All Posts in Category: Berlijn

Een beeld zegt mínder dan 100 woorden

De Braun-Feldweg Preis toont het beste van de Duitse designcultuur. Waar ter wereld schrijven designstudenten meer dan tienduizend woorden? Waar ter wereld is er de rust in de designcultuur om over teksten te spreken? Teksten te vergelijken en teksten te beoordelen? Het gaat hier trouwens niet om een typisch studentenprobleem. Voor designprofessionals geldt hetzelfde; ook zij schrijven niet graag. De hele beroepsgroep lijkt dyslexie te hebben. In geen ander vakgebied zijn zoveel ghostwriters en catalogusschrijvers te vinden als in de designwereld, want de designers zelf kunnen het niet. Op designscholen komt relatief veel dyslexie voor; ze hebben een aantrekkingskracht op mensen met een slecht gevoel voor taal.

In de contemporaine cultuur kunnen studenten zonder moeite duizenden beelden ophoesten, sorteren, bewerken en publiceren. Ook het laten zien van beelden aan een publiek of een docent lukt ze zonder veel moeite.

beeldende wapenwedloop
Is het u opgevallen dat er op designsymposiums een beeldende wapenwedloop gaande is? Vroeger lieten ontwerpers tijdens een voordracht zo’n twintig dia’s zien. Een ‘slede’ noemden we dat. Wie er nu 50 laat zien is geen uitzondering. Ik maak regelmatig mee dat  mensen meer dan 120 beelden laten zien, soms op twee schermen tegelijk. Als ik ze daar als moderator vooraf op aanspreek hoor ik steevast:  “Ja, maar ik kan het heel snel hoor.”

Alsof het kunst is om niet alleen een overdaad aan beeld over een publiek uit te storten, maar dat ook nog heel snel te kunnen. Stelt u zich een chef-kok voor, die u 30 gangen wil laten eten in twintig minuten met de aanbeveling: “Ik kan het heel snel opdienen hoor.”

Biologisch beeld
Naar vergelijking met de voedselindustrie zou er in de beeldcultuur “Neuland of bio-beeld” moeten zijn. Zorgvuldiger behandeld, met respect opgenomen en de rechten ervan zijn goed geregeld.

Met respect opgenomen betekend bijvoorbeeld: geen beelden van aanslagen en de daders van de aanslagen. Het is abject dat u en ik een beeld in ons hoofd hebben van het gezicht van een gruwelijke Noor die tientallen mensen om het leven heeft gebracht omdat hij zich miskent voelde. Het is nog erger dat u en ik zijn stropdas kennen die hij droeg tijdens het proces. Ik wil dat beeld niet kennen, maar ik kom daar onmogelijk onderuit.

In beeldcultuur bestaat namelijk geen bio-beeld en geen Fair Trade Beeld. Het enige dat voor kritische beeldconsumenten mogelijk is, zijn vormen van abstinentie. Geen televisie kijken, geen computerspellen spelen, geen magazines doorbladeren en geen kranten lezen. Misschien dat de stropdas van Breivik je dan bespaard blijft. Maar makkelijk is dat niet.

In beeldcultuur lijkt een volledige gelijkwaardigheid en democratie te heersen. Een onscherp snapshotje uit een telefoon kan het opnemen tegen een geënsceneerd beeld waar een week aan gewerkt. En een vakantiekiek is op het internet van dezelfde orde als een schilderij van Vermeer. Ook promoverende ontwerpers heb ik horen klagen dat ‘beelden niet als woorden tellen’ voor hun promotie. Wat zou hun voorstel zijn? Om een beeld voor tien woorden te tellen, zodat we met 4000 beelden kunnen promoveren?

Tekstcultuur 
Met teksten hebben we al die problemen niet, woorden zijn niet zo eenvoudig te produceren als beelden. En niet iedereen kan het ook zomaar. Als je meer dan duizend woorden schrijft, moet je je heel precies uiten. Dat betekent dat je een idee, een motivatie, een argumentatie én een opbouw moet maken. Het proces van schrijven vraagt doorzettingsvermogen, concentratie, creativiteit en als het even kan: humor.

