de Designbubble, design kan haar beloften niet meer waarmaken.

20 jaar geleden wist niemand wat design was of wat je eraan had. Op het vasteland van Europa werd het woord nauwelijks gebruikt want wij gebruikten de termen ‘ontwerpen’ of ‘vormgeven’. Op het diploma van mijn opleiding staat dan ook nergens design, terwijl diezelfde school inmiddels “Design Academy” heet.

Bijvoeglijk naamwoord
Design was destijds verbonden aan een stylistische opvatting. Allessi produceerde design koffiepotten en Dieter Rams maakte design voor Braun. Design duidde op intensief en meestal modernistisch vormgegeven producten die je in museumwinkels kocht. Cultureel gezegende vormgeving dus. Design was toen nog een bijvoeglijk naamwoord, geen werkwoord.
In de Angel-sakische wereld daarentegen was design een verzamelnaam voor verschillende ontwerpende disciplines. Die opvatting heeft een effectieve zegetocht gemaakt want inmiddels doen wij in Europa precies hetzelfde. Alle ontwerpende disciplines verenigen zich onder de koepel van design. Alles is design geworden en design is overal.

rams


Niet alleen taal 
Behalve die semantische overwinning, is het vakgebied dermate populair dat het andere disciplines in zich opneemt en absorbeert. Design is niet meer alleen interieur, grafisch, en productontwerp maar ook social, interaction-, interface-, game- en fooddesign. En design groeit nog door: delen van geëngageerde- en publieke ruimtekunst worden geïncorporeerd door design. Voor delen van de architectuur, landschaps- en interieur–architectuur geld hetzelfde: het wordt langzaam maar zeker vermarkt onder de allesomvattende titel design.
In discussies in het beroepsveld worden de overeenkomsten opeens meer benadrukt dan de verschillen, terwijl ze het vroeger niet eens konden worden of het nou vormgeven of ontwerpen moest heten.
En dan zijn er nog ‘Design Thinking’ en ‘Service design’. Bij deze disciplines kan het eindresultaat een dienst, een mentaliteit of een procedure zijn. Daarmee komt design dus ook in het veld van distributie, retail en organisatie. Niets blijft onaangeraakt: alles is design geworden en design is overal.

Rugwind 
Het beroepsveld is getransformeerd van een patchwork van disciplines naar een gemoedelijke eenheid. Dat gaat goed omdat het design goed gaat. Boeken en tijdschriften over design verkopen,  Blogs en sites over design hebben veel bezoekers en veel reclame inkomsten. De meeste designproducten en -diensten verkopen goed en de economische crisis heeft de design veel minder hard getroffen dan de architectuur.
In design zit nog steeds groei, het gaat allianties aan met innovatieve technieken en productiemethoden, met nieuwe werkwerkwijzen en inzichten. Design is goed aangesloten op de groeiende interneteconomie. De startup-scene heeft korte lijnen met de designwereld en maakt er deel van uit via app-ontwikkeling, interface en interaction design. Design is nauw verbonden met de veranderende wereld, het zit er middenin. Dat maakt design een aantrekkelijk en kansrijk speelveld.

Vertrouwen van het publiek
Bovendien heeft het publiek vertrouwen in designers, vergelijkbaar met het vertrouwen dat men vroeger in architecten had. Een architect kon iets oplossen, vooruitzien, was visionair en creatief en architecten waren toonaangevend in smaakkwesties. Architectuur gaf gestalte aan het naoorlogse discours. Vragen over machtsverdeling, woonvormen, de inrichting van de samenleving werden door architecten van een vorm voorzien. Architectuur zat midden in de veranderende wereld.
De vergelijking met design ligt voor de hand: Veel maatschappelijke vragen komen nu bij design terecht. Veel tools voor de individualisering en de globalisering zitten nu in het domein van design. Veel van de positieve connotaties over architectuur zijn op design overgesprongen. Designers kunnen iets oplossen, zijn visionair, creatief en gaan voorop in smaakkwesties. Design heeft deze eeuw de rugwind, hetgeen de toeloop en de groei verklaart.

Creativiteit en innovatie
Een belangrijke pijler van design is creativiteit. Creativiteit was nog nooit zo positief beladen als nu. In mijn jeugd was het ‘leuk’ als iemand creatief was, maar meer ook niet. Creativiteit was niet per se een goede eigenschap. Je haalde er geen goede cijfers mee, kwalificeerde je niet voor een gymnasium en in een militaire, politieke of sportieve carrière had je er ook niets aan. Wat moest je er ook mee in de tijd waarin de nadruk veel meer lag op efficiëntie, organisatie en kwantiteit dan op kwaliteit en (re)creatie.
Het tegendeel is nu aan de hand. We denken dat problemen onoplosbaar zijn zonder inzet van creativiteit. Creativiteit en innovatie zijn de nieuwe sleutelbegrippen voor groei. In Europa wordt innovatie grootschalig gesubsidieerd. De gedachte daarachter is, dat alleen onze creatieve en innovatieve vermogens wezenlijk onderscheidend zijn in een geglobaliseerde economie. China kan het goedkoper produceren, India kan het goedkoper engineeren maar onze creativiteit is voorlopig onvervangbaar. Alle hoop is plotseling gevestigd op een eigenschap die vroeger als overbodig gold.

