All Posts in Category: Essays on design

Het ontwerpproces van Jip & Janneke

Zo veel spraakverwarring er heerst over wat design is, zo eenstemmig is de designwereld over het karakter van het design-proces. In vrijwel álle publicaties over design methodologie zijn soortgelijke beschrijvingen met bijbehorende schema’s te vinden. We kunnen het misschien niet eens worden over wat het vak behelst maar in elk geval wél over welk proces wat er aan ten grondslag ligt.
Maar kloppen al die schema’s en die proces beschrijvingen eigenlijk wel? Volgens mij niet. De wekelijkheid van een designproces is veel complexer, chaotischer en onvoorspelbaarder dan de vakliteratuur ons willen doen geloven. Wat ons voorgespiegeld wordt is een versimpeling van de werkelijkheid.  
screen-shot-2013-04-21-at-6-40-17-pm
 
Het archetypische designproces bestaat uit 5 onderdelen.
1. Na de opdrachtformulering is er een analytische fase waar het probleem verkend wordt. Hier worden vragen gesteld aan de opdrachtgever en desk research gedaan.
2. Daarna is er een fase van synthese. Het geleerde wordt gesorteerd en een benaderingswijze (van de opgave) ontwikkelt zich. Ook wordt het verdere verloop van het proces gepland in deze fase.  
3. In het midden is de creatieve kern van het proces. (Het wordt in schema’s vaak als een gloeilamp aangeduid, het oersymbool van creativiteit). Het ontwerp concept komt hier tot stand. Zonder deze fase, spreken we niet van een ontwerp proces maar van een management proces.
4. Na de creatieve fase wordt overgegaan tot de uitwerking, ofwel de executieve fase. Schetsen worden tot tekeningen uitgewerkt en er worden (al dan niet fysieke) modellen of prototypen gebouwd.. Soms worden er materiaal- en constructieproeven gedaan.
5. In de laatste fase wordt er getest, verbeterd en gepresenteerd. Er worden conclusies getrokken en (waar nodig) wordt er terug gesprongen in het ontwerpproces.
Er zijn natuurlijk varianten, variërend van minimaal 3  fasen (Think, Create, Act) tot 7  (Define, Research,. Ideation, Prototype, Choose). Opmerkelijk is ook dat het proces van product design echter nauwelijks verschilt van dat van interaction social of architectonical design. Over de breedte van het vak zijn steeds dezelfde procesbeschrijvingen te zien.
 

design-thinking2

Design proces voor matige ontwerpers
Naar mijn idee worden in al die beschrijven de processen van middelmatige en slechte designers opgetekend. Goede ontwerpers werken niet zo. Het is een designproces voor als je depressief bent, of even geen ideeën en inspiratie hebt. Dan biedt zo’n model houvast om tenminste íets aan de opdrachtgever te tonen op de dag van de deadline.
Wat is er mis? Ten eerste wordt creativiteit opgesloten in een klein deel van het proces. Bij levendige ontwerpprocessen speelt creativiteit gedurende het héle proces een rol. Van opdrachtstelling tot presentatie. Een levendig proces is bovendien geen tweede keer hetzelfde. Soms is het pas achteraf op te tekenen verschilt een proces per opdracht, per situatie.
Ontwerpprocessen zijn veel chaotischer
Een standaard designproces suggereert dat designers een voorspelbare gang hebben. Volgens mij dienen de voorgekookte procesbeschrijvingen vooral om opdrachtgevers gerust te stellen. ‘Maakt u zich geen zorgen, ik werk procesmatig, dus het komt allemaal goed.’
Op zichzelf is dat ook prima; het geeft iedereen houvast als verwachtingen geschetst worden. Bovendien is het een leidraad om later verschillende fases in rekening te brengen.
Ontwerpprocessen worden dus te braaf, te analytisch en te voorspelbaar voorgesteld en opgetekend. De werkelijkheid is veel complexer, en vooral veel onvoorspelbaarder. Er zijn talloze ontwerpprocessen, die soms in de omgekeerde volgorde worden afgelegd. Iedere ontwerper heeft wel eens mee gemaakt dat hij op weg naar de presentatie besluit het allemaal anders te doen. Hoe past dat  dan in het kant en klaar schema?
Ontwerpprocessen zijn zo talrijk en divers als er ontwerpers zijn. De processen van Stefan Sagmeister zijn onvergelijkbaar met die van Irma Boom. Frank Gehry werkt totaal anders dan Norman Foster. Kostantin Gricic werkt heel anders dan Karim Rashid. Hun ontwerpprocessen zijn welhaast de kern van hun ontwerp eigenheid. Bovendien hebben goede ontwerpers niet vaak een voorspelbaar ontwerpproces. Was dat wel zo, dan waren ze veel eenvoudiger te kopiëren.
 
Wie zijn Jip & Janneke ?
Waarom mag die werkelijkheid, waarin elke ontwerper zich zal herkennen niet opgetekend?  Wie verspreidt het Jip & Janneke ontwerpproces?
Degenen die het ontwerpproces graag inzichtelijk en voorspelbaar willen voorstellen zijn niet designers zelf. Het zijn de design managers en Design thinkers, omdat zij vooral het proces ‘verkopen’.  
Zij zijn degenen die het meest belang hebben proces getrouwheid. De waarheid zou een onverkoopbaar model opleveren. Maar ook ontwerpers hebben belang bij het ontwerpproces, omdat het als management tool prettig is. Een groep is makkelijker aan te sturen, delen zijn makkelijker vooraf te benoemen en achteraf te factureren. Voorspelbaarheid heeft altijd en management voordeel.
Creativiteit
Een design proces is een breiwerk van management vaardigheden en creatieve vaardigheden. De management vaardigheden (informatie verzamelen, synthetiseren, testen, prototyperen, itereren) zijn goed te beschrijven. Maar voor creativiteit is dat veel ingewikkelder.
Creativiteit is een onwetenschappelijke, onvoorspelbare en onregisseerbare bezigheid.  Creativiteit laat zich niet op afroep herhalen, en het laat zich nauwelijks meten. hooguit de bijverschijnselen en de condities ervan zijn te meten. Creativiteit is een onaangepaste, anarchistische darkhorse. Die niet doet wat je van hem wilt, en al helemaal niet op het moment dat je het van hem wilt.

More “designweeks” than weeks

Over a hundred design fairs and festivals are taking place around the world. We now have more “designweeks” than there are weeks in a year. The omnipresent branding activities that come along resemble an annoying commercial break while watching a good film. With all festivals growing in attendance, we must ask ourselves if that growth is a blessing or a curse?
design-weekThe ‘Queen of the Fairs’ lives in Milan; the Salone del Mobile is the most influential design fair. With the most contributing designers, producers, exhibitions and press, the fair functions in the design world as the ‘New Year.’ Product introductions are calibrated to make their launch here, not making the date will lead to an entire year delay in the development of a design.
‘Salone di Marketing’
The fair, with the endless peripheral program, has broadened her appeal immensely, opening a door to the massive marketing and branding industry. Designers readily complain about the overload of commercial activities. Jasper Morrison speaks of “Salone di Marketing,” as he does more and more tiring press and public performances each year. It mimics the annoying commercial break while watching a good film, and as we all know, when there are to many commercial breaks in a film you end up not watching it all.
According to brand-theory, acceptance in design circles is the best start for a broader acceptance over time; hence more brands want to be associated with design. The connection to creativity and design very often has to be brutally forced; three new colors on a 50-year-old percolator being presented as ‘new designs.’ Some brands organize designer parties and extra curricular activities to standout in the scene. Another cunning way to connect with the design world is to give stuff away; copious amounts of drinks, brochures, and eatables are now being handed out at design fairs. As a result I recently sat in an unsolicited whiskey tasting during Design Indaba, in Cape Town. Or in Milan there is always somewhere to get free Gin from a brand that wants to be perceived as the ‘designer-gin.’
Meanwhile the city is literally trampled under foot by the design branding. The marketing efforts are fuelling a temporary gentrification process: areas of the city, that in the past exposed upcoming designers, have built a reputation for being a fashionable locality, and now have transformed into branding zones with many standardised brand-presentations. Displays by telecom providers, car manufacturers, and the food industry are materializing in places where a year before was an innovative design label. Serious curation is needed here to defend a sense of quality. The fair organisers would be advantageous to seek an anti-gentrification policy, as being used in cities like Berlin.