Wie een tekst schrijft, laat zich in zijn hoofd kijken en de meeste designers vrezen dat. Want pas dan komt het gebrek aan visie, het gebrek aan motivatie, historische kennis en aan kritiek ten volle aan het licht.
Als je een volwassen tekst leest, tekenen de karaktereigenschappen en tekortkomingen van de schrijver zich haarfijn af. Is hij creatief, is hij zorgvuldig, slordig of moedig? Is hij of zij ijdel en heeft hij veel wetenschappelijke pretentie? Kan de schrijver hoofd- van bijzaken onderscheiden? Heeft hij taalgevoel en heel belangrijk: heeft hij gevoel voor humor?

Zo verhullend als beelden kunnen zijn, zo ontmaskerend zijn  woorden als ze gedrukt worden. Daarom moet ik nu ook snel ophouden, anders loop ik in de door mijzelf zorgvuldig beschreven val.

Het vermogen om te schrijven is dus (ook in de designwereld) een proeve van bekwaamheid. Een prijs is een goed instrument om aandacht te vragen voor teksten en om het schrijven in scholen te stimuleren.
Het stimuleren van schrijven (via een prijs) is belangrijk voor de precisie van ontwerpers, en voor het ontwerpvak.

In een designcultuur die steeds meer drijft op de overweldigende beeldencultuur is het van belang het vak te verdiepen. Daarnaast blijkt dat de schrijvende ontwerper, die Braun Feldweg zelf was, nog steeds bestaat. Creativiteit is niet iets wat zich alleen in beeldcultuur uit: het uit zich evenzo in tekst.

Plezier te lezen
De winnaar van dit jaar toont dat fantastisch aan: het is een plezier om zulk een verrassende gedachtengangen te volgen. Het is een ontwerpende tekst, er wordt een gedachte ontvouwd en er wordt tot actie overgegaan. Dat maakt deze tekst zo bijzonder: het is geen klassieke designkritiek, of designbespreking. Het is een activistische tekst over een persoonlijke ontwikkeling van de schrijver.

In de tekst van de prijswinnaar Moritz Grund volgen we de relatie die hij als jonge ontwerper heeft met zijn bezittingen, dingen, objecten, producten. De zorgvuldige beschrijving van die relatie is waardevol in een tijd van overconsumptie. Een zorgvuldige en liefdevolle relatie tussen product en gebruiker is sowieso de sleutel naar duurzaamheid. Die relatie wordt ook in zijn tekst gelegd.

Door zijn zelfopgelegde limiet om 100 producten te gebruiken stelt de schrijver de relatie tussen object en gebruiker op scherp. De schijnbaar bizarre therapie om met 100 spullen een normaal leven te leiden is waardevol én aantrekkelijk. Het past goed in een trend van ‘real life challenges‘. Je zou het zo tot een reality televisieformat om kunnen schrijven.

Als je met respect ieder ding -ieder object- benadert zal je automatisch niets kopen dat je niet nodig hebt. Niets kopen dat je na één keer gebruiken weer weggooit, zoals een wegwerpbeker of een cellulose zakdoek.

Je zal producten voor verschillende doeleinden gaan gebruiken. Je zal je bij alles afvragen of je een product écht nodig hebt en wat je er nog meer mee kunt. En wat je er mee kan als je het ondersteboven of achterstevoren gebruikt. Kortom: je zal jezelf dwingen om echt na te gaan of het product je leven verrijkt, of het iets wezenlijks gaat bijdragen aan je leven. Dat doet Grund allemaal in een toegankelijke tekst.

Activistisch
De winnende tekst heeft niet zo zeer een wetenschappelijk ambitie, eerder een activistische en creatieve. De tekst toont een specifieke vorm van ontwerpend onderzoek.

In het onderwijs zijn de meningen over verschillende vormen van ontwerpend onderzoek zeer verdeeld.  Er wordt dan ook stevig gediscussieerd over de vraag wat onder ontwerpend onderzoek verstaan moet worden. Het is een zoekend discours. In vergelijking tot klassiek wetenschappelijke vakgebieden zijn er in design relatief weinig professoren en is er relatief weinig ontwerponderzoek. Slechts af en toe promoveert er een ontwerper.

