onomwonden wat ze willen. Daarnaast bakenen ze opdrachten weer preciezer af en bewaken ze de grenzen van de opgave beter.
Het  ontwerp-koppel had daar flink de smoor over in: wat stelt het ontwerpvak nog voor als je niet daadwerkelijk in de redactie van het boek zit? als je niet samen met de opdrachtgever een pakket van eisen opstelt? Als je het niet over de communicatiestrategie mag hebben maar gewoon moet ontwerpen? Daar is toch niks aan.

Kleinere rol 
Mijns inziens is het tijd geworden voor een kleinere rol van de ontwerper. Die rol is namelijk in het afgelopen decennium uit zijn krachten gegroeid. Ontwerpers hebben niet alleen ideeën over een product-, een grafisch- of een interieurontwerper, maar ook over de distributie, de marketing, de prijsstelling, de communicatiestrategie en de ingrediënten. Bij het ontwerp van een café wil een ontwerper niet alleen de menukaart opmaken, maar ook het aanbod vaststellen. En bij een verpakking wil hij of zij ook de fotografie, of in ieder geval de art direction zelf doen.

Stoel van de principaal 
Ontwerpers zijn langzaam maar zeker op de stoel van de principaal gaan zitten. Op het hoogtepunt van die ontwikkeling vertelde een ontwerpbureau (bijvoorbeeld Vandejong) een museum (in dit geval FOAM) waar en hoe men moest adverteren (billboards buiten en een magazine), wat men in de zalen moest doen (werkplaats-achtig), hoe men moest heten (FOAM), wat men aan nevenactiviteiten moest organiseren (Club FOAM). Tien jaar later denk je: waar was die museumdirecteur dan nog mee bezig?

Interieur-architect, ga weer een mooie inrichting maken. Grafisch ontwerper, maak weer eens een mooi boek. Meubelontwerper: maak een meubel. Als ik dat in het openbaar zeg, is er altijd iemand in de buurt die pareert dat “mooi” er niet meer toe doet. En dat het niet te defini?ren is, en dat over smaak niet te twisten valt. Dat het niet langer om mooi gaat maar om een intelligent idee, mogelijk een interessant concept.

Zelfreflectie en zelfbeperking zijn belangrijke deugden. De kernactiviteit van een vormgever is vorm geven. Afgeleiden ervan zijn maat geven, materiaal geven en kleur geven. Ontwerpers moeten op de hoogte zijn van productieprocessen, materiaaleigenschappen, leveranciers, prijzen en kleuren.

Zij moeten contact hebben met de actualiteit, weten wat er speelt. En zij moeten een visie hebben op het ontwerpvak. Bij elkaar is dat een hele hoop. Vroeger heette dat: schoenmaker, blijf bij je leest, en heette iemand, die daartoe opriep, een zeur. Deze zeur gaat nog ??n keer uitleggen wat mooi is en wat vorm geven is.

Volgens Plato is mooi een onderdeel van het goede, van het hogere, en staat mooi in verbinding met het Goddelijke. Het goede bestaat al voordat de ontwerper aan de gang gaat, zijn taak is de opdracht eraan te verbinden.

Ontwikkelen van een beeld
Daar is visuele intelligentie voor nodig. Een goede ontwerper is deskundig in het moeilijkste van een tot stand komingsproces: vorm geven, het vertalen naar een beeld of het ontwikkelen van een beeld vanuit de opdrachtstelling.

De opdrachtgevers zaten er zelf bij toen het mandaat van de ontwerper explosief groeide. Mateloos was hun vertrouwen in De Ontwerper, die midden jaren negentig een haast Goddelijke status kreeg. Toen opdrachtgevers niet langer aangaven wat zij precies wilden, zijn ontwerpers – ondernemend en ongeremd – opgerukt. Maar goede projecten komen alleen tot stand als ook de opdrachtgever zijn werk goed doet. Hij moet visie hebben op de opgave, vertrouwen schenken aan de ontwerper en hij moet geld hebben. Geen geringe taken.

Hierbij wil ik dus graag eenieder condoleren met het verscheiden van de ontwerper als megalomane superman. Maar houd moed: deze begrafenis markeert een nieuw begin.

De mythe van de topontwerper.