Role of government
Commonly municipalities are firmly involved in the organization of designweeks to support the local creative economy. The economist Richard Florida first showed this economical importance with his publication “the rise of the creative class.” Recently his view that metropolitan regions with a ‘creative class’ exhibit a higher level of economic development is extended by Anthony Townsend’s book “Smart Cities.” Both publications have been very influential for the awareness of local authorities on creativity and are the underlying  philosophy for municipal support.
Small and large festivals 

st-week-1

Take Reykjavik as an example, for the last seven years they have composed a designweek, as a joint effort between the design community and the local government. The role of such a festival is primarily to empower the local creative scene, to strengthen the vitality of the city, and to learn from each other. By exhibiting their work amongst each other, this type of self-help-group propels the design field forward. During the most recent edition, the President of Iceland, invited the design journalists to emphasise his believe in a creative economy. How much more moral support can you ask for as a creative in Reykjavik?

In larger designweeks, such as the Dutch Design Week, one can see how design presentations migrate towards entertainment. The number of visitors has risen to 215,000, more than the entire population of the city of Eindhoven where it takes place. The general public has become the major stakeholder here. Designers are not presenting here to an industry or professional peers, but rather to a general audience. The success of the week can possibly be evaluated by changes in the designers’ mentality. Perhaps their focus is more and more towards the general public and less facing the professional industry, they do not need industrial manufacturers to see their work. The design-process has now become a dialogue with a general audience, especially in the realms of social design, experience design and conceptual design. For this generation of designers, is the connection to the manufacturing industry no longer the ultimate goal?
There is no doubt that the excessive amount of visitors cannot only be a blessing. Massive general attendance greatly narrows the room for professional and peer criticism that is so intrinsic and vital to the young and ever changing profession that design is. The dilution of design innovation by parasite brand and marketing strategies will have a grave influence on the events future. Festivals could easily drift off and become an interchangeable consumer fair, with a little spice of creativity. Let’s hope it won’t get that far.

Unsolved Questions about Design

Unsolved Questions about Design
With books and magazines on design more numerous and selling better than ever and a general growth in interest regarding design products and services, it seems like design is more popular than ever. The expectations from the public about what it can accomplish have certainly never been higher. Designers are increasingly perceived as problem solvers. 
From the outside the design world looks very healthy. But let’s take a look under the hood: is this profession really as vital and strong as it seems? Design is growing quantitatively, but is it growing qualitatively as well? Can designers really do what the public and the commissioners think they are capable of? 
The profession is changing rapidly as a result of its growth, but is struggling with some serious issues. We are under pressure, and believe that we lack the time to find fundamental answers to these uncomfortable questions. But the answers have to come from designers themselves ­– from researchers, practitioners, students and scientists. 
These are some of the industry’s biggest challenges – let’s see if 2015 will provide answers to them: 
1. Is design becoming more superficial?
For a long time design was embedded in mechanical engineering, printing, typography and material skills like ceramics, wood- or metalworking. We were able to weave and print by hand or understand simple industrial processes, such as injection moulding or extrusion. 
But the definition of design has expanded – and it has also become more conceptual. This, combined with the digitisation of our workflow and an increasing dependence on computers, means most designers have little grasp on true craftsmanship. As Jonathan Ive said in a recent interview: “So many designers don’t know how to make stuff. That’s tragic”.
Are we really able to design quality products if we don’t have a deep knowledge of the specific materials, crafts or production methods needed to create them? How can we be connected throughout the whole cycle of product development if we are only conceptually relevant?
Design is slowly transforming into an ever more mental, strategic and conceptual profession. “Design Thinkers” like Stale Melvaer even advocate this transformation saying: “Stop looking at yourself as a designer, and start thinking of yourself as a deliverer of ideas”.
On top of that, because of the internet, projects are often being distributed, judged and critiqued on their screen appearance alone. People increasingly buy products based on their two-dimensional qualities. As a result design has become strongly image-oriented.
Screen and photographic representation is what ultimately counts. Long texts and literature about projects are becoming rare. Sections, plans or sketches are rarely published. Models and physical 3D-prototypes play an ever-smaller role, because you can’t email or publish them.
So although it is a holistic profession that touches on all skills and senses it is being reduced to image making. The process, the meaning, the tactility, the materials, the spatial qualities and the sustainable impact, all have become less important. We satisfy an increasingly superficial demand for sexy imagery in high resolutions.
2. Has the design process become a group consensus process?
Older designers complain that they never sit with the director of a company anymore, but with people from the communications department. Our clients are no longer the CEOs but the marketing and communication managers.
Recently a designer of my acquaintance had a meeting about developing a chair with 35 people in the room. She was the only designer present. There is no way the designer can lead a discussion like that. Design is now an ongoing strategic conversation where various disciplines are involved.
In a recent interview Konstantin Grcic described the complex and very slow genesis of his All Star chair. “Four years is a long time to develop a chair”, he said. The design brief nowadays is the result of many meetings and many discussions and is often subject to changes, he explained. The design process has become a group consensus process. The same is true in architecture. There is lots of talking and, although there is a broader acknowledgment of design, its position hasn’t become significantly stronger. In fact, the freedom for a designer to explore, innovate and research has been reduced. 
3. Does design lack maturity? 
The vast majority of designers are under 40. Afterwards they tend go into education, design management, or become entrepreneurs in a related field. It is very rare that an active designer of over 50 speaks at a convention or gets major press. The very few that do must be extremely successful, because everyone else has long left the profession by that age.
The press wants young and upcoming talent – they present an easy story. The industry wants them as well, because they bring free publicity and embody the new. Consumers want designers to be optimistic, fresh and inspirational. Young people fit that image better.
Design is not an easy way to make money. If you are dependent on billed hours or royalties it will take a lot of time before you can match the average income of most professions. We all know that young creatives often live in poor circumstances. Very few designers practice this profession until they retire because it costs more energy than it reasonably returns in money.
The profession as a whole therefore lacks maturity. There is hardly any learning flow through the generations. We are continuously re-inventing design, with an enthusiastic but inexperienced group of young professionals. 
4. Is design a sexist profession?
For many decades there has been gender equality in design schools. Design was one of the few professions that seemed to appeal as much to women as to men.
But today fewer than 10 per cent of top designers are female. Why can’t more of the women who study design reach the top? Perhaps for some of the same reasons that cause women to be underrepresented on the boards of big corporations.
Design could easily be gender neutral – enough women want to study its disciplines – but shamefully, we cannot score that point. A recent study of design publications done by Gabriel Maher on the gender issue highlighted the role of the press. Depending on the gender they use a different jargon, show the designers in different poses and write about different qualities. To cut it short: it is a sexist profession. 