overspannen verwachtingen 
Alle design disciplines (behalve ‘interieur-architect’) zijn onbeschermde beroepen. Iedereen mag zich morgen design-thinker, of social designer noemen. Per jaar komen er drie nieuwe opleidingen bij. Design groeit dan ook ongebreideld, maar door de steeds lichter en breder wordende opleidingen nemen de competenties van designers alleen maar af.
Tezelfdertijd zijn de verwachtingen van design inmiddels zo hoog gespannen – het moet bijdragen aan de verkeersveiligheid, de economie uit het slop trekken, om slechts twee voorbeelden te noemen – dat je ervan uit mag gaan dat design deze onmogelijk kan inlossen.
We bevinden ons in een designbubble; een zeepbel. De vraag is wanneer hij uiteen spat.

zeepbel

designing design education.

Design Education is a growing sector. In Western Europe the amount of Master studies in design is on the increase. In Eastern Europe, India and China the amount of Bachelor studies is growing and the amount of students per school or studio are growing as well. Besides the numerical growth, the Design-field is widening as well: New fields of design emerge on an ongoing basis. One can think of social design, interaction design, service design and design thinking. These are all sectors of the design field for where studies are being developed or will be developed. More and more different schools have a design related study in their curriculum, design is being taught in both technical-, managerial- and artistic schools and Universities at all of levels. Lucas Verweij initiated a roundup in corporation with DMY and the Dutch Embassy
gratis-tanken
DMY -the Berlin design festival- has strong bonds with educational bodies. Already 25 schools have subscribed to expose student’s work for the 2012 festival. Schools, faculty and students will come from Poland, Switzerland, France, Germany, Holland, Argentina and USA. The experimental character of the festival makes it popular with designers shortly before and after their graduation. The timing is good: DMY is held just before the semester ends in the low of the educational season. Former Airport Tempelhof is an Inspiring and typical Berlin location.
In recent years at DMY there has been a start of an educational round up in the festival. At this meeting there was a clear longing for further development of design educational knowledge. Therefore we want we want to broaden this year to a series of expert meetings and case studies. DMY and the Dutch Embassy will host the event. On behalf of the hosts, Lucas Verweij has taken the imitative to do so. Verweij has taught design, architecture and art in different schools in Germany and The Netherlands. He was dean of a Master study in Architecture & Urban design and a guest Professor for product design.
mapls1-6470About the format: open space expert meetings.
In design education there are many experts and most of the challenges we will discuss are new for all of us. To establish an international network, we believe it is best to treat all participants equally and have open expert-meetings. We want everybody to have the opportunity to share ideas and experiences. A dedicated moderator, who has experience in the topic, will host an issue. We do not want it to be a symposium with ‘people who speak’ versus ‘people who listen’ but an free and open exchange of knowledge and experiences.
There are two rounds of four expert meetings where participants can join at one of the topics. There is an open space for a topic that might come up. If you want to suggest a topic, let me know. Seven issues will be set in an open space setting. Every table issue will have a host. These are bottom-up meetings meant to share knowledge and establish a network of schools. Every meeting lasts 1 hour. All participants can choose two topics to attend.

mapls-2788



Expert meeting round One
1. Open space: free for your idea or topic
2. New professional challenges, ‘How do I embed social & open design in the curriculum?’
Host: Ronen Kadushin, Guest professor University of Art and Design Halle, teaching Open Design.
4. How can the relation of design with society at large be taught or embedded in the curriculum?
5. Case study: Export design education to China. Prof. Egon Chemaitis, Uni der Künste, Berlin
Expert meeting round Two:
5. How can we prepare designers for a future of changing economic models. Host: Sophie Lovell,  freelance writer, editor and consultant in design.
6. What is the best structure for a design school to develop and embed a researching atmosphere?
7. What is the position of design in an art school?  What are the advantages and challenges of having design courses or design departments in an art school (in stead of an independent design school or at a technical school). Host: Prof. Carola Zwick, Kunsthochschule Weissensee. Berlin
8. What can be a fruitful relation between other disciplines (architecture, fashion, art) and design in education? Host: Lucas Verweij, former Dean Master study in Architecture and a guest Professor for product design.

Design and Innovation

Design is strangled by innovation. Some people (including my wife) say “If there is no innovation to a design, it isn’t design, its craft or folk art. Innovation is thereby not a progressive act for a designer; it is in the nature of design. Since we are neither folk-artists nor craftsmen, we are driven to innovate,”

I do not agree, and argue with my wife about it frequently. I think designers are much too focused on the innovative. Innovation has been the collective obsession of the design world throughout the last century. I think we should let go of this obsession in order to make more objects of quality. Because quality does not necessarily equal innovation.

I think the role of designers in the innovative process is over-estimated. If we look closely at a lot of innovative design, the innovation is not the work of the designer.

Innovation can emerge at different stages of the design process. For example it can be part of the assignment. If that is the case the designer is often held responsible for the innovation, whereas actually the commissioner has called for it and thereby caused it to be a design factor. This was the case with both Nespresso and the Ipad. It was primarily the brief, released by the commissioner, that led to these extraordinary and innovative products.