Op mijn stofzuiger staat een handtekening. Het is de handtekening van de ontwerper. Eerst dacht ik dat het een stickertje was en heb ik eraan gepulkt. Maar het is kundig gezeefdrukt, de handtekening zit als een tatoeage op mijn stofzuiger, ik zal met een afbreekmes moeten gaan schrapen als ik het er vanaf wil halen. Wie niets van design weet zou denken dat er Tames Nyson staat, maar wij weten natuurlijk dat er James Dyson staat.

Je moet er niet aan denken dat er een Tibetaanse monnik bij je op bezoek komt en vraag wat die gezeefdrukte krabbel op die stofzuiger doet. Dan moet je uitleggen dat de man die het verzonnen heeft, z’n naam erop zet. Heeft hij dan stofzuigen uitgevonden? Nee, dat bestond al, sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw halen we stof van de vloer met gemotoriseerde zuigkracht. Heeft hij dan het apparaat geboetseerd, is hij de kunstenaar? Nee, hij heeft opgetekend hoe de vorm moest gaan worden en later hebben weer anderen gezorgd dat er tienduizenden van gemaakt, gedistribueerd, ingepakt en verkocht konden worden. Heeft hij al het geld opgebracht om het bedrijf te gaan runnen? Nee, dat doen de banken of de aandeelhouders. Waarom dan zijn handtekening en niet die van een ander, of van iedereen die betrokken was bij de machine?

Wij houden in het westen van het idee dat sommige mensen briljant zijn, wij willen niet graag weten dat je voor het slagen van een stofzuiger een team nodig hebt, met veel verschillende mensen die allemaal precies iets anders kunnen. Wij willen graag geloven dat sommige mensen uitzonderlijk goed zijn. Wij weten dat sommige mensen uitzonderlijk goed kunnen biljarten (Ceulemans), zwemmen (de Bruin), hardlopen (denzimo), piano spelen (wibi) of fietsen (van Moorsel) en willen dat dat ook geld voor creatieve teamwork processen, zoals ontwerpen of een regisseren.
Wij hopen dat extreem goed ontwerpen bestaat, maar we weten dat dat natuurlijk onzin is. Wij willen niet de consequentie nemen van het feit dat ontwerpen al lang geleden teamwerk is geworden. wij houden vast aan de mythe van de ontwerper als ziener en solist. Logisch dat zo iemand z’n handtekening op het massaproduct mag zetten, schilderijen signeer je ook. Tegen die tijd zal de monnik het wel begrijpen.

wie is nou de aanstichter van die mythe? wie heeft er profijt van?
Ten eerste de media: een team kan je niet interviewen, een team fotografeert vervelend en “spreekt niet tot de verbeelding” een team kan geen lezingen geven en een team kan geen mening hebben over de telefoon of in een debat. Daarvoor heb je een trainer en een aanvoerder nodig.

Een stofzuiger ontwikkelen is een groepsproces, alle teamleden in de Dyson-keten hebben goed hun werk gedaan want het apparaat zuigt niet alleen goed, het is slim verpakt, niet extreem duur en goed verkrijgbaar (ik heb er maar 2 kilometer voor hoeven rijden). Bovendien is de gebruiksaanwijzing goed, is de website goed. Alleen de kleurstelling is heel slecht, afschuwelijk paars met grijs. De handelaar vertelde me dat op de thuismarkt Engeland er een veel groter kleurengamma verkrijgbaar is maar ze exporteren uitsluitend de lelijke kleurstellingen.

Productontwikkeling en -ontwerpen is een discipline is die een veelvoud van talenten combineert. “top ontwerpers” zijn daarom dan ook niet uitzonderlijk goed in ontwerpen. ze hebben de ideale balans tussen verschillende eigenschappen die ze als ontwerper nodig hebben. Top ontwerpers zijn goed in media, goed in zakelijk leiderschap, goed in intuïtie, goed in netwerken, hebben goede sociale vermogens, hebben voldoende realiteitsbesef en hebben voldoende creativiteit. Ze kunnen iets verkopen, weten zicht te gedragen en te kleden, en kunnen de mythe van hun genialiteit, en de mythe van top-ontwerpersschap goed ophouden.