Now what do we do about it?

Wir brauchen in der Bildkultur ein “Biobild”

Vor vier Jahren haben meine Frau und ich beschlossen, nach Berlin zu ziehen. Wenn man eine Weile in einem anderen Land lebt, kommt man irgendwann an den Punkt, an dem man sich fragt, warum man eigentlich von zuhause fort ist:  Das Befremden nimmt zu und das anfängliche Staunen und die Aufgeregtheit klingen ab. Manche Irritation tritt jedoch erst zutage, sobald man gelernt hat, in seine Mitmenschen hineinzusehen. So fiel mir erst vor Kurzem auf, dass deutsche Kassiererinnen viel mürrischer sind als ihre Kolleginnen in den Niederlanden.  Sie flirten nicht, sie scherzen nicht und schauen dich kaum an.  Sie sind auch selten faszinierend, hochgebildet, sexy oder exotisch.

Jetzt noch rasch meine beiden letzten Kritikpunkte abhandeln, dann bin ich damit durch: Deutsche naschen zu viel Gummibärchen aus Bonn und grillen oft Bratwürte aus Thüringen. Zum Glück bin ich aber meist einfach nur froh, dass wir uns für ein Leben in Deutschland entschieden haben. Zum Beispiel wegen des Braun-Feldwegpreises: Der Preis illustriert, warum ein von Berufs wegen an Design interessierter Mensch nach Deutschland gehen sollte, denn der Braun-Feldwegpreis zeigt das Beste, was deutsche Designkultur zu bieten hat.

Wo in der Welt schreiben Designstudenten mehr als 10.000 Wörter? Wo in der Welt nimmt man sich so viel Zeit im Designbetrieb, um Texte zu besprechen und zu beurteilen? Die Unlust zu Schreiben ist übrigens nicht nur ein Problem von Studenten. Für anerkannte Designer gilt genau dasselbe: Auch sie vermeiden es nach Möglichkeit Es liegt wohl daran, dass an Hochschulen für Design relativ viel Dyslexie vorkommt.

Kunstakademien üben offenbar eine hohe Anziehungskraft auf Menschen mit mäßig ausgeprägtem Sprachgefühl aus.Es ist also kein Zufall, dass unsere Berufsgruppe nicht gerne zur Feder greift. Heutzutage kommen Studenten an Unmengen von Bildern heran, die sie sortieren, bearbeiten und publizieren. Ebenso mühelos präsentieren sie diese Bilderflut einem Publikum oder dem Dozenten.

Bilderfight
Und ist Ihnen schon aufgefallen, dass auf Design-Symposien ein richtiger Bilderfight im Gange ist? Früher zeigten Designer während eines Vortrags etwa 20 Dias. Einen Schlitten nannten wir das. Heute ist es keine Ausnahme mehr, wenn pro Vortrag 50 Bilder an die Wand geworfen werden und manchmal sogar über 100 Bilder, auf zwei Bildschirmen gleichzeitig.

Wenn ich als Moderator den Vortragenden auf die Fülle seines Bildmaterials anspreche, bekomme ich zu hören: „Ja, aber ich bin wirklich schnell“. Als wäre es eine Kunst, diese Bilderflut in rasendem Tempo vorzuführen.  Stellen sie sich einen Chefkoch vor, der Ihnen ein 30-Gänge-Menü in 20 Minuten auftischen will mit der Aussage: „Ja, aber ich bin wirklich schnell“.

Neuland- oder Biobild-Label

kopie-biobeeld

Ich glaube, es sollte auch in der Bildkultur eine Art “Neuland- oder Biobild-Label” geben: Um sicher zu gehen, dass die Motive mit Sorgfalt behandelt, mit Respekt aufgenommen und hinsichtlich die Urheberrechte alles geregelt ist.  Mit Respekt aufgenommen bedeutet beispielsweise: keine Bilder von Terroranschlägen und Attentätern.
Es ist würdelos, dass alle ein Bild von Anders Breivik im Kopf hat.
Eine Google-Search-Anfrage liefert hier 600.000 Abbildungen.Noch schlimmer ist es, dass wohl jeder die Krawatte dieses Mannes kennt, die er während des Prozesses um hatte. Ich wünschte, ich hätte dieses Bild nie gesehen, aber es war nicht möglich, darum herum zu kommen. Eben gerade weil es in der Bildkultur kein Biobild oder Fair-Trade-Bild gibt.

Das einzige, was kritische Bildkonsumenten tun können, ist, sich in Formen von Abstinenz zu üben.  Kein Fernsehen, keine Computerspiele, kein Durchblättern von Zeitschriften und kein Zeitungslesen.  Vielleicht bleibt einem dann Breiviks Krawatte erspart. Einfach ist das nicht. In der Bildkultur gibt es nämlich keine Moral, kein Gewissen und kaum Reglementierungen.  Es herrscht scheinbar völlige Gleichwertigkeit und Demokratie.  Ein mit einem Handy aufgenommener Schnappschuss kann es mit einem inszenierten Bild aufnehmen, in dem eine Woche Arbeit steckt.  Und ein Urlaubsfoto kommt im Internet zur gleichen Geltung wie ein Gemälde von Vermeer.  Wahrscheinlich sind Bilder deshalb für Studenten so attraktiv: freier Zugang und keine Hierarchie.

Texten
Bei der Erstellung eines Textes gelten andere Maßstäbe.  Worte lassen sich eben nicht ganz so leicht produzieren wie Bilder.  Doch nicht jedem gelingt ein guter Text.  Bei einem Text von mehr als 1000 Wörtern muss man sich ganz präzise ausdrücken.  Man braucht eine Idee, eine Motivation, ein Argument und eine Gliederung.  Der Schreibprozess verlangt Ausdauer, Konzentration, Kreativität und wenn möglich: Humor.

bio-beeldWer einen Text schreibt, lässt sich in seinen Kopf schauen und gerade das scheuen die meisten Designer.  Denn erst dann zeigen sich ein
Mangel an Vision und Motivation, an historischen Kenntnissen und an Kritik.  In einem ausgefeilten Text offenbaren sich Charaktereigenschaften und Schwächen des Verfassers.
Ist er kreativ, sorgfältig, nachlässig oder mutig?
Ist er eitel oder hat er einen hohen wissenschaftlichen Anspruch?
Gelingt es dem Autor, Wesentliches von Nebensächlichkeiten zu unterscheiden?
Verfügt er über Sprachgefühl und – sehr wichtig – – hat er Sinn für Humor?

Bilderlassen sich retuschieren, das gedruckte Wort aber kann entlarven.  Die Fähigkeit des Schreibens ist also auch in der Designerwelt ein Zeichen von Können.  In einer Designkultur, die sich immer weiter auf die überwältigende Bildkultur zubewegt,  ist es wichtig, dem Fach mehr Tiefe zu verleihen.  Ein Preis ist ein gutes Instrument, um auf gute Texte aufmerksam zu machen und das Schreiben anzuregen. Denn: Kreativität manifestiert sich natürlich auch in Texten, nicht nur in Bildern.