Who did the innovativion: the designer or the commissioner.

Closely linked is the type of innovation that arises from the function of a product. The product is then able to do something that could not be done before. Skype is one example. We can not say it is brilliantly designed, but its functionality is brilliant. The same is true for car navigators or twitter. Any designer would have made these products into an innovative product because the functionality called for it, and hence the design brief must have as well. We tend to honor the designers in all these examples, whereas I believe the commissioners have done their part to make these designs innovative.

Production method and techniques

vermeer-2

New technology enhances design innovation

When a new technique or production-method comes along a whole field opens up, look at lighting design. Because of the prohibition of the light bulb we have been converting to LED lighting, which can lead to completely different shapes and typologies. Due to this conversion, there has been one innovation after another. Dieter Rams showed the new producing techniques among the Braun products. Eames demonstrated what we could do with laminating. Le Corbusier and Tadao Ando showcased different ways of using concrete. Using the new possibilities in a creative and useful way, this is the core of innovative design work.

Over-focused
I believe innovation is the collective obsession of the design world: designers focus too much on it. Imagine what would happen if-only for one year-the whole design world stopped trying to innovate? What if we paused the innovation? A lot of good products would be made in that year, because if we didn’t put energy into trying to make the new. We might put energy into trying to make the good. Quality does not necessarily require innovation.

In architecture the turn-around is already visible. The renovation and restoration departments of universities grow bigger everyday. There is more work in these fields than in new developments. It requires a different attitude towards designing (because the product already exists). The stars of innovative architecture are not the stars of restorational architecture. More ‘new stars’ are emerging outside the innovative field. In product design there is not yet truly an equivalent yet, but the underlying development is the same.

Less innovative design can rock!

Een beeld zegt mínder dan 100 woorden

De Braun-Feldweg Preis toont het beste van de Duitse designcultuur. Waar ter wereld schrijven designstudenten meer dan tienduizend woorden? Waar ter wereld is er de rust in de designcultuur om over teksten te spreken? Teksten te vergelijken en teksten te beoordelen? Het gaat hier trouwens niet om een typisch studentenprobleem. Voor designprofessionals geldt hetzelfde; ook zij schrijven niet graag. De hele beroepsgroep lijkt dyslexie te hebben. In geen ander vakgebied zijn zoveel ghostwriters en catalogusschrijvers te vinden als in de designwereld, want de designers zelf kunnen het niet. Op designscholen komt relatief veel dyslexie voor; ze hebben een aantrekkingskracht op mensen met een slecht gevoel voor taal.

In de contemporaine cultuur kunnen studenten zonder moeite duizenden beelden ophoesten, sorteren, bewerken en publiceren. Ook het laten zien van beelden aan een publiek of een docent lukt ze zonder veel moeite.

beeldende wapenwedloop
Is het u opgevallen dat er op designsymposiums een beeldende wapenwedloop gaande is? Vroeger lieten ontwerpers tijdens een voordracht zo’n twintig dia’s zien. Een ‘slede’ noemden we dat. Wie er nu 50 laat zien is geen uitzondering. Ik maak regelmatig mee dat  mensen meer dan 120 beelden laten zien, soms op twee schermen tegelijk. Als ik ze daar als moderator vooraf op aanspreek hoor ik steevast:  “Ja, maar ik kan het heel snel hoor.”

Alsof het kunst is om niet alleen een overdaad aan beeld over een publiek uit te storten, maar dat ook nog heel snel te kunnen. Stelt u zich een chef-kok voor, die u 30 gangen wil laten eten in twintig minuten met de aanbeveling: “Ik kan het heel snel opdienen hoor.”

Biologisch beeld
Naar vergelijking met de voedselindustrie zou er in de beeldcultuur “Neuland of bio-beeld” moeten zijn. Zorgvuldiger behandeld, met respect opgenomen en de rechten ervan zijn goed geregeld.

Met respect opgenomen betekend bijvoorbeeld: geen beelden van aanslagen en de daders van de aanslagen. Het is abject dat u en ik een beeld in ons hoofd hebben van het gezicht van een gruwelijke Noor die tientallen mensen om het leven heeft gebracht omdat hij zich miskent voelde. Het is nog erger dat u en ik zijn stropdas kennen die hij droeg tijdens het proces. Ik wil dat beeld niet kennen, maar ik kom daar onmogelijk onderuit.

In beeldcultuur bestaat namelijk geen bio-beeld en geen Fair Trade Beeld. Het enige dat voor kritische beeldconsumenten mogelijk is, zijn vormen van abstinentie. Geen televisie kijken, geen computerspellen spelen, geen magazines doorbladeren en geen kranten lezen. Misschien dat de stropdas van Breivik je dan bespaard blijft. Maar makkelijk is dat niet.

In beeldcultuur lijkt een volledige gelijkwaardigheid en democratie te heersen. Een onscherp snapshotje uit een telefoon kan het opnemen tegen een geënsceneerd beeld waar een week aan gewerkt. En een vakantiekiek is op het internet van dezelfde orde als een schilderij van Vermeer. Ook promoverende ontwerpers heb ik horen klagen dat ‘beelden niet als woorden tellen’ voor hun promotie. Wat zou hun voorstel zijn? Om een beeld voor tien woorden te tellen, zodat we met 4000 beelden kunnen promoveren?

