Net niet mee gewonnen op een Ruimtelijke ordenings schrijverswedstrijd in ’94 

De belangrijkste gebeurtenis in mijn leven was de verhuizing van ons gezin van Regio Noord naar Randstad. Het was in februari 2010, twee dagen nadat ik zeven geworden was. Het was een begrijpelijk besluit van mijn ouders, na de eeuwwisseling was regio Noord tot landbouwzone verklaard en daardoor had mijn vader er als software-deskundige niets meer te zoeken. Toen begreep ik dat allemaal niet, ik wist alleen dat ik al mijn vriendjes moest verlaten en vond dat vreselijk.

Voor kinderen was Noord een paradijs, in de verlaten dorpen stonden leegstaande woningen en kantoren waar ik vuurtje stookte en verstoppertje speelde. We hadden een club en ontmoetten elkaar in de suikerfabriek, ons hoofdkwartier. Daar werd besloten, of liever gezegd, daar besloot Karel wat we die dag gingen doen. Meestal gingen we naar de akkers in het zuiden.
Daar waren grote rechthoekige landbouwpercelen van afwisselend 64, 32 en 16 hectare van één gewas. Er liep een wegenstelsel doorheen, waarvan de plattegrond deed denken aan een oregami; een schijnbaar regelmatige structuur die maar op één manier in elkaar past. Het was ontworpen door een wiskundige, meen ik. Toen het aangelegd was deelde de gemeente aan iedereen geplastificeerde plattegrondjes uit, zodat de bevolking niet zou verdwalen. Ik moest zo’n kaartje van mijn moeder altijd bij me dragen.
Met Wim Houting en Karel van End klom ik vaak over de hekken van de akkers heen We vonden dat spannend omdat we niet gezien mochten worden door de beveiligingscamera’s. De bewaking van de akkers was uit handen gegeven aan particuliere bedrijven en als die je te pakken kregen waren ze heel vervelend. Nu zou ik niet meer accepteren wat zij toen allemaal zeiden, maar kinderen 6 kennnen hun burgerrechten nog niet zo goed.
De aardappelrooimaschines waren favoriet om stiekem te bespringen, zij hadden een mooi tempo en bovenop was een plekje waar je kon zitten wat nog stamde uit de tijd dat ze bemand waren. Als je uiteindelijk dan op de, met zwart kunststof beklede stoel zat terwijl je traag over het eindeloze aardappelveld heen bewoog zag je in de verte een haast gesloopte stad en voelde je je he
el belangrijk.
    De verhuizing veranderde niet alleen mijn woonomgeving drastisch, de dag zelf zal ik ook nooit meer vergeten. Ik zat alleen met mijn moeder in haar auto, een heel oud skodaatje uit ’98. Omdat we met een imperiaal niet op de hoge snelheidswegen mochten, zou de rit een halve dag gaan duren. Toen we helemaal gepakt en gezakt waren bleken de sleutels van de auto, Skoda had dat toen nog, achter in de verhuisauto te zitten. Ons vertrek werd daardoor nog meer uitgesteld. Een vriend van mijn vader heeft toen met een ijzerdraadje de auto aan de praat gekregen en zo vertrokken mijn moeder en ik voor een helse rit naar Randstad.
De rit was niet alleen spannend omdat ik me geen voorstelling kon maken van het gebied waar we kwamen te wonen maar ook omdat de auto niet af mocht slaan, er zat immers geen contactsleutel op het slot. Tijdens de rit vertelde mijn moeder over Randstad waarbij ze bij elk stoplicht haar relaas onderbrak om naar de motor te luisteren. Heel langzaam en duidelijk zette ze eerst de geschiedenis van het gebied uiteen. Met open mond hoorde ik het verhaal aan over de 12 steden die ooit allemaal om een groene cirkel heen stonden. En dat je daardoor, als je met de trein van de haven naar de diplomatenwijk reisde, al in twee verschillende gemeenten was, je moest zelfs overstappen in weer een derde. Het meerstedensysteem had het loodje gelegd tijdens de herverkavelingspolitiek van de eeuwwisseling, en ik wist dus niet beter dan dat Randstad de stedelijke zone van Nederland was, honderd kilometer onophoudelijk stad.