Preisträger Moritz Grund
moritzDer diesjährige Preisträger Moritz Grund macht dies auf eindrückliche Weise deutlich.  Seinen Gedankengängen zu folgen, ist ein Vergnügen.  Einhundert ist ein Text, in dem zuerst ein Gedanke entfaltet wird, und die Handlung dann folgt.  Der Text sticht deshalb heraus, weil es sich nicht um eine klassische Designkritik oder Entwurfsbesprechung handelt.  Es ist ein aktivistischer Text über eine persönliche Erfahrung des Verfassers. Wir wir in die Beziehung ein,  die der junge Gestalter Moritz Grund zu seinen Habseligkeiten, Dingen, Objekten, Produkten hat.

Eine sorgsame und liebevolle Beziehung des Verbrauchers zum Produkt ist der Schlüssel zu dauerhaften Gebrauch. Durch ein sich selbst auferlegtes Limit, nur 100 Dinge zu besitzen,  fokussiert sich der Verfasser auf die Beziehung zwischen Verbraucher und Produkt.  Die nur scheinbar bizarre Therapie, mit 100 Dingen ein normales Leben zu führen, ist wertvoll und attraktiv.  Wenn man sich jedem Objekt mit Respekt nähert, wird man automatisch nichts kaufen, was man nicht braucht.  Man wird also nichts kaufen, was man nach nur einem Mal Benutzen wieder wegwerfen würde,  wie einen Pappbecher oder ein Papiertaschentuch.  Man wird bestimmte Produkte nur für bestimmte Zwecke verwenden.  Vor allem wird man sich fragen, ob man dieses Produkt auch wirklich benötigt und was man sonst noch mit ihm anfangen kann.  Was könnte man beispielsweise mit ihm machen, wenn man es umdreht oder verkehrt herum hält?  Kurz und gut,  man wird nachdenken, ob dieses Produkt das eigene Leben wirklich bereichert.  Moritz Grund geht dem in seinem zugänglichen Text nach.

Designforschung
Unter Kollegen wird ausgiebig darüber diskutiert, was Designforschung eigentlich ist.  Ich habe mich während meiner Zeit als Professor für Produktdesign in Rotterdam rege daran beteiligt.  Im Vergleich zu den klassischen Wissenschaften gibt es im Fachbereich Design nur wenig Forschungseifer.  Und als Designer promoviert man nur selten. Das Thema wirft viele Fragen auf,:  Ist Designforschung rein beschreibend wie etwa die Designkritik?  Kann ein Entwurf, ein Produkt als wissenschaftliche Leistung gelten?  Was ist der Unterschied zwischen analytischem Gestalten und gestalterischer Analyse?  Muss Designforschung systematisch sein, und wenn ja: Was bedeutet das für den Entwurfsprozess?  Muss der Entwurfsprozess zudem in einem wissenschaftlichen Kontext nachvollziehbar sein?  Bedeutet dies zugleich, dass man Produktqualität durch die gerade beschriebenen Methoden erzielen kann?    Es liegt auf der Hand, dass ich jetzt eine mehr wissenschaftlich geprägte Designforschung fordern müsste.

Ist Design überhaupt eine Wissenschaft? 
Aber das werde ich nicht tun. Der schreibende Designer, der diesen Preis lebendig macht, braucht nicht unbedingt einen wissenschaftlichen Kontext. Denn der Knackpunkt bleibt der Entwurfsprozess. Kann sich die formgebende Disziplin gegenüber der Wissenschaft behaupten?  Ist Design überhaupt eine Wissenschaft? Meine Antwort lautet: Nein.  Die meisten universitären Designausbildungen stehen mit der dazugehörenden wissenschaftlichen Herangehensweise auf Kriegsfuß.  Sogar im Fachbereich Architektur wird diese Diskussion regelmäßig aufs Neue geführt.  Kern des Gestaltens ist die Kreativität, darin sind sich alle einig.  Aber gerade das lässt sich wissenschaftlich nicht belegen.  Kreativität lässt sich nicht beweisen..  Kreativität kann man vielleicht gerade noch als neurobiologische Eigenschaft beschreiben, wenn man damit die Flexibilität des Gehirns meint.  Aber Kreativität hervorrufen, kreative Prozesse wiederholen, Kreativität steuern,  das funktioniert nicht.

Jeder gelungene Entwurfsprozess hat auch etwas Unlogisches und nicht Vorhersagbares an sich. Große Teile des Prozesses lassen sich in Entwürfen formalisieren,  ein wichtiger Funke aber wird nie wissenschaftlich zu erklären sein.  Ich weiß, dass ich mich mit dieser Auffassung nicht gerade beliebt mache,  aber ich bin davon überzeugt, dass Design im Grunde ein unwissenschaftliches Fach ist.  Der Beruf beinhaltet künstlerische Disziplinen, wie Bildhauerei und Malerei, außerdem Management, soziales Geschick, Prozessentwicklung und Planung. Manches davon lässt sich wissenschaftlich verankern, anderes nicht.

Zurück zum Anfang.  Wer an niederländische Exportschlager denkt, denkt an Käse, Marihuana und Tulpen.  Aber außer diesen Leckereien liefern wir Fußballstars, Designer und Design-kritiker.  Design-Kritiker fühlen sich sehr geschmeichelt und glücklich, wenn sie dazu aufgefordert werden,  über die Fragen ihres Fachgebiets nachzudenken.  Ich habe großen Respekt vor der Ruhe und Sorgfalt, mit der meine deutschen Kollegen die Debatte führen und freue mich,  dass ich nun daran teilhaben darf.  Genau wie Fußballspieler werden auch Kritiker meist besser, wenn sie ihren Beruf in einer anderen Kultur ausüben.  weil die neuen Lebensumstände etwas anderes von ihnen verlangen und man sich anpassen und beweisen muss.  Und deshalb rufe ich aus: Lang lebe die deutsche Designkultur, lang lebe der Braun-Feldwegpreis, lang lebe Moritz Grund – und lang lebe die deutsche Diskussionsfreude.

the Copy Paste Mantra.

Globalization, and an open-source mentality have changed our thinking almost overnight about what constitutes a copy versus an original. Copying not only has legal and cultural repercussions; it bears on moral and psychological issues as well. 

 

Fear of Being Copied

Every art or design student has likely had some fear of being copied, or that what he creates is actually a copy of somebody else’s work. No designer likes to hear, “your work is exactly what designer x did in the mid nineties (or something similar).” The fear that an idea, form, or material will be stolen by another has the same foundation as the fear that one is “stealing“ (from?) oneself. This fear is completely understandable: the uniqueness of a creation is being threatened by the possibility that someone will copy it. And uniqueness–or call it originality–is at the heart of western European creativity. 

tejjjo

The tension that immediately arises when speaking about copying proves its relevance and explosive potential – not only in the field of design. Aside from the formal and juristic consequences, in design there is a “moral of authenticity” that is deeply rooted in western culture. What would happen if we could let go of this ‘authenticity’?

Copying and Inspiration

copy-watchAnother issue at stake is the similarity between copying and inspiration. Every designer will study examples of designers that inspire him. Designing is in part copying, leaning, re-using; placing an old idea in a new context. It’s foolish to reinvent the wheel, so we cut and paste from all kinds of  sources of inspiration. And since the rise of the internet those sources are even more accessible: with a couple of clicks we can see everything, everywhere. Instantly.  