Tekstcultuur 
Met teksten hebben we al die problemen niet, woorden zijn niet zo eenvoudig te produceren als beelden. En niet iedereen kan het ook zomaar. Als je meer dan duizend woorden schrijft, moet je je heel precies uiten. Dat betekent dat je een idee, een motivatie, een argumentatie én een opbouw moet maken. Het proces van schrijven vraagt doorzettingsvermogen, concentratie, creativiteit en als het even kan: humor.

Wie een tekst schrijft, laat zich in zijn hoofd kijken en de meeste designers vrezen dat. Want pas dan komt het gebrek aan visie, het gebrek aan motivatie, historische kennis en aan kritiek ten volle aan het licht.
Als je een volwassen tekst leest, tekenen de karaktereigenschappen en tekortkomingen van de schrijver zich haarfijn af. Is hij creatief, is hij zorgvuldig, slordig of moedig? Is hij of zij ijdel en heeft hij veel wetenschappelijke pretentie? Kan de schrijver hoofd- van bijzaken onderscheiden? Heeft hij taalgevoel en heel belangrijk: heeft hij gevoel voor humor?

Zo verhullend als beelden kunnen zijn, zo ontmaskerend zijn  woorden als ze gedrukt worden. Daarom moet ik nu ook snel ophouden, anders loop ik in de door mijzelf zorgvuldig beschreven val.

Het vermogen om te schrijven is dus (ook in de designwereld) een proeve van bekwaamheid. Een prijs is een goed instrument om aandacht te vragen voor teksten en om het schrijven in scholen te stimuleren.
Het stimuleren van schrijven (via een prijs) is belangrijk voor de precisie van ontwerpers, en voor het ontwerpvak.

In een designcultuur die steeds meer drijft op de overweldigende beeldencultuur is het van belang het vak te verdiepen. Daarnaast blijkt dat de schrijvende ontwerper, die Braun Feldweg zelf was, nog steeds bestaat. Creativiteit is niet iets wat zich alleen in beeldcultuur uit: het uit zich evenzo in tekst.

Plezier te lezen
De winnaar van dit jaar toont dat fantastisch aan: het is een plezier om zulk een verrassende gedachtengangen te volgen. Het is een ontwerpende tekst, er wordt een gedachte ontvouwd en er wordt tot actie overgegaan. Dat maakt deze tekst zo bijzonder: het is geen klassieke designkritiek, of designbespreking. Het is een activistische tekst over een persoonlijke ontwikkeling van de schrijver.

In de tekst van de prijswinnaar Moritz Grund volgen we de relatie die hij als jonge ontwerper heeft met zijn bezittingen, dingen, objecten, producten. De zorgvuldige beschrijving van die relatie is waardevol in een tijd van overconsumptie. Een zorgvuldige en liefdevolle relatie tussen product en gebruiker is sowieso de sleutel naar duurzaamheid. Die relatie wordt ook in zijn tekst gelegd.

Door zijn zelfopgelegde limiet om 100 producten te gebruiken stelt de schrijver de relatie tussen object en gebruiker op scherp. De schijnbaar bizarre therapie om met 100 spullen een normaal leven te leiden is waardevol én aantrekkelijk. Het past goed in een trend van ‘real life challenges‘. Je zou het zo tot een reality televisieformat om kunnen schrijven.

Als je met respect ieder ding -ieder object- benadert zal je automatisch niets kopen dat je niet nodig hebt. Niets kopen dat je na één keer gebruiken weer weggooit, zoals een wegwerpbeker of een cellulose zakdoek.

Je zal producten voor verschillende doeleinden gaan gebruiken. Je zal je bij alles afvragen of je een product écht nodig hebt en wat je er nog meer mee kunt. En wat je er mee kan als je het ondersteboven of achterstevoren gebruikt. Kortom: je zal jezelf dwingen om echt na te gaan of het product je leven verrijkt, of het iets wezenlijks gaat bijdragen aan je leven. Dat doet Grund allemaal in een toegankelijke tekst.

Activistisch
De winnende tekst heeft niet zo zeer een wetenschappelijk ambitie, eerder een activistische en creatieve. De tekst toont een specifieke vorm van ontwerpend onderzoek.

In het onderwijs zijn de meningen over verschillende vormen van ontwerpend onderzoek zeer verdeeld.  Er wordt dan ook stevig gediscussieerd over de vraag wat onder ontwerpend onderzoek verstaan moet worden. Het is een zoekend discours. In vergelijking tot klassiek wetenschappelijke vakgebieden zijn er in design relatief weinig professoren en is er relatief weinig ontwerponderzoek. Slechts af en toe promoveert er een ontwerper.