Een top ontwerper is per definitie een matige ontwerper, want hij moet heel veel meer dingen goed kunnen. Top-ontwerper is dus contradictio in terminus. Als je heel goed kan ontwerpen is de kans klein dat je naam ooit op een stofzuiger gaan prijken. daarvoor is veel meer nodig.

Zelfmaak

Wie aan zelf maken denkt, denkt aan vroeger. We haakten een tafelkleed en punnikten een beddensprei. Luidsprekers bouwden we zelf op. We soldeerden en programmeerden de eerste computers met behulp van schema’s uit tijdschriften. Later gingen we producten modificeren en aanpassen.

Van motorfietsen werd de voorvork verlengd, zo ontstond de chopper. Het type was niet te koop voordat Easy Rider op het witte doek verscheen. De eerste mountainbikes waren zelfgemaakt, fietsen geschikt voor het off-road crossen.
Om van zelf gemaakte kleding nog maar te zwijgen. Er zijn miljoenen jurken, schorten, sokken, broeken, blouses, mantelpakken en jassen op keukentafels vervaardigd. Ook het interieur moest eraan geloven. We bekleedden en herbekleedden meubilair, plaatsten zelf schrootjes en decoreerden muren in de zeventiger jaren. In de tachtiger jaren schilderden we vooral veel over. Roze en zwarte verf werd uitgestreken over oma’s stoeltjes en de gestolen fiets. Pannen met azijn en verf maakten kleding rood voor sanyassins, zwart voor punks en groen voor natuurliefhebbers.

Vanwaar al die huisvlijt? Zelf maken kwam oorspronkelijk voort uit armoe. Als je op arbeidskosten kon besparen door je eigen arbeid in te zetten deed je dat als vanzelfsprekend. Na de oorlog veranderde dat. In de welvaartsstaat die ontstond, werd zelf maken steeds meer een teken van zelfexpressie, creativiteit en autonomie. In het interieur had het ook nog een sociaal politiek tintje. In de late jaren zestig werd het modernisme gepropageerd als woonvorm voor de toekomst. Architecten bouwden moderne wijken en het was de bedoeling dat de bewoners dito interieurs zouden aanschaffen. Stichting Goed Wonen speelde de rol van priester in de verkondiging van dit evangelie. Maar de boodschap was slecht getimed. Na de democratiseringsgolf ervoeren mensen het als een van bovenaf opgedrongen moraal. Waarom zou ik dat vooruitgangsideaal delen als ik me kan uiten in het interieur? Daardoor gingen eerst gestudeerde hippies motieven tamponeren op het behang, schrootjes zetten, plavuizen verven en visnetten ophangen aan het plafond. Het mocht dan wel niet van Benno Premsela en Goed Wonen maar je was wel vrij en onafhankelijk als je het toch deed.

Het zelf maken verdween lange tijd uit het zicht, maar is nu weer springlevend en vooral hip en actueel. Het heet tegenwoordig hacken, pimpen, tweaken of benden. Het leeft sterk in de wereld van de technologie. Hacken had tot voor kort alleen een digitale betekenis. Men sleutelt gloednieuwe playstations open om ze niet alleen te tweaken (van nieuwe besturingssoftware voorzien) ook voegt men ingangspoorten toe. Zo is de playstation ook te gebruiken als DVD speler of mp3-speler. Maar het hacken gaat verder: in tv programma’s strijden zelfgemaakte vechtmachines, zijn er kampioenschappen voor programmeerbare robots die zaalvoetballen en worden auto’s gepimpt, Ook de cultuur van tunen (het aanpassen van serieauto’s) is nog nooit zo groot geweest. Kijk op straat naar straatracers met zelfgemaakt spoilers. De ontwerpen mogen er niet te industrieel uitzien. Dat het zelf bedacht is, moet te zien zijn. Als de spoiler standaard op je auto zit, stelt het niets voor. Je moet hem er zelf opzetten, of laten zetten. In de professionele design en kunstwereld is de beer ook los. Er wordt weer heel veel geborduurd, gemakrameed, gekleid, gepunnikt, genaaid, geschuimd en getimmerd. Niemand wil iets nog industrieel te laten ogen.