 
But the line between inspiration and copying is a thin one. Anyone who breaches that line will be singled out not only by colleagues, but also, inevitably, by lawyers. The western world has installed a huge copyright system in which the copying of intellectual property equals theft. That whole system is relatively young–only about a hundred years old, and some say copyright protections holds us back from innovation and  impedes creativity. It’s common knowledge that in the music industry, the Internet has had a huge impact on the business models of performing artists. Will the same be true for the design sector? 

Different Attitudes of Asia and Europe
The question of where inspiration ends and copying begins can be answered from personal, cultural, and moral standpoints, but also from commercial and legal points of view. Cultural differences certainly have an effect on where one stands in this debate. It has always been said, for example, that Asia and Europe have very different attitude towards copying; that originality and authenticity have different meanings in different cultures. In Japan and China, where a totally different ethical code governs authorship, you are considered a ‘master’ if you are able to copy good craftsmanship. Here in the West however, originality is at the heart of design culture.

Legal Questions
kopieeen

Legal questions surround copyright culture. How is copyright built? What are the premises?  How do we define a copy from moral, legal, and cultural points of view? Should copying be deplored or could it be also seen as a process towards perfection or the development of skills? Could it be regarded as the predictable consequence of an ever-present marketing, branding and personality cult? 

In the likelihood of a future society dominated by copy culture, what changes will we see? Will patents and copyrights lose their raison d’étre, becoming artifacts of mass industrialization? Will they be replaced by open source concepts, appropriation and personalization? What will be the designer’s role in a shared and thus reciprocal relationship with a new, potentially multi-faceted breed of user, client, producer, reseller and co-developer? 

The discussion needs to be placed into a wider cultural context, refining and reviewing our views on copying, imitation and inspiration, suggesting entirely different sets of moral values and ultimately proposing updated global economic and socio-cultural cooperation models.

Watch the project on Dezeen: click here 
http://www.dezeen.com/2011/06/09/copy-and-authorship-by-lucas-verweij/

de Designbubble, design kan haar beloften niet meer waarmaken.

20 jaar geleden wist niemand wat design was of wat je eraan had. Op het vasteland van Europa werd het woord nauwelijks gebruikt want wij gebruikten de termen ‘ontwerpen’ of ‘vormgeven’. Op het diploma van mijn opleiding staat dan ook nergens design, terwijl diezelfde school inmiddels “Design Academy” heet.

Bijvoeglijk naamwoord
Design was destijds verbonden aan een stylistische opvatting. Allessi produceerde design koffiepotten en Dieter Rams maakte design voor Braun. Design duidde op intensief en meestal modernistisch vormgegeven producten die je in museumwinkels kocht. Cultureel gezegende vormgeving dus. Design was toen nog een bijvoeglijk naamwoord, geen werkwoord.
In de Angel-sakische wereld daarentegen was design een verzamelnaam voor verschillende ontwerpende disciplines. Die opvatting heeft een effectieve zegetocht gemaakt want inmiddels doen wij in Europa precies hetzelfde. Alle ontwerpende disciplines verenigen zich onder de koepel van design. Alles is design geworden en design is overal.

rams


Niet alleen taal 
Behalve die semantische overwinning, is het vakgebied dermate populair dat het andere disciplines in zich opneemt en absorbeert. Design is niet meer alleen interieur, grafisch, en productontwerp maar ook social, interaction-, interface-, game- en fooddesign. En design groeit nog door: delen van geëngageerde- en publieke ruimtekunst worden geïncorporeerd door design. Voor delen van de architectuur, landschaps- en interieur–architectuur geld hetzelfde: het wordt langzaam maar zeker vermarkt onder de allesomvattende titel design.
In discussies in het beroepsveld worden de overeenkomsten opeens meer benadrukt dan de verschillen, terwijl ze het vroeger niet eens konden worden of het nou vormgeven of ontwerpen moest heten.
En dan zijn er nog ‘Design Thinking’ en ‘Service design’. Bij deze disciplines kan het eindresultaat een dienst, een mentaliteit of een procedure zijn. Daarmee komt design dus ook in het veld van distributie, retail en organisatie. Niets blijft onaangeraakt: alles is design geworden en design is overal.

Rugwind 
Het beroepsveld is getransformeerd van een patchwork van disciplines naar een gemoedelijke eenheid. Dat gaat goed omdat het design goed gaat. Boeken en tijdschriften over design verkopen,  Blogs en sites over design hebben veel bezoekers en veel reclame inkomsten. De meeste designproducten en -diensten verkopen goed en de economische crisis heeft de design veel minder hard getroffen dan de architectuur.
In design zit nog steeds groei, het gaat allianties aan met innovatieve technieken en productiemethoden, met nieuwe werkwerkwijzen en inzichten. Design is goed aangesloten op de groeiende interneteconomie. De startup-scene heeft korte lijnen met de designwereld en maakt er deel van uit via app-ontwikkeling, interface en interaction design. Design is nauw verbonden met de veranderende wereld, het zit er middenin. Dat maakt design een aantrekkelijk en kansrijk speelveld.

Vertrouwen van het publiek
Bovendien heeft het publiek vertrouwen in designers, vergelijkbaar met het vertrouwen dat men vroeger in architecten had. Een architect kon iets oplossen, vooruitzien, was visionair en creatief en architecten waren toonaangevend in smaakkwesties. Architectuur gaf gestalte aan het naoorlogse discours. Vragen over machtsverdeling, woonvormen, de inrichting van de samenleving werden door architecten van een vorm voorzien. Architectuur zat midden in de veranderende wereld.
De vergelijking met design ligt voor de hand: Veel maatschappelijke vragen komen nu bij design terecht. Veel tools voor de individualisering en de globalisering zitten nu in het domein van design. Veel van de positieve connotaties over architectuur zijn op design overgesprongen. Designers kunnen iets oplossen, zijn visionair, creatief en gaan voorop in smaakkwesties. Design heeft deze eeuw de rugwind, hetgeen de toeloop en de groei verklaart.

Creativiteit en innovatie
Een belangrijke pijler van design is creativiteit. Creativiteit was nog nooit zo positief beladen als nu. In mijn jeugd was het ‘leuk’ als iemand creatief was, maar meer ook niet. Creativiteit was niet per se een goede eigenschap. Je haalde er geen goede cijfers mee, kwalificeerde je niet voor een gymnasium en in een militaire, politieke of sportieve carrière had je er ook niets aan. Wat moest je er ook mee in de tijd waarin de nadruk veel meer lag op efficiëntie, organisatie en kwantiteit dan op kwaliteit en (re)creatie.
Het tegendeel is nu aan de hand. We denken dat problemen onoplosbaar zijn zonder inzet van creativiteit. Creativiteit en innovatie zijn de nieuwe sleutelbegrippen voor groei. In Europa wordt innovatie grootschalig gesubsidieerd. De gedachte daarachter is, dat alleen onze creatieve en innovatieve vermogens wezenlijk onderscheidend zijn in een geglobaliseerde economie. China kan het goedkoper produceren, India kan het goedkoper engineeren maar onze creativiteit is voorlopig onvervangbaar. Alle hoop is plotseling gevestigd op een eigenschap die vroeger als overbodig gold.

overspannen verwachtingen 
Alle design disciplines (behalve ‘interieur-architect’) zijn onbeschermde beroepen. Iedereen mag zich morgen design-thinker, of social designer noemen. Per jaar komen er drie nieuwe opleidingen bij. Design groeit dan ook ongebreideld, maar door de steeds lichter en breder wordende opleidingen nemen de competenties van designers alleen maar af.
Tezelfdertijd zijn de verwachtingen van design inmiddels zo hoog gespannen – het moet bijdragen aan de verkeersveiligheid, de economie uit het slop trekken, om slechts twee voorbeelden te noemen – dat je ervan uit mag gaan dat design deze onmogelijk kan inlossen.
We bevinden ons in een designbubble; een zeepbel. De vraag is wanneer hij uiteen spat.

zeepbel

designing design education.