De prangende vragen die ter tafel liggen zijn niet eenvoudig op te lossen. Is ontwerpend onderzoek een louter beschrijvende bezigheid, zoals designkritiek? Kan een ontwerp (een object, een product) het bewijs vormen in een onderzoek? Wat is het verschil tussen onderzoekend ontwerpen en ontwerpend onderzoeken? Moet ontwerponderzoek systematisch zijn, en zo ja: wat betekent dat voor het ontwerpen? Moet een ontwerpproces in een wetenschappelijke context herhaalbaar zijn? Betekent dat dat je ontwerpkwaliteit  kan afdwingen langs van te voren beschreven procedures? Het ligt voor de hand in een context als deze een oproep te doen voor meer wetenschappelijk ontwerponderzoek, maar ik zal dat niet doen.

De schrijvende ontwerper en de wetenschap
De schrijvende ontwerper, die door deze prijs gestimuleerd zou moeten worden, is niet per sé gebaat bij een wetenschappelijke context. De wortels van die opvatting gaan terug naar een wezensvraag over het ontwerpen zelf. Kan de ontwerpende discipline zich goed tot wetenschap verhouden? Is ontwerpen wetenschappelijk?

Mijn antwoord telt vier letters: Neen. Ik denk daarom dat we niet tegen elke prijs op zoek moeten gaan naar een wetenschappelijke erkenning of fundering van het vakgebied. Ik zie de beste ontwerpers in Europa van de academies komen, niet van de universiteiten. Ik zie op de technische en artistieke hogescholen een sneller reactievermogen op ontwikkelingen in het vakgebied dan op de universiteiten.

Zo is er op de recente verbreding van het vak in de richting van social-design, open-design, service-design en design-thinking vanuit de hogeschool adequaat en actief gereageerd. Managementscholen bieden design-thinking cursussen aan, diverse kunstacademies onderwijzen open design en social design. Het discours erover is aangevuurd door de scholen, niet door de universiteiten. Maar dat zijn allemaal nog géén argumenten tegen wetenschappelijkheid van het vak.

Op gespannen voet
De meeste ontwerpopleidingen aan universiteiten staan op gespannen voet met de wetenschappelijke aanspraak. Zelfs in de vakrichtingen van architectuur is deze discussie met regelmaat aan de orde.

In de kern van ontwerpen huist creativiteit, daar is iedereen het wel over eens. En juist die kern laat zich niet wetenschappelijk grijpen. Creativiteit is maar moeizaam bewijsbaar en vooral moeilijk herhaalbaar en afroepbaar te maken.

Creativiteit beschrijven lukt nog wel (neurobiologische eigenschap van een levend systeem aangaande de flexibiliteit van het hersens). Maar creativiteit veroorzaken, creatieve processen herhaalbaar maken, creativiteit sturen of vervangen gaat niet.

In elk geslaagd ontwerpproces huist een welhaast onlogisch en onvoorspelbaar onderdeel. Je kan in ontwerpen grote delen van het proces uitschrijven en formaliseren, maar een belangrijke vonk is ten principale onwetenschappelijk.

Ik weet dat ik mezelf niet populair maak met mijn opvatting, maar ik ben ervan overtuigd dat in de kern ontwerpen een onwetenschappelijk vak is. Het beroep deelt zijn wezen met artistieke disciplines, zoals beeldhouwen en schilderen en daarnaast met management, sociale vaardigheden, procesdisciplines en planning. Enkele flanken zijn dus wetenschappelijk te verankeren, maar de andere niet.

Hollandse export 
Terug naar de start. Wie aan Nederlandse exportproducten denkt, denkt aan kaas, marihuana en tulpen. Behalve die lekkernijen leveren we stervoetballers, designers en designcritici. Die designcritici zijn vereerd en gelukkig om betrokken te zijn in dit project, dat hen helpt na te denken over kwesties in het vakgebied.

Ik heb grote waardering voor de kalmte en de zorgvuldigheid van het Duitse debat, ook in de design. Ik ben blij daar deel van uit te mogen maken. Net als bij de voetballers worden designcritici beter als ze in een andere cultuur hun beroep uitoefenen. Omdat de nieuwe context iets anders van ze vraagt, en ze zich opnieuw moeten aanpassen en bewijzen. Daarom: Lang leve de Duitse designcultuur, lange leve de BF -Preis, Lang leve Moritz Grund en lang leve de Duitse debatcultuur.