Het is een kwestie van wachten tot het interieur er aan moet geloven. In TV interieurprogramma’s wordt aangeraden de kastdeuren weg te halen:geeft ruimtelijkheid. Ook Jan de Bouvrie is een propagandist van het zelf doen. Je moet je niet laten vertellen hoe je moet wonen. Je moet er zelf in aanwezig zijn. We zien ontwerpers die bestaande meubels in de fik steken en ze vervolgens met epoxy weer bruikbaar maken. We hebben ontwerpers cocoons (niet transparante condooms) zien trekken over afgedankte meubels en nieuwe zilverglazuur zien aanbrengen op afgedankt servies. U hoeft zich punnikend, solderend of programmerend niet meer te schamen: zelf doen is weer hip.

We willen weer Ausputzers

Mijn Ome Jan uit Veghel wordt in april 81. Hij was een talentvolle ausputzer, een meniscus hield hem in 1953 uit het eerste van NEC. Voor hen die het niet weten: een ausputzer is een vrije speler achter de verdedigingslinie die fouten van anderen kan ’weg poetsen’. Oom Jan vind nog steeds dat NEC en Nederland weer met een ausputzer moet gaan spelen.

Vorige maand meldde ik dat interieurarchitectuur de leidende discipline van deze eeuw wordt. Indien u dacht: ’volop werk dus als hij gelijk krijgt’, moet ik u nu teleurstellen. De interieurbranche gaat ongetwijfeld groeien, maar gaan interieurarchitecten al die interieurs ontwerpen? Ik vrees van niet. Interieurarchitectuur is gedemocratiseerd in de media. Eerst waren het de Avenue en de VT-Wonen en later ook nog TV-verbouwingsprogramma’s en winkels als Ikea en Habitat die ons van onze schroom afhielpen. In die media wordt steeds maar weer aangetoond dat eenvoudige bewoners zelf uitstekende ideeën hebben en over voldoende smaak beschikken. Men lijkt vooral te willen zeggen: een professional betrekken is nergens voor nodig. Jan des Bouvrie heeft het publiek, in zijn tomeloze liefde voor het vak, warm gemaakt voor interieurs maar heeft zich niet gerealiseerd dat het publiek zich daarna zou emanciperen. In Nederland kun je nu eenmaal, in tegenstelling tot de USA, elk meubel en elk karpet kopen zonder dat daar een interieur-architect aan te pas komt.
De belangrijkste prijs voor de interieurarchitectuur, de Lensvelt-de Architect Interieurprijs, is in 2003 gewonnen door een in Eindhoven opgeleide productvormgever en het jaar daarvoor door een Amsterdamse autodidact. In beide jury’s zaten nauwelijks interieurarchitecten; het waren designers, architecten, curatoren en critici die de dienst uit maakten. Groter kan de crisis van de beroepsgroep niet worden: gelauwerde, prachtige interieurs zonder dat daar interieurarchitecten aan te pas kwamen. Er waren ook nauwelijks woonhuizen genomineerd, alleen de eigen optrek van architect Kloosterboer, dat ook al zonder binnenhuisarchitect tot stand kwam.
Als tussengebied van twee oprukkende ontwerpdomeinen (design en architectuur) wordt de interieurarchitectuur langzaam maar zeker vermorzeld. Interieurarchitecten zijn te groot voor het servet en te klein voor het tafellaken. Ze kunnen geen goed gebouw maar ook geen goede tafel ontwerpen. En de beroepsvereniging dan? Weet zij een uitweg? BNI heeft welgeteld 420 leden, en ijvert met man en macht om het vak serieus te (blijven) nemen. Moedig en prijzenswaardig maar een enorme klus met zo’n kleine achterban.
Architecten zijn sinds jaar en dag bang dat hun ruimtes verpest worden en doen dus de interieurarchitectuur er gewoon bij. Onlangs werd bijvoorbeeld het Catshuis zonder interieurarchitecten verbouwd. En dat was vast niet de laatste keer dat de discipline in zijn geheel is overgeslagen. Er zijn meer voorbeelden: Vredenburg, het oeuvre van Richard Meier, Rem Koolhaas etc. Aan de andere kant is bij designers de angst voor de architectonische ruimte verdwenen. Philippe Starck, Jurgen Bey, Piet Hein Eek ontwerpen interieurs met (soms hun eigen) designproducten. Bey’s prijswinnende interieur voor Interpolis is een demonstratie van de heersende ontwerpmentaliteit. Hij plaatst producten (een aantal extreem grote stoelen) en schept daarmee ruimte. Het is geen (interieur)architectonische benadering maar hier is een intelligente productontwerper aan het werk.
Echte interieurarchitecten bevinden zich niet onder de jonge generatie. Is het u opgevallen dat er ook geen echte ausputzers meer over de Nederlands voetbalvelden lopen? Als de samenleving verandert, verandert het spel en als het spel verandert, veranderen de taken van de spelers. De teloorgang van ausputzers toont aan dat taken kunnen uitsterven. Er is kennelijk geen plaats meer voor mensen die fouten wegpoetsen.