Design Education is a growing sector. In Western Europe the amount of Master studies in design is on the increase. In Eastern Europe, India and China the amount of Bachelor studies is growing and the amount of students per school or studio are growing as well. Besides the numerical growth, the Design-field is widening as well: New fields of design emerge on an ongoing basis. One can think of social design, interaction design, service design and design thinking. These are all sectors of the design field for where studies are being developed or will be developed. More and more different schools have a design related study in their curriculum, design is being taught in both technical-, managerial- and artistic schools and Universities at all of levels. Lucas Verweij initiated a roundup in corporation with DMY and the Dutch Embassy
gratis-tanken
DMY -the Berlin design festival- has strong bonds with educational bodies. Already 25 schools have subscribed to expose student’s work for the 2012 festival. Schools, faculty and students will come from Poland, Switzerland, France, Germany, Holland, Argentina and USA. The experimental character of the festival makes it popular with designers shortly before and after their graduation. The timing is good: DMY is held just before the semester ends in the low of the educational season. Former Airport Tempelhof is an Inspiring and typical Berlin location.
In recent years at DMY there has been a start of an educational round up in the festival. At this meeting there was a clear longing for further development of design educational knowledge. Therefore we want we want to broaden this year to a series of expert meetings and case studies. DMY and the Dutch Embassy will host the event. On behalf of the hosts, Lucas Verweij has taken the imitative to do so. Verweij has taught design, architecture and art in different schools in Germany and The Netherlands. He was dean of a Master study in Architecture & Urban design and a guest Professor for product design.
mapls1-6470About the format: open space expert meetings.
In design education there are many experts and most of the challenges we will discuss are new for all of us. To establish an international network, we believe it is best to treat all participants equally and have open expert-meetings. We want everybody to have the opportunity to share ideas and experiences. A dedicated moderator, who has experience in the topic, will host an issue. We do not want it to be a symposium with ‘people who speak’ versus ‘people who listen’ but an free and open exchange of knowledge and experiences.
There are two rounds of four expert meetings where participants can join at one of the topics. There is an open space for a topic that might come up. If you want to suggest a topic, let me know. Seven issues will be set in an open space setting. Every table issue will have a host. These are bottom-up meetings meant to share knowledge and establish a network of schools. Every meeting lasts 1 hour. All participants can choose two topics to attend.

mapls-2788



Expert meeting round One
1. Open space: free for your idea or topic
2. New professional challenges, ‘How do I embed social & open design in the curriculum?’
Host: Ronen Kadushin, Guest professor University of Art and Design Halle, teaching Open Design.
4. How can the relation of design with society at large be taught or embedded in the curriculum?
5. Case study: Export design education to China. Prof. Egon Chemaitis, Uni der Künste, Berlin
Expert meeting round Two:
5. How can we prepare designers for a future of changing economic models. Host: Sophie Lovell,  freelance writer, editor and consultant in design.
6. What is the best structure for a design school to develop and embed a researching atmosphere?
7. What is the position of design in an art school?  What are the advantages and challenges of having design courses or design departments in an art school (in stead of an independent design school or at a technical school). Host: Prof. Carola Zwick, Kunsthochschule Weissensee. Berlin
8. What can be a fruitful relation between other disciplines (architecture, fashion, art) and design in education? Host: Lucas Verweij, former Dean Master study in Architecture and a guest Professor for product design.

Een beeld zegt mínder dan 100 woorden

De Braun-Feldweg Preis toont het beste van de Duitse designcultuur. Waar ter wereld schrijven designstudenten meer dan tienduizend woorden? Waar ter wereld is er de rust in de designcultuur om over teksten te spreken? Teksten te vergelijken en teksten te beoordelen? Het gaat hier trouwens niet om een typisch studentenprobleem. Voor designprofessionals geldt hetzelfde; ook zij schrijven niet graag. De hele beroepsgroep lijkt dyslexie te hebben. In geen ander vakgebied zijn zoveel ghostwriters en catalogusschrijvers te vinden als in de designwereld, want de designers zelf kunnen het niet. Op designscholen komt relatief veel dyslexie voor; ze hebben een aantrekkingskracht op mensen met een slecht gevoel voor taal.

In de contemporaine cultuur kunnen studenten zonder moeite duizenden beelden ophoesten, sorteren, bewerken en publiceren. Ook het laten zien van beelden aan een publiek of een docent lukt ze zonder veel moeite.

beeldende wapenwedloop
Is het u opgevallen dat er op designsymposiums een beeldende wapenwedloop gaande is? Vroeger lieten ontwerpers tijdens een voordracht zo’n twintig dia’s zien. Een ‘slede’ noemden we dat. Wie er nu 50 laat zien is geen uitzondering. Ik maak regelmatig mee dat  mensen meer dan 120 beelden laten zien, soms op twee schermen tegelijk. Als ik ze daar als moderator vooraf op aanspreek hoor ik steevast:  “Ja, maar ik kan het heel snel hoor.”

Alsof het kunst is om niet alleen een overdaad aan beeld over een publiek uit te storten, maar dat ook nog heel snel te kunnen. Stelt u zich een chef-kok voor, die u 30 gangen wil laten eten in twintig minuten met de aanbeveling: “Ik kan het heel snel opdienen hoor.”

Biologisch beeld
Naar vergelijking met de voedselindustrie zou er in de beeldcultuur “Neuland of bio-beeld” moeten zijn. Zorgvuldiger behandeld, met respect opgenomen en de rechten ervan zijn goed geregeld.

Met respect opgenomen betekend bijvoorbeeld: geen beelden van aanslagen en de daders van de aanslagen. Het is abject dat u en ik een beeld in ons hoofd hebben van het gezicht van een gruwelijke Noor die tientallen mensen om het leven heeft gebracht omdat hij zich miskent voelde. Het is nog erger dat u en ik zijn stropdas kennen die hij droeg tijdens het proces. Ik wil dat beeld niet kennen, maar ik kom daar onmogelijk onderuit.

In beeldcultuur bestaat namelijk geen bio-beeld en geen Fair Trade Beeld. Het enige dat voor kritische beeldconsumenten mogelijk is, zijn vormen van abstinentie. Geen televisie kijken, geen computerspellen spelen, geen magazines doorbladeren en geen kranten lezen. Misschien dat de stropdas van Breivik je dan bespaard blijft. Maar makkelijk is dat niet.

In beeldcultuur lijkt een volledige gelijkwaardigheid en democratie te heersen. Een onscherp snapshotje uit een telefoon kan het opnemen tegen een geënsceneerd beeld waar een week aan gewerkt. En een vakantiekiek is op het internet van dezelfde orde als een schilderij van Vermeer. Ook promoverende ontwerpers heb ik horen klagen dat ‘beelden niet als woorden tellen’ voor hun promotie. Wat zou hun voorstel zijn? Om een beeld voor tien woorden te tellen, zodat we met 4000 beelden kunnen promoveren?