Nederland heeft geen hoofdstad

Toen mij in de 4e klas de Hoofdstad uitgelegd werd, wilde ik er wonen. Ik zag de naam ervan op een landkaart in vette kapitalen en onderstreept geschreven werd. AMSTERDAM. De plaatsaanduiding was een ster in plaats van een kleine zwarte cirkel. Ik wist meteen: daar moet ik bij zijn. Als het leven er niet beter zou zijn, dan was het er in zeker betekenisvoller. Ik woonde toen slechts in een open zwart puntje. 


Ik deelde de obsessie met mijn vader, want of ik nou in Roermond, Utrecht of Rotterdam woonde, hij nam me regelmatig mee naar de hoofdstad. ‘Daar gebeurt het allemaal’, zei hij zonder twijfel. Op de hoofdstadtrips belandden we in het Stedelijk Museum, de Rosse buurt of het Olympisch Stadion. We aten in Surinaamse restaurants en dronken in ‘Koekebier’ met mannen die over Mokum spraken. Allemaal dingen die je in Roermond niet had. Misschien is het zijn liefde die er voor zorgde dat mijn broer er al een kwart eeuw woont. Ik sleet er uiteindelijk maar een paar jaar als bewoner en forens. Nu ben ik een andere hoofdstad aangekomen: Berlijn. Maar in mijn hoofdstadromantiek is iets geknakt: Noch Berlijn noch Amsterdam zijn eigenlijk echte hoofdsteden. 

Nederland
Het grootste defect van de hoofdstad is dat de regering er niet zetelt. De uitgeplaatste regering is een rariteit die verder alleen in Bolivia en Maleisië  voorkomt. Op sommige kaarten van Nederland zijn dan ook twee hoofdsteden getekend: Den Haag én Amsterdam. Maar er knaagt meer: de stad is ook geen provinciehoofdstad en heeft dus geen enkele bovenlokale macht aan boord. Men kan er nauwelijks iets bestemmen dat voorbij de gemeentegrenzen gaat.

Er zijn in Amsterdam talrijke consulaten maar geen ambassades. Met alle respect, maar consulaten zitten tegenwoordig ook in Zwolle en in mijn geboortedorp St-Michielsgestel. Het is nou eenmaal praktisch als Roemeense aspergestekers niet helemaal naar den haag hoeven. En dus kunnen ze sinds kort ook in St. Michielsgestel terecht. Ook de houding van het koningshuis ten opzichte van de hoofdstad is halfslachtig. Beatrix ontvangt regelmatig gasten in haar Paleis op de Dam en de staatsbezoeken worden er voor een belangrijk deel afgewikkeld. En ook al trouwde zoonlief er, de familie woont er niet. Het lijkt erop alsof de van Oranjes Amsterdam ‘leuk’ vinden (zoals veel mensen) maar ze committeren zich niet aan de hoofdstad. Dat deed Juliana al niet, en dat gaat Willem de Vierde ook niet doen. “Geen lekkere stad om met een gezinnetje te leven”, zie je hem denken.

Daarnaast heeft Amsterdam geen internationale politieke organisaties in huis, zoals Europol, Strafhof, NAVO. Het heeft noch een diplomatiek, noch een ambtelijk apparaat, noch een hofhouding, noch een grote mediasector. Op de spoorkaart is Amsterdam niet belangrijker hoofdstad Utrecht en economisch is het maar de vraag of er inmiddels meer verdiend wordt dan in de havenstad Rotterdam. Kortom een gemankeerde, vooral culturele hoofdstad.

Als ik nu door Berlijn fiets zie ik soms de smakelijke details van een hoofdstad: grote, donkere BMW’s, op diplomatiek kenteken die, onder politiebewaking, te hard rijden. Onverklaarbare, tijdelijke wegversperringen met gewapende politie of douane personeel in speciale kleding. Demonstraties van protestbewegingen waarvan je het bestaan niet wist. In een echte hoofdstad voel je een politiek belang dat de regio ver overstijgt. In Pankow wordt verbouwd aan de ambassade van Kazachstan, die er al zat ten tijde van de DDR. Er is een Lidl om de hoek. 