De prangende vragen die ter tafel liggen zijn niet eenvoudig op te lossen. Is ontwerpend onderzoek een louter beschrijvende bezigheid, zoals designkritiek? Kan een ontwerp (een object, een product) het bewijs vormen in een onderzoek? Wat is het verschil tussen onderzoekend ontwerpen en ontwerpend onderzoeken? Moet ontwerponderzoek systematisch zijn, en zo ja: wat betekent dat voor het ontwerpen? Moet een ontwerpproces in een wetenschappelijke context herhaalbaar zijn? Betekent dat dat je ontwerpkwaliteit  kan afdwingen langs van te voren beschreven procedures? Het ligt voor de hand in een context als deze een oproep te doen voor meer wetenschappelijk ontwerponderzoek, maar ik zal dat niet doen.

De schrijvende ontwerper en de wetenschap
De schrijvende ontwerper, die door deze prijs gestimuleerd zou moeten worden, is niet per sé gebaat bij een wetenschappelijke context. De wortels van die opvatting gaan terug naar een wezensvraag over het ontwerpen zelf. Kan de ontwerpende discipline zich goed tot wetenschap verhouden? Is ontwerpen wetenschappelijk?

Mijn antwoord telt vier letters: Neen. Ik denk daarom dat we niet tegen elke prijs op zoek moeten gaan naar een wetenschappelijke erkenning of fundering van het vakgebied. Ik zie de beste ontwerpers in Europa van de academies komen, niet van de universiteiten. Ik zie op de technische en artistieke hogescholen een sneller reactievermogen op ontwikkelingen in het vakgebied dan op de universiteiten.

Zo is er op de recente verbreding van het vak in de richting van social-design, open-design, service-design en design-thinking vanuit de hogeschool adequaat en actief gereageerd. Managementscholen bieden design-thinking cursussen aan, diverse kunstacademies onderwijzen open design en social design. Het discours erover is aangevuurd door de scholen, niet door de universiteiten. Maar dat zijn allemaal nog géén argumenten tegen wetenschappelijkheid van het vak.

Op gespannen voet
De meeste ontwerpopleidingen aan universiteiten staan op gespannen voet met de wetenschappelijke aanspraak. Zelfs in de vakrichtingen van architectuur is deze discussie met regelmaat aan de orde.

In de kern van ontwerpen huist creativiteit, daar is iedereen het wel over eens. En juist die kern laat zich niet wetenschappelijk grijpen. Creativiteit is maar moeizaam bewijsbaar en vooral moeilijk herhaalbaar en afroepbaar te maken.

Creativiteit beschrijven lukt nog wel (neurobiologische eigenschap van een levend systeem aangaande de flexibiliteit van het hersens). Maar creativiteit veroorzaken, creatieve processen herhaalbaar maken, creativiteit sturen of vervangen gaat niet.

In elk geslaagd ontwerpproces huist een welhaast onlogisch en onvoorspelbaar onderdeel. Je kan in ontwerpen grote delen van het proces uitschrijven en formaliseren, maar een belangrijke vonk is ten principale onwetenschappelijk.

Ik weet dat ik mezelf niet populair maak met mijn opvatting, maar ik ben ervan overtuigd dat in de kern ontwerpen een onwetenschappelijk vak is. Het beroep deelt zijn wezen met artistieke disciplines, zoals beeldhouwen en schilderen en daarnaast met management, sociale vaardigheden, procesdisciplines en planning. Enkele flanken zijn dus wetenschappelijk te verankeren, maar de andere niet.

Hollandse export 
Terug naar de start. Wie aan Nederlandse exportproducten denkt, denkt aan kaas, marihuana en tulpen. Behalve die lekkernijen leveren we stervoetballers, designers en designcritici. Die designcritici zijn vereerd en gelukkig om betrokken te zijn in dit project, dat hen helpt na te denken over kwesties in het vakgebied.

Ik heb grote waardering voor de kalmte en de zorgvuldigheid van het Duitse debat, ook in de design. Ik ben blij daar deel van uit te mogen maken. Net als bij de voetballers worden designcritici beter als ze in een andere cultuur hun beroep uitoefenen. Omdat de nieuwe context iets anders van ze vraagt, en ze zich opnieuw moeten aanpassen en bewijzen. Daarom: Lang leve de Duitse designcultuur, lange leve de BF -Preis, Lang leve Moritz Grund en lang leve de Duitse debatcultuur.

Designing Designeducation at Miami/Basel

Leading design teachers Ron Arad and Daniel Charny, who have taught at the Royal College of Art in London and Jurgen Bey, from the Sandberg Institute in Amsterdam, winner of the BE OPEN Prize, came together today to discuss their approaches to education. The talk was moderated by former Professor of design and architecture schools in Berlin and Rotterdam, Lucas Verweij and hosted by BE OPEN as part of their collaboration with Design Miami/ Basel.