Tekstcultuur 
Met teksten hebben we al die problemen niet, woorden zijn niet zo eenvoudig te produceren als beelden. En niet iedereen kan het ook zomaar. Als je meer dan duizend woorden schrijft, moet je je heel precies uiten. Dat betekent dat je een idee, een motivatie, een argumentatie én een opbouw moet maken. Het proces van schrijven vraagt doorzettingsvermogen, concentratie, creativiteit en als het even kan: humor.

Wie een tekst schrijft, laat zich in zijn hoofd kijken en de meeste designers vrezen dat. Want pas dan komt het gebrek aan visie, het gebrek aan motivatie, historische kennis en aan kritiek ten volle aan het licht.
Als je een volwassen tekst leest, tekenen de karaktereigenschappen en tekortkomingen van de schrijver zich haarfijn af. Is hij creatief, is hij zorgvuldig, slordig of moedig? Is hij of zij ijdel en heeft hij veel wetenschappelijke pretentie? Kan de schrijver hoofd- van bijzaken onderscheiden? Heeft hij taalgevoel en heel belangrijk: heeft hij gevoel voor humor?

Zo verhullend als beelden kunnen zijn, zo ontmaskerend zijn  woorden als ze gedrukt worden. Daarom moet ik nu ook snel ophouden, anders loop ik in de door mijzelf zorgvuldig beschreven val.

Het vermogen om te schrijven is dus (ook in de designwereld) een proeve van bekwaamheid. Een prijs is een goed instrument om aandacht te vragen voor teksten en om het schrijven in scholen te stimuleren.
Het stimuleren van schrijven (via een prijs) is belangrijk voor de precisie van ontwerpers, en voor het ontwerpvak.

In een designcultuur die steeds meer drijft op de overweldigende beeldencultuur is het van belang het vak te verdiepen. Daarnaast blijkt dat de schrijvende ontwerper, die Braun Feldweg zelf was, nog steeds bestaat. Creativiteit is niet iets wat zich alleen in beeldcultuur uit: het uit zich evenzo in tekst.

Plezier te lezen
De winnaar van dit jaar toont dat fantastisch aan: het is een plezier om zulk een verrassende gedachtengangen te volgen. Het is een ontwerpende tekst, er wordt een gedachte ontvouwd en er wordt tot actie overgegaan. Dat maakt deze tekst zo bijzonder: het is geen klassieke designkritiek, of designbespreking. Het is een activistische tekst over een persoonlijke ontwikkeling van de schrijver.

In de tekst van de prijswinnaar Moritz Grund volgen we de relatie die hij als jonge ontwerper heeft met zijn bezittingen, dingen, objecten, producten. De zorgvuldige beschrijving van die relatie is waardevol in een tijd van overconsumptie. Een zorgvuldige en liefdevolle relatie tussen product en gebruiker is sowieso de sleutel naar duurzaamheid. Die relatie wordt ook in zijn tekst gelegd.

Door zijn zelfopgelegde limiet om 100 producten te gebruiken stelt de schrijver de relatie tussen object en gebruiker op scherp. De schijnbaar bizarre therapie om met 100 spullen een normaal leven te leiden is waardevol én aantrekkelijk. Het past goed in een trend van ‘real life challenges‘. Je zou het zo tot een reality televisieformat om kunnen schrijven.

Als je met respect ieder ding -ieder object- benadert zal je automatisch niets kopen dat je niet nodig hebt. Niets kopen dat je na één keer gebruiken weer weggooit, zoals een wegwerpbeker of een cellulose zakdoek.

Je zal producten voor verschillende doeleinden gaan gebruiken. Je zal je bij alles afvragen of je een product écht nodig hebt en wat je er nog meer mee kunt. En wat je er mee kan als je het ondersteboven of achterstevoren gebruikt. Kortom: je zal jezelf dwingen om echt na te gaan of het product je leven verrijkt, of het iets wezenlijks gaat bijdragen aan je leven. Dat doet Grund allemaal in een toegankelijke tekst.

Activistisch
De winnende tekst heeft niet zo zeer een wetenschappelijk ambitie, eerder een activistische en creatieve. De tekst toont een specifieke vorm van ontwerpend onderzoek.

In het onderwijs zijn de meningen over verschillende vormen van ontwerpend onderzoek zeer verdeeld.  Er wordt dan ook stevig gediscussieerd over de vraag wat onder ontwerpend onderzoek verstaan moet worden. Het is een zoekend discours. In vergelijking tot klassiek wetenschappelijke vakgebieden zijn er in design relatief weinig professoren en is er relatief weinig ontwerponderzoek. Slechts af en toe promoveert er een ontwerper.

De prangende vragen die ter tafel liggen zijn niet eenvoudig op te lossen. Is ontwerpend onderzoek een louter beschrijvende bezigheid, zoals designkritiek? Kan een ontwerp (een object, een product) het bewijs vormen in een onderzoek? Wat is het verschil tussen onderzoekend ontwerpen en ontwerpend onderzoeken? Moet ontwerponderzoek systematisch zijn, en zo ja: wat betekent dat voor het ontwerpen? Moet een ontwerpproces in een wetenschappelijke context herhaalbaar zijn? Betekent dat dat je ontwerpkwaliteit  kan afdwingen langs van te voren beschreven procedures? Het ligt voor de hand in een context als deze een oproep te doen voor meer wetenschappelijk ontwerponderzoek, maar ik zal dat niet doen.

De schrijvende ontwerper en de wetenschap
De schrijvende ontwerper, die door deze prijs gestimuleerd zou moeten worden, is niet per sé gebaat bij een wetenschappelijke context. De wortels van die opvatting gaan terug naar een wezensvraag over het ontwerpen zelf. Kan de ontwerpende discipline zich goed tot wetenschap verhouden? Is ontwerpen wetenschappelijk?

Mijn antwoord telt vier letters: Neen. Ik denk daarom dat we niet tegen elke prijs op zoek moeten gaan naar een wetenschappelijke erkenning of fundering van het vakgebied. Ik zie de beste ontwerpers in Europa van de academies komen, niet van de universiteiten. Ik zie op de technische en artistieke hogescholen een sneller reactievermogen op ontwikkelingen in het vakgebied dan op de universiteiten.

Zo is er op de recente verbreding van het vak in de richting van social-design, open-design, service-design en design-thinking vanuit de hogeschool adequaat en actief gereageerd. Managementscholen bieden design-thinking cursussen aan, diverse kunstacademies onderwijzen open design en social design. Het discours erover is aangevuurd door de scholen, niet door de universiteiten. Maar dat zijn allemaal nog géén argumenten tegen wetenschappelijkheid van het vak.

Op gespannen voet
De meeste ontwerpopleidingen aan universiteiten staan op gespannen voet met de wetenschappelijke aanspraak. Zelfs in de vakrichtingen van architectuur is deze discussie met regelmaat aan de orde.

In de kern van ontwerpen huist creativiteit, daar is iedereen het wel over eens. En juist die kern laat zich niet wetenschappelijk grijpen. Creativiteit is maar moeizaam bewijsbaar en vooral moeilijk herhaalbaar en afroepbaar te maken.

Creativiteit beschrijven lukt nog wel (neurobiologische eigenschap van een levend systeem aangaande de flexibiliteit van het hersens). Maar creativiteit veroorzaken, creatieve processen herhaalbaar maken, creativiteit sturen of vervangen gaat niet.

In elk geslaagd ontwerpproces huist een welhaast onlogisch en onvoorspelbaar onderdeel. Je kan in ontwerpen grote delen van het proces uitschrijven en formaliseren, maar een belangrijke vonk is ten principale onwetenschappelijk.