Duitsland
Door het halfslachtige besluit (met 51% meerderheid) om Berlijn hoofdstad te maken en vijf ministeries in Bonn te achter te laten is pijnlijk gebleken dat een stad naar hoofdstad moet groeien. De politiek kan het wel aanwijzen, maar hoofdstadvorming kost decennia. In de speculatiegolf na de Hauptstadtwahl zijn miljarden euro’s verdampt. Er gebeurde eigenlijk helemaal niets, terwijl iedereen dacht dat stad zou gaan gieren. Maar na 20 jaar groeit Berlijn gestaag in zijn hoofdstadrol. In het najaar wordt er weer een ministerie verhuisd. Weer tienduizenden ambtenaren erbij, weer een wijk (Chaussestrasse) op z’n kop. Ook komen er steeds meer lobbyclubs naar de stad. En de betekenis van de stad neemt toe met elke lobbyclub, elke galerie, elk ministerie en elke groot sportevenement. In München en Düsseldorf is het telkens weer een onderwerp op kunstborrels: de leegloop richting Berlijn.

Als Frankrijk, Albanië of Belarus het songfestival wint, weten we zeker van waaruit het jaar daarna opgestraald zal worden. Vanuit hun onomstotelijke hoofdsteden Parijs, Tirana en Minsk. De trotse symbolen van de Natie. Maar als hetzelfde Nederland of Duitsland overkomt, blijft het gissen. De laatste keer dat het gebeurde werden het in elk geval niet hun ‘hoofdsteden’. Ik vrees dat ik nog steeds nooit in een stad heb gewoond die terecht onderstreept is en in kapitalen geschreven is Misschien moet ik terug naar ST.MICHIELSGESTEL

Entertainment 2.0: de Kastanienallee in Berlijn

Ik woon sinds drie jaar in de Kastanienallee, Prenzlauerberg, Berlijn. Door de straat gaan trams, autoverkeer en het is de meest befietste straat van de stad. Op het gedeelde baanvak wordt ook geparkeerd. Op acht meter brede trottoirs staan kastanjebomen (verklaring voor de straatnaam). En toch is er niet voldoende ruimte: de toeristenstroom maakt het moeilijk je als buurtbewoner de straat toe te eigenen. Daarom gaan we dus binnenkort verhuizen.

De Kastanienallee heeft nichetoerisme: voorgesorteerd publiek, dat er door internetadviezen gekomen is. De modale bezoeker is een 35-jarige, modebewuste vrouw uit een welvarend westers land. Ze is niet rijk. Ze is met drie vriendinnen of haar vriend op stap. Ze is eigenzinnig in haar modieuze keuzes. Ze draagt geen kleding uit de grote standaardwinkels.

Daardoor zie ik veel korte pony’s, korte broeken en korte jurken over leggings, hoedjes, laarzen en broeken met nauwsluitende pijpen. Weinig spijkerbroeken, weinig merkkleding en weinig pakken. Het is een modieuze parade. De bijnaam van de straat is: Casting-allee. Het zicht op paraderende, opperbest en vooral hip geklede meiden doet denken aan een acteurscasting voor een film.

Reisgidsen
Wonen in de Kastanienallee heeft me veel geleerd over nichetoerisme en het nieuwe entertainment. De straat is beroemd en staat daarom in elke reisgids vermeld.

Zomaar een verhaal van een ‘onlineverklikker’: ‘If you’re bored with more conventional clothing brands, on Kastanienallee you can find some unique pieces of clothing with a reasonable price. This place is a must.’

De straat wordt dus aangeprezen om het ontbreken van ‘grote merken’ en inderdaad is de schaal van de middenstand klein. Er zijn verschillende winkeltjes op een paar vierkante meter met de meest uitlopende, vaak trendy hebbedingen. Daarnaast zijn er twee kraakpanden, waarvan er één in koeienletters op de gevel heeft staan: ‘Totalismus tötet, zerstört & normiert’. Op het antikapitalistische terrein worden cursussen gegeven in jongleren, dansen, mediteren en er is een kleine cultbioscoop.

Toeristische attractie
De straat heeft haar wortels in de kraakscene en de kleinschalige bedrijvigheid, maar is inmiddels een toeristische attractie geworden. Dat leidde tot opmerkelijke nieuwe allianties bij recent protest tegen de ombouw van de straat. De politiek wil een vrijliggend fietspad realiseren en daarvoor moeten de stoepen smaller. Winkeliers, horeca en omwonenden zijn daar op tegen. De horeca-uitbaters hebben daarom gebroederlijk met de krakers en professionele protestanten (uit Kreuzberg) wekenlang elke zaterdag ‘gedemonstreerd’ in de straat.