Joy Division

Een jaar of drie geleden was ik op een conferentie georganiseerd rondom een tentoonstelling. Ik had toen een eigen bureau, op het grensvlak van architectuur en beeldende kunst. De avond voor de conferentie kwamen we samen in een Weens restaurant. Iedereen was casual gekleed. In die contreien was casual geen stijl maar gewoon je ouwe kleren. Mijn Londonse collega Sam Jacob, (van FAT een hip architectencollectief ) droeg een zwart T-shirt op een spijkerbroek. Op het shirt stond een afbeelding van een driedimensionaal golfpatroon van geluid. De tekening stond op de hoes van ‘Unknown Pleasures‘ van Joy Division, een new-wave band uit de vroege jaren tachtig.
Ik herkende het onmiddellijk. De muziek van Joy Division was beslist niet vrolijk, de zanger keek bij optredens nauwelijks het publiek in. Hij pleegde zelfmoord waarna de band als New Order doorging.

Op de conferentie bleek een flinke meerderheid van de exposanten zijn shirt en dus Joy Division te kennen. Is het nou toeval, dat in Wenen op een bijeenkomst met ontwerpers op de grens van architectuur en kunst een collega een shirt draagt van een niche bandje, waar ik ook muziek van draaide?

Nee. Er is een verband tussen onze muziekkeuze van toen en de piepkleine culturele stroming die wij nu vertegenwoordigen.

Mensen ontwikkelen rond hun vijftiende, het schijnt tegenwoordig nog vroeger te zijn, een culturele smaak die bepalend is voor de rest van het leven. Ik werk al 25 jaar met dezelfde kleine schare mensen om mij heen, van één generatie.

Ik leer uiteraard vaak nieuwe mensen kennen; na een tijdje blijkt altijd weer dat ze al tot die kleine schare behoorden. Dat ook zij onder de indruk waren van Shriekback, Gang of Four, New Order, Cabaret Voltaire.

Niet lang geleden ontmoette ik Esther Cleven, bijzonder hoogleraar Moderne typografie. Het klikte tussen ons, en jawel hoor, u raadt het al: Zij was in Duitsland rondom Kraftwerk opgegroeid en haar platenkast van 25 jaar geleden was identiek aan die van mij.

Eigenlijk is het allemaal voor de hand liggend: Talking Heads, Kraftwerk, Shriekback, Cabaret Voltaire waren voormalig studenten aan kunstacademies. Menigeen liet hun hoes destijds ontwikkelen door de toen nog onbekende Neville Brody, die later het gezaghebbende grafisch vormgevingstijdschrift ‘The Face’ oprichtte en nu wereldberoemd is.

Dit systeem is nog altijd hetzelfde. De designers van morgen zijn nu al te identificeren. Waar? Langs de skatebaan en achter de draaitafels met Hiphop. Skaters hebben korte lijnen naar grafisch ontwerp en nieuwe media.

Ze gaan vaak naar kunstacademies. De vloer van de grootste skatebaan in Nederland (Westblaak Rotterdam) werd ontworpen door ‘75b’, zelf fanatiek skaters en snowboarders en verdienstelijk grafisch ontwerpers.

Zou het zo zijn dat Al Jarreau fans nu beurshandelaren zijn? Abba fans nu in het middle management zitten? Thin Lizzy fans nu een motorzaak hebben?

Village People fans nu homo zijn? Joy division fans zijn in ieder geval nu architecten die zich ook met beeldende kunst bezig houden.