Verweij asked the panel to describe what they consider to be the perfect conditions for teaching. All agreed that the ‘studio culture’, ie the learning environment, is a key factor in the development of a student. Always controversial, Ron Arad said that his greatest task at the RCA was ‘unteaching’: “I said that I would be able to make perfectly employable people completely unemployable within two years,” he boasted. But his point was a serious one and picked up by the other candidates who agreed that the key is to empower students to follow their impulses and not to restrict creativity through prescriptive briefs: essentially, to BE OPEN to all the students’ ideas and to creative possibilities.
Daniel Charny said that it is essential to show design students that there are a number of ways of reaching their goals, raising their ambitions so that they keep pushing their ideas forward. Arad agreed and praised the BE OPEN Prize for supporting this way of thinking:”Rather than giving a lump of money to a student or institution, this prize will expose students to the ideas of inspirational experts, giving them the courage to be even more experimental.” Jurgen Bey added that whilst he was delighted that his school, the Sandberg Institute, had won the prize, he had also found it very interesting to see the many different approaches to education manifested in the schools’ presentations in the BE OPEN Installation.
be-open-day-2-005BE OPEN Inside the Academy in Basel has been conceived to draw attention to the importance of education today in nurturing the designers who will shape our world tomorrow. The Talk was organized to accompany BE OPEN Installation and Prize that invited a selection of top European design schools to present innovative design projects by outstanding students currently or recently enrolled. The universities exhibiting at the BE OPEN booth at the Fair are: Le Cambre, Belgium; Ecole cantonale d’art de Lausanne (ECAL), Switzerland; Hochschule Basel, Switzerland; Konstfack, Stockholm, Sweden; Sandberg Institute Amsterdam, The Netherlands and The Glasgow School of Art, UK.
A jury of international design luminaries reviewed the projects of the BE OPEN Inside the Academy Installation. The jurors selected Sandberg Institute to receive the Prize, which grants the winning institution the opportunity to select and host a series of distinguished guest lecturers to further its curriculum development.

Designing designeducation, interview written by Alasdair Thompson from Smowblog

As part of the festival DMY Berlin has hosted a one day workgroup looking at design education. It goes without saying that the fact that DMY Berlin has staged such an event is interesting. And so to learn a little more we caught up with project initiator Lucas Verweij, and started with the obvious question; how did the event arise?

Lucas Verweij: Design education is a booming business. In western Europe Masters degrees pop-up everywhere every day, while in India, China or Eastern Europe the number of Bachelor programmes is also exploding. Which means there is currently a global explosion in the number of design graduates, and I don’t think its a temporary explosion, rather the indications are that the numbers will continue to rise and rise. In 20 years probably everyone will study design!
And not only is the number of courses rising, but ever more subjects connect themselves with design, for example, communication studies, marketing, technical subjects, they have all started design departments or at least design courses, obviously in areas relevant to the main subject.



(smow)blog: And in your opinion what’s the driving force behind this explosion?
Verweij: On the one hand design is expanding. “Social Design”, “Open Design”, “Design Thinking” are terms which didn’t exist five or ten years ago, they are emerging fields. As society evolves and changes the fantastic thing with design is that design changes with it and explores what it can contribute to these new areas. For example, when print started declining graphic designers just switched to online design, almost as a natural, automatic movement. With designers the process is relatively quick. Architects are in contrast very static, can’t adapt so well to changes.
So on the one hand as society changes, design goes there. And then due to the popularity more and more students want to study design, education has become a business and so the majority of schools take as many students as they can facilitate.
(smow)blog: Is that not something one needs to control? Is there not a risk that we start selling the youth unachievable dreams, and that when they graduate there are too few jobs for them all?
Lucas Verweij: I don’t think there are necessarily fewer jobs.  I believe design is becoming more an attitude. Slowly design is moving away from being a craft to being a mentality. And so in 20 years we’ll all be designers because a huge part of society will adapt to new ways of thinking. Later comes the question in which craft or in which field are you active. I know designers, for example, who run restaurants or are business consultants and who apply their design training and design thinking to the new environments.

(smow)blog: In that sense is a design bachelor a good idea. Is it not better to study, for example, architecture or art, and then do a design masters?
Lucas Verweij: I’m a believer in design bachelors, but less so in design masters. I think the master is more of a problem. If we accept that design is a mentality, then that is better suited to a bachelor – before your mentality or ways of thinking become corrupted.
In a healthy design school you have to fight for your place, and not just during the initial entry process. I also think its healthy when students fall through modules or even fail to graduate. I think that’s a vital component for a school. But with the majority of masters degrees it is the case that if you pay, you get in, and once your in you graduate.
(smow)blog: When we speak to young designers, one thing we often hear is that they wish they had had more business education. Is that a problem. Is there too little business education in design schools?
Lucas Verweij: Yes, business should be taught more. I really like what they do at the KAOSPilots school in Aarhus, which is half business-half design. It’s much more entrepreneurial than a design school and there when you have a plan you also have to figure out how to realise and fund it. And then actually do it.
If design is becoming more a mentality then we need to encourage not only the free-thinking side but also the entrepreneurial side.
(smow)blog: This is the first Designing Design Education symposium. How does the future look, are you planning to make it a regular event?
Lucas Verweij: Mostly I don’t make long terms plans, but this time I have! Since the beginning the idea has been to make it an annual event. I’m not sure if that will be in Berlin or not, that is still open. As a concept it suits Berlin in many ways, and Berlin is currently a very interesting location for such an event. But it may be that we have or want to hold the next meeting somewhere else. But we will definitely continue, because for such a subject once is not enough.


DE AUTO IS DOOD, LEVE DE AUTO.