Een demonstratie in de Kastanienallee lijkt echter op een straatfeest. Verkeer wordt lamgelegd, er is een podium, er spelen bandjes (of goedkoper: spontane karaoke). Er is drankverkoop op volle terrassen en falafelverkopers draaien overuren.

Ook is er politie op de been, hun blauwe busjes met gepantserd glas staan al klaar voor de onruststokers. Want het moet natuurlijk wel een echte demonstratie zijn en blijven. De geschiedenis heeft immers geleerd dat het in Berlijn altijd uit de hand kán lopen.

Entertainmentstad
Inmiddels is protest, actie en verzet een wezenlijk onderdeel geworden van de entertainmentstad. Echt buurtengagement, met mensen die de straat opgaan, zich roeren en zich verzetten, is ook aantrekkelijk voor bezoekers. Of het nou een buurtbarbecue of een massademonstratie is, toeristen, middenstand én bewoners vinden het leuk. Niet alleen hier.

Iedereen was dan ook tevreden met de handtekeningenactie op de ‘Tag des Zorns’ (dag van de woede). De Tagesspiegel schreef echter fijntjes op: ‘Statt Zorn soll es nun vor allem Konzerte geben.’ De krant heeft in de gaten dat we hier op de grens van buurtfeest en actie zitten.

Voorganger van onze actie is trouwens de eigenaresse van het hippe café Schwarz Sauer. Het tijdschrift Prinz schrijft over haar bar: ‘Überprüfe den eigenen Style im Schwarz Sauer, denn im Szenetreffpunkt gibt es nur ein Mantra: Sehen und Gesehen werden.’

Is het toeval dat de puik geklede uitbaatster van dé coolste kroeg uit hip Prenzlauerberg de voorvrouw is van een ‘politieke actiegroep’? Nee, politiek verzet en activisme zijn inmiddels versmolten met entertainment; het is weer cool.

Ouderwets
Daarom zijn de oude concepten voor entertainmentgebieden zoals het terrein rondom de Arena in Amsterdam-Zuidoost (en hier O2-World) verouderd. Het zijn brave, voorgeprogrammeerde en gescripte vormen van entertainment, zonder echte betrokkenheid.

Met grote merken, flagshipstores en merken in hun nadagen op smooth functionerende podia. Led Zeppelin in de Heineken Music Hall: alles precies fout. Als maaltijd is er keus uit Burger King en steak bij Friday’s, terwijl de voetbalploeg (een bij elkaar gekochte boel) tegen een andere bij elkaar gekochte boel speelt. Dat was de entertainmentstad van de jaren negentig.

Entertainment impliceert uiteindelijk betrokkenheid, engagement. In welke vorm dan ook: de Kastanienallee heeft me daarvan een voorbode laten zien.

Berlijn is de enige crisisvrije stad in Europa

Ik ga u het best bewaarde geheim over de crisis verklappen. Berlijn is de enige plek in de westerse wereld waar de crisis geen enkel effect op heeft.
Eerst de feiten:
Architecten hebben meer werk dan ooit tevoren, er wordt veel gerenoveerd én nieuw ontwikkeld. Er wordt meer vast dan ooit te voren, het koopaandeel (15%) van de huizenmarkt groeit. Grotere braakliggende stukken grond (grens & industriegebied), worden nu pas ontwikkeld omdat het eigendomsrecht trager dan verwacht opgehelderd.
Er is een recordaantal hotelovernachtingen geboekt in 2011 (20 miljoen). Er zijn veel Internet-startups omdat hier betaalbare bedrijfruimte en creatieve arbeidskrachten zijn. De congresmarkt groeit, ook omdat er veel goedkope hotelbedden zijn en verblijf er goedkoop is. Er is een grote muziek- en partyscene en er is een grote trek van galleries en ambtenaren naar de stad.
 