Ik weet dat ik mezelf niet populair maak met mijn opvatting, maar ik ben ervan overtuigd dat in de kern ontwerpen een onwetenschappelijk vak is. Het beroep deelt zijn wezen met artistieke disciplines, zoals beeldhouwen en schilderen en daarnaast met management, sociale vaardigheden, procesdisciplines en planning. Enkele flanken zijn dus wetenschappelijk te verankeren, maar de andere niet.

Hollandse export 
Terug naar de start. Wie aan Nederlandse exportproducten denkt, denkt aan kaas, marihuana en tulpen. Behalve die lekkernijen leveren we stervoetballers, designers en designcritici. Die designcritici zijn vereerd en gelukkig om betrokken te zijn in dit project, dat hen helpt na te denken over kwesties in het vakgebied.

Ik heb grote waardering voor de kalmte en de zorgvuldigheid van het Duitse debat, ook in de design. Ik ben blij daar deel van uit te mogen maken. Net als bij de voetballers worden designcritici beter als ze in een andere cultuur hun beroep uitoefenen. Omdat de nieuwe context iets anders van ze vraagt, en ze zich opnieuw moeten aanpassen en bewijzen. Daarom: Lang leve de Duitse designcultuur, lange leve de BF -Preis, Lang leve Moritz Grund en lang leve de Duitse debatcultuur.

Designing Designeducation at Miami/Basel

Leading design teachers Ron Arad and Daniel Charny, who have taught at the Royal College of Art in London and Jurgen Bey, from the Sandberg Institute in Amsterdam, winner of the BE OPEN Prize, came together today to discuss their approaches to education. The talk was moderated by former Professor of design and architecture schools in Berlin and Rotterdam, Lucas Verweij and hosted by BE OPEN as part of their collaboration with Design Miami/ Basel.

Verweij asked the panel to describe what they consider to be the perfect conditions for teaching. All agreed that the ‘studio culture’, ie the learning environment, is a key factor in the development of a student. Always controversial, Ron Arad said that his greatest task at the RCA was ‘unteaching’: “I said that I would be able to make perfectly employable people completely unemployable within two years,” he boasted. But his point was a serious one and picked up by the other candidates who agreed that the key is to empower students to follow their impulses and not to restrict creativity through prescriptive briefs: essentially, to BE OPEN to all the students’ ideas and to creative possibilities.
Daniel Charny said that it is essential to show design students that there are a number of ways of reaching their goals, raising their ambitions so that they keep pushing their ideas forward. Arad agreed and praised the BE OPEN Prize for supporting this way of thinking:”Rather than giving a lump of money to a student or institution, this prize will expose students to the ideas of inspirational experts, giving them the courage to be even more experimental.” Jurgen Bey added that whilst he was delighted that his school, the Sandberg Institute, had won the prize, he had also found it very interesting to see the many different approaches to education manifested in the schools’ presentations in the BE OPEN Installation.
be-open-day-2-005BE OPEN Inside the Academy in Basel has been conceived to draw attention to the importance of education today in nurturing the designers who will shape our world tomorrow. The Talk was organized to accompany BE OPEN Installation and Prize that invited a selection of top European design schools to present innovative design projects by outstanding students currently or recently enrolled. The universities exhibiting at the BE OPEN booth at the Fair are: Le Cambre, Belgium; Ecole cantonale d’art de Lausanne (ECAL), Switzerland; Hochschule Basel, Switzerland; Konstfack, Stockholm, Sweden; Sandberg Institute Amsterdam, The Netherlands and The Glasgow School of Art, UK.
A jury of international design luminaries reviewed the projects of the BE OPEN Inside the Academy Installation. The jurors selected Sandberg Institute to receive the Prize, which grants the winning institution the opportunity to select and host a series of distinguished guest lecturers to further its curriculum development.

Designing designeducation, interview written by Alasdair Thompson from Smowblog

As part of the festival DMY Berlin has hosted a one day workgroup looking at design education. It goes without saying that the fact that DMY Berlin has staged such an event is interesting. And so to learn a little more we caught up with project initiator Lucas Verweij, and started with the obvious question; how did the event arise?
Lucas Verweij: Design education is a booming business. In western Europe Masters degrees pop-up everywhere every day, while in India, China or Eastern Europe the number of Bachelor programmes is also exploding. Which means there is currently a global explosion in the number of design graduates, and I don’t think its a temporary explosion, rather the indications are that the numbers will continue to rise and rise. In 20 years probably everyone will study design!
And not only is the number of courses rising, but ever more subjects connect themselves with design, for example, communication studies, marketing, technical subjects, they have all started design departments or at least design courses, obviously in areas relevant to the main subject.



(smow)blog: And in your opinion what’s the driving force behind this explosion?
Verweij: On the one hand design is expanding. “Social Design”, “Open Design”, “Design Thinking” are terms which didn’t exist five or ten years ago, they are emerging fields. As society evolves and changes the fantastic thing with design is that design changes with it and explores what it can contribute to these new areas. For example, when print started declining graphic designers just switched to online design, almost as a natural, automatic movement. With designers the process is relatively quick. Architects are in contrast very static, can’t adapt so well to changes.
So on the one hand as society changes, design goes there. And then due to the popularity more and more students want to study design, education has become a business and so the majority of schools take as many students as they can facilitate.
(smow)blog: Is that not something one needs to control? Is there not a risk that we start selling the youth unachievable dreams, and that when they graduate there are too few jobs for them all?
Lucas Verweij: I don’t think there are necessarily fewer jobs.  I believe design is becoming more an attitude. Slowly design is moving away from being a craft to being a mentality. And so in 20 years we’ll all be designers because a huge part of society will adapt to new ways of thinking. Later comes the question in which craft or in which field are you active. I know designers, for example, who run restaurants or are business consultants and who apply their design training and design thinking to the new environments.

(smow)blog: In that sense is a design bachelor a good idea. Is it not better to study, for example, architecture or art, and then do a design masters?
Lucas Verweij: I’m a believer in design bachelors, but less so in design masters. I think the master is more of a problem. If we accept that design is a mentality, then that is better suited to a bachelor – before your mentality or ways of thinking become corrupted.
In a healthy design school you have to fight for your place, and not just during the initial entry process. I also think its healthy when students fall through modules or even fail to graduate. I think that’s a vital component for a school. But with the majority of masters degrees it is the case that if you pay, you get in, and once your in you graduate.
(smow)blog: When we speak to young designers, one thing we often hear is that they wish they had had more business education. Is that a problem. Is there too little business education in design schools?
Lucas Verweij: Yes, business should be taught more. I really like what they do at the KAOSPilots school in Aarhus, which is half business-half design. It’s much more entrepreneurial than a design school and there when you have a plan you also have to figure out how to realise and fund it. And then actually do it.
If design is becoming more a mentality then we need to encourage not only the free-thinking side but also the entrepreneurial side.
(smow)blog: This is the first Designing Design Education symposium. How does the future look, are you planning to make it a regular event?
Lucas Verweij: Mostly I don’t make long terms plans, but this time I have! Since the beginning the idea has been to make it an annual event. I’m not sure if that will be in Berlin or not, that is still open. As a concept it suits Berlin in many ways, and Berlin is currently a very interesting location for such an event. But it may be that we have or want to hold the next meeting somewhere else. But we will definitely continue, because for such a subject once is not enough.