De Parijse autosalon is weer achter de rug. We konden zien dat autos saai, lelijk en voorspelbaar zijn. 30 jaar veiligheid- en milieuregelgeving hebben de ontwerpvrijheid volledig afgeknepen. Designers zijn niet te benijden. Maar zo vast als de oude petrolheads zitten, zo beweeglijk zijn de nieuwe mobilteits startups, die elektrische autos en deelconcepten ontwikkelen. Van Silicion Valley cars verwachten we dat ze er anders uitzien. Maar hoe doe je dat? Bestaat er na een eeuw autovormgeven nog een hele andere visuele taal? Honderd jaar autovormgeving is niet eenvoudig te ontlopen. Is er hoop voor de autovormgeving?


Autos zijn technisch, stilistisch en cultureel uitontwikkeld. Elke moderne auto kan vijf keer de aarde rond, haalt met gemak de maximum snelheid en hoeft nog nauwelijks naar de garage. Het benzineverbruik is in een halve eeuw gehalveerd en rijden is veilig geworden. Vroeger stierf je als je op een lantaarnpaal inreed, nu kan je over de kop slaan en er ongeschonden uitkomen. Daarnaast is de auto comfortabeler en makkelijk in de omgang geworden. Die successen zijn toe te schrijven aan auto-ontwerpers die hun best hebben gedaan. Kooiconstructies, airbags, antiblokkeersystemen, kreukelzones, hoofdsteunen en gewichtsbesparing hebben autos slimmer, goedkoper, veiliger en zuiniger gemaakt. Jammer dat de esthetiek erbij in is geschoten: Autos zijn lelijk, voorspelbaar en oersaai. Toch kan je dat de ontwerpers niet kwalijk nemen. De marges waarbinnen ontworpen kan worden zijn dermate klein dat er nauwelijks nog ruimte is voor verandering.

Eenvormige esthetiek en minder variatie
Alle grote merken maken een vijftal onomstotelijke modellen. Pogingen andere concepten te lanceren flopten te vaak (Fiat Multipla, Renault Avantime,). Producenten houden vast aan hun bestsellers. Autos lijken op elkaar omdat er weinig technische variatie is. De watergekoelde motor ligt dwars voorin, er is een zelfdragende carrosserie met voorwielaandrijving. De windtunnel doet de rest in het eenvormig kneden van de auto. Ook in de detaillering is weinig variatie. De aansluiting van de vijfde deur op de laadvloer is van goedkope Fiat tot dure Mercedes hetzelfde. Wielen zijn altijd ongeveer even groot en ruim in het zicht. Het liefst kijken we in de wielkassen, als ware het een decolté. De esthetische waarden die voor een auto gelden zijn eenvormiger geworden.


Sinds de verkopen dalen, worden in de auto-industrie geen geen experimenten gedaan. Het statussymbool van weleer is in verval. De autosector is in 60 jaar getransformeerd van wild, expressief en visionair naar braaf, visieloos en volgend.

Silicon Valley-cars hebben geen bezine.
Grote visie is moet komen van nieuwe mobiliteits-startups. Nieuwe automerken, die nooit een verbrandingsmotor gemaakt hebben zetten de autowereld op zn kop. Consumenten blijken de auto niet langer per se te moeten bezitten. Zo ontstaat ruimte voor ander autogebruik. Apps als Snapcar en Uber stellen je in staat om je auto te delen. Je kan je abonneren op deelauto-services (Drivenow, car2go) of betaald liften met Blablacar, Avego of Pickuppal.

De Automerken Tesla en Byd bouwen uitsluitend elektrische autos, waardoor de bedrijfscultuur volkomen anders is. Ook motorfietsproductenten Zero en Brammo hebben geen druppel benzine in huis, waardoor is er een veel duidelijkere focus is. De bedrijven lijken meer op een computerfirma dan op een autofabriek. In een e-voertuig zitten zo een miljoen programmeerregels. Het is dus geen toeval dat de nieuwkomers allemaal uit Silicon Valley komen. De nabijheid van developpers is cruciaal. Apple zit bij Tesla om de hoek.


Het vormgevende motief voor de elektrische auto
Electrische aandrijving is een grote stap voorwaarts voor leefklimaat in steden. Geluid, fijnstof, Co2 en stank worden teruggedrongen. Centrale opwekking van de energie is veel schoner. De politiek vindt dat ook, elektrische autos mogen daarom soms op de busbaan, op eigen parkleerplaatsen en eigenaren betalen nauwelijks belasting. Een volle tank kost 5 euro.
De berijder komt beter voor de dag, vooral in moreel opzicht. Ik rijd zelf op een elektrische motor en merk dat het ook een socialer voertuig is. De weg vragen en opstarten gaat niet gepaard met stank, herrie en intimidatie. Met een elektrische auto kan je voor een hip café met opgeheven hoofd uitstappen. Maar dan moeten de mensen die auto wél kunnen herkennen.  
Er zijn dus genoeg redenen om elektrische autos er anders uit te laten zien. Nu is het aan de designers. Eenvoudig is de opgave niet. Een ander vormgevend repetoire wordt niet overnacht uitgevonden. Waarin schuilen de kansen om deze autos te onderscheiden?