Hoofdstadsvorming
Veel van de groei komt voort uit de hoofdstadsvorming. Vlak na de Haubtstadtwahl is er gefeest en gespeculeerd. Maar er bleek  te vroeg gejuicht, het proces van hoofdstadvorming is traag. Na twintig jaar staat nog een ministerie in de steigers, is een aantal nog niet verhuisd en moet nog bediscussieerd waar het Song Festival landt. Maar op cultureel, internationaal en diplomatiek niveau is Berlijn wél de onomstotelijke hoofdstad geworden.
Crisis
Berlijn heeft zijn crisis al gehad. 20 Jaar voordat Lehman-Brothers omviel, viel er hier een muur om. De huizenprijzen zijn al twee keer gestegen en weer gezakt. Het geloof in een “Aufschwung des Ostens” is een sprookje uit het verleden. Na de Wende kwamen de projectontwikkelaars in bosjes. Ze waren allemaal even snel weer weg want hier viel niets te verdienen. Er was geen economie, de bewoners waren arm en onzeker over hun toekomst. De helft van hen was teleurgesteld, arbeidsongeschikt, gepensioneerd. Daar voorkoop je vrijstaande kaveltjes noch verzorgingsflats aan.
Bovendien was de stad arm en slecht georganiseerd, In Oost moesten ambtenaren een wet handhaven die ze niet begrepen. Het eigendom van vastgoed was onduidelijk en er is geen verjaringstermijn voor claims afgesproken. Onteigeningen duurden lang en de bevolking kwam in opstand voor elk kwartje huuropslag, ze zijn tenslotte arm en actiebereid. Het oude Ossie-apparaat in de omliggende gemeentes kond de stroom nieuwbouwplannen (ondanks hulp van Wessies) niet aan.
Ambities
Ook de ambities van de stad zijn al lang geleden bijgesteld. De gewenste groei naar 5 miljoen inwoners is nooit gehaald. Het bewonersaantal is stabiel op tweederde daarvan. Gelukkig zijn de Olympische spelen nooit toegewezen. Iedereen kan nu hartelijk lachen om de zelfoverschatting uit het 2000-bidbook. Het verraadt een naïef vertrouwen dat Berlijn snel een normale Duitse stad zou worden. Die normale stad is Berlijn nooit geworden en was het in de koude oorlog al niet. Het waren twee steden die beide een meer politiek dan een economisch belang hadden, twee onwerkelijke steden. In veel opzichten is dat nog steeds steeds zo: eerst onttrok Berlijn zich aan economische processen doordat het politiek in leven werd gehouden en nu onttrekt het zich nog steeds aan de economische realiteit van alledag. Ook al staat in de krant “Duitsland heeft de hoogste economische groei in Europa,  herstelt het snelst van de crisis”. Dat is niet waarom de crisis geen vat heeft op Berlijn. Dat gaat namelijk over Duitsland, dit over Berlijn.

Keine Blase
Toen ik bij een echte Berlijner informeerde naar de crisis zij hij: “wir haben hier ständig Krise”. Het zijn vooral oude Berlijners die niet kunnen geloven dat het de stad inmiddels beter gaat. Ze zijn gaan geloven dat Berlijn tot permanente crisis veroordeeld is. Ondertussen kopen Denen en Fransen het vastgoed, gentrificeren grote delen van Oost Berlijn en is er een middenklasse ontstaan uit de creatieve marginaliteit. De Berliner Zeitung schreef over de bankencrisis in relatie tot Berlijn: “Wo es keine Blase gibt, kann sie auch nicht platzen.” 

Pleidooi voor traagheid

Het zal met mijn leeftijd te maken hebben maar ik houd steeds meer van traagheid. Traagheid is voor mij gaan leven na mijn emigratie. In Duitsland zijn veel processen namelijk trager dan Nederland.

Organisaties worden hier minder snel gereorganiseerd, waardoor instituties langer blijven zoals ze altijd waren. Zo heb je hier nog een ziekenfonds, gaan kinderen met 6 naar school en is zwembad- en schoolpersoneel ambtenaar.

Niet verhuizen
Door minder te veranderen zitten scholen, gemeentelijke diensten en sociale voorzieningen vaker in gebouwen waar ze al vijftig jaar of langer gehuisvest zijn.
Als ik voor een kinderbijslagaanvraag in de rij moet zitten, zit ik meestal niet in een ‘pas ontworpen, nieuwe stijl wachtkamer’, maar in gangen waar al generaties zich ergerden aan de bureaucratie.