Onze flat in Zuid 3-d was op de 7e etage, het uitzicht was vooral ’s avonds zo indrukwekkend dat we de eerste week geen televisie gekeken hebben. Na het eten ging ik met mijn broertje voor het raam zitten en wachtten we totdat het donker werd. Ik speelde met mijn nieuwe buurjongetjes, Abdelli en Morgan. Omdat zij in de Randstad geboren en getogen waren vonden ze mij een boer. Mijn taalgebruik was veel Hollandser dan dat van hun. Zij gebruikten veel woorden die ik wel kende van de radio, maar die wij in het Noorden niet gebruikten. Ik paste me snel aan en begroette na twee weken ook met ‘Hallo alekoum’ en ‘Ham dilillah’.
Met Abdelli ging ik vaak naar een stuk kaalslag achter de Albert Heijn. Als we vanuit onze straat er heen liepen staken we dwars de snelweg over, die op dat punt 12 banen breed was. Vooral in het midden, moesten we goed opletten, op het hoge snelheidsspoor werd vreselijk hard gereden. Soms keken we een hele middag alleen maar naar de auto’s op de middenbaan. De Mercedessen, Audi’s en BMW’s hadden toen net het linksysteem, waardoor niemand hoefde te sturen en ze onmogelijk een botsing konden krijgen. Wij fantaseerden dan met tweëen over hoe onze auto er later uit zou zien.
Op ‘het lege landje’, zo noemden wij het, had ooit een kinderdagverblijf gestaan wat door de ontvolking was gesloopt. Nu werd het gebied, een half voetbalveld groot, nergens meer voor gebruikt. Er stonden geparkeerde auto’s, veel pallets en er woonden een paar zwervers in zelfgebouwde woningen. Abdelli praatte Arabisch met de één van de mannen terwijl ik me stond me te vervelen. Meestal gingen we er hutten bouwen, als zo’n hut dan later door iemand bewoond werd waren we trots. Het was als muizenvallen zetten, we probeerden het zo aanlokkelijk mogelijk te maken om iemand iets tragisch te laten overkomen.
Abdelli werd mijn beste maatje, we deden alles samen, het was een pure en naïeve jongensvriendschap. Toen het weer februari werd, een jaar na de verhuizing dus, mocht ik voor mijn achtste verjaardag zeggen wat we die dag zouden gaan doen. Na een week te hebben getwijfeld tussen naar zee gaan of een boswandeling koos ik voor het laatste, op voorwaarde dat Abdelli mee mocht.
Ik zal het nooit vergeten, het was hartje winter en we reden met de verlengde bestelauto van mijn vader naar Midden 2. We kwamen eerst langs het Randstadkanaal en een aantal industriegebieden waar we altijd probeerde onze adem zo lang mogelijk in te houden, aangemoedigd door de grijze rook die uit de schoorstenen kwam. De bosstrook was half zo groot als de Randstad, mijn moeder en mijn vader zeiden er nog ‘Veluwe’ tegen. Toen we er aankwamen parkeerden we op een groot stuk asfalt waar geüniformeerde mannen je een plek toewezen. De trein stopte ook midden op dat stuk asfalt. Mijn moeder kocht kaartjes voor de wandelafdeling, Abdelli en ik mochten ze vasthouden. Ik had liever naar het All-Terran-deel gewild, waar iedereen op mountain-bikes over hindernissen heen reed maar zoveel fietsen konden niet in onze auto. Toen we binnen waren voelde Abdelli zich meteen al niet op zijn gemak, later begon hij zelfs te huilen. Mijn moeder heeft toen met hem gepraat terwijl ik niet begreep wat er aan de hand was. Ik vond het wel heel erg, uitgerekend op mijn verjaardag was hij van streek. Pas jaren later hoorde ik dat hij was geschrokken van het bos omdat hij het alleen van televisie kende.