De diensters hebben geen nieuw ontworpen, vriendelijkheid uitstralend tenue aan, maar een klof, dat al te lang mee gaat en gebruikssporen draagt. Zo is mijn deelgemeente gehuisvest in een gebouw dat daar een eeuw geleden voor ontworpen werd. (zie foto)

In de organisaties is de situatie net zo: Het  Duitse mediatoezicht geschiedt regionaal via gremia. Ook al is er een internetrevolutie en commerciële televisie, het gebeurt nog net zoals na de oorlog besloten werd. Centrale macht in de media mag nooit meer voorkomen. 

Ik interviewde onlangs een toezichtvoorzitster en vroeg: “Het systeem loopt toch hopeloos achter, u mist allerlei kansen. Moet dat niet heel snel veranderd?” Zij antwoordde heel kalm: “Over sommige veranderingen moet je gewoon veel tijd laten gaan, dat is beter voor het eindresultaat.” 

Opzettelijk traag
Ik was met stomheid geslagen. Ze schaamde zich niet voor traagheid, ze pleitte er zelfs voor. Daarmee deed ze iets dat ik in Nederland nog nooit heb meegemaakt: pleiten voor traagheid en stroperigheid. “Laten we het kalm aan doen, en er wat tijd overheen laten gaan”.


Ook in het genootschap waar ik penningmeester ben, heb ik soms moeite me te beheersen. We beslissen er namelijk volgens het (in Duitsland populaire) Konsensusmodell: alleen als niemand tegen een verandering is, gaat het door. Een veranderingsvoorstel wordt aangepast tot iedereen zich er in kan vinden. Er wordt nooit met alleen een meerderheid besloten. 

Veranderingen hebben daardoor veel draagvlak, maar per saldo betekent het: traagheid. Als je iets radicaals wilt, moet je het in stappen doen, en steeds iedereen meekrijgen. Maar het is juist die traagheid die zekerheid geeft, die routines creëert en die tradities laat ontstaan. Traagheid is spiritueler en meer in lijn met het leven. Traagheid maakt je minder zelfgecentreerd. Traagheid laat een rituele kracht ontstaan.

Ruimtelijke ordening te snel
Waarom schrijf ik dat hier op? Ruimtelijke ordening was ooit een trage discipline, maar zij is te snel geworden. De laatste 20 jaar hebben we ons laten meeslepen in gekkigheid die allerlei snelle jongens verzonnen.

De Vinex is te snel gebouwd en daarom is ze nu gedateerd. Almere is te snel opgepompt en daarom is ze nu lelijk en onaf.  IJburg is te snel ontwikkeld, daarom moest het 20 keer aangepast en valt het nu tegen. Stadshavens is te snel geïnstalleerd en daarom is het nu weer ontmanteld. En dan heb ik het niet over het Weena, de Bijlmermeer, de Zuidas en vele andere vormen van opgewonden stedenbouw.

Een nevenproduct van traagheid in planning is dat tijdens de wachttijd -de tussentijd- een bijzondere conditie ontstaat. Je hebt dan de zekerheid dat er nog een tijdje niets gaat gebeuren. In die tijdsruimte ontstaat Zwischenennutzung, kraken en allerlei vormen van tijdelijk en geïmproviseerd gebruik. Met traagheid komt automatisch improvisatieruimte los. 

Berlijn

Kijk wat er in Berlijn gebeurt in gebieden en panden die door traagheid 20 jaar braak hebben gelegen of leeg stonden. Van tijdelijke kunsthal tot Zwischennutzungs-theaters en van kunstkraakcentra tot kinderopvangplekken. Het vond z’n plek in of op wachtend vastgoed.

Toegegeven: heel soms moet je in dit vak snel handelen, zoals bij de HSL of de vuurwerkramp. De opgave is dan ook anders: je weet wat je te doen staat. Op dat moment is haast geboden, maar meestal is dat niet het geval.

Hoe zou IJburg eruit hebben gezien als het volgens Konsensusmodell ontwikkeld zou zijn? Er zouden misschien minder woningen hebben gestaan. Er zou zeker minder zijn verdiend. Ik laat dat nu buiten beschouwing, maat alle haast in de ruimtelijk ordening werd de laatste decennia gedreven door geld. Het vak Ruimtelijke Ordening moet weer terug naar waar het zijn roots heeft: in traagheid.


Minder hard werken
Ik roep u daarom allen op weer eens wat minder hard te werken, minder te veranderen, minder te initiëren, minder te willen bewegen. Minder te willen verdienen en minder een punt te willen zetten.
Wees traag.