Wat zijn de handvaten voor een ander ontwerp?

Twee technische verschillen zijn bruikbaar. Elektromotoren hebben nauwelijks koeling nodig, waardoor de autos zonder luchtopening kunnen. Bij Bmw en Renault is dat uitgewerkt. Ze hebben een nadrukkelijk dichte grille. Daarnaast zijn elektromotoren stil. Bij Renault is er daarom geluid ontworpen voor inparkeren en langzaam rijden.
Als technische aanleidingen te kort schieten, is er nog de ideologie. De samenleving gelooft en wil dat dit de toekomst is, dus futurisme lijkt op zn plaats. Stijlkenmerken van het futurisme in de autoindustrie zijn de druppelvormige carrosserie, gesloten achterwielkassen en een scherpe, kromme rug. De Honda Insight, de Volkswagen XL1, BMW I3 volgen die koers. 15 jaar geleden was er al General Motors-Ev1, een futuristisch ontwerp dat radicaal anders was. Maar de petrolheads in de GM-boardroom waren er bang voor. De populaire wagen stierf een mysterieus vroege dood.


Het gevaar van futurisme in de vormgeving is dat het de klant af kan schrikken. De vormentaal loopt snel te ver voor consument-acceptatie uit. Futuristische autos -ook van topontwerpers- zijn opmerkelijk vaak geflopt. Behalve dus de Ev1 ook Pininferinas svx, Citroen SM, Delorean DMC12 en Tucker Torpedo  Daarom ziet de Tesla-S er gematigd progressief uit. Designchef Holzhausen zegt erover a car like this needs to have a conventional appeal as well. De carrosserievorm is daardoor bewust conservatief. Maar in de materialisering (97% aluminium), het interieur en de coating wordt wel uitgepakt. Op een tweede achterbank is plek voor 2 kinderen die achterstevoren zitten, nooit eerder vertoont. Er is een nieuwe lak ontwikkeld die 2 keer geglazuurd wordt, om hem als van glas te laten ogen.
Ook de detaillering is Tesla ronduit futuristisch: Op een groot touch-screen worden interieurfuncties bediend en de deurgrepen komen pas tevoorschijn als de auto van het slot afgaat. Zo uit Star-wars.

Vanaf volgend jaar is een model verkrijgbaar dat met 2 vleugeldeuren is uitgevoerd: het ultieme futurisme. De belangrijkste innovator Tesla is alle schroom dus aan het afwerpen. Dat is goed nieuws. We gaan een opwindende toekomst tegemoet. Want geloof me, over een poosje is de auto-industrie weer net zo expressief, visionair en wild als hij ooit was. Maar nu elektrisch.



Moneyshot

Tijdschriften, boeken en beurzen zijn al lang niet meer de dominante media om in gezien te worden. Het internet heeft die rol volledig over genomen. Iedereen kan er zichtbaarheid genereren, en doet dat ook. Hoeveel nieuwsbrieven van collega’s krijgt u?

Op het internet wordt zichtbaarheid teruggebracht in twee dimensies. We maken ontwerpen op hun visuele, tweedimensionale zichtbaarheid. De zichtbaarheidskwaliteit loopt in ons hoofd mee. Een project moet goed uit te leggen zijn aan een breed publiek, niet alleen aan de opdrachtgever. Concepten moeten tot begrijpelijke schema’s of striptekeningen gereduceerd, zoals de visuele 1 + 1 = 2 analogieën. Het schetsontwerp moet sexy ogen en de foto’s van het opgeleverde werk moeten er hoopvol uitzien.

Wie seniorenwoningen maakt die uitblinken in effectieve plattegronden, goede bereikbaarheid, toepassing van aardwarmte, of brede participatie in het ontwerp heeft het moeilijk. Die waarden zijn niet in beeld te vatten. Maar wie seniorenwoningen maakt in een ongebruikelijk materiaal, een ongebruikelijk constructie of met een bijzondere zichtas, is vel beter af: het is vast te leggen in een moneyshot.

Moneyshot staat nog niet in de woordenboeken als architectuurterm, maar dat is een kwestie van tijd. Het wordt al door iedereen gebruikt. De term komt uit de filmindustrie en staat voor dat ene shot dat buitengewoon veel moeite of geld kost, maar waarvan verwacht wordt dat het volgend werk en aandacht op gaat leveren.

Voor het moneyshot stuurt een architect of stedenbouwkundige zijn eigen fotograaf op pad. Zijn beelden worden digitaal de wereld in geschoten. De pers heeft niet meer de budgeten om projecten zelf te fotograferen. Beeldmateriaal bij publicaties wordt aangeleverd door de ontwerpers en initiators. Het beeld regisseren is daarmee onderdeel geworden van het werk van de ontwerper. Net zoals de (pers)teksten trouwens. De regie van het ontwerp gaat  dus tot en met haar beeldvorming.
Architectuurfotografen werken niet bij somber weer waardoor het nooit regent in onze vaktijdschriften. Bovendien klikken de camera’s vlak na oplevering maar voor de verhuizing dus zien we nooit gebruikssporen, vochtplekken, verzakkingen, dode beplanting en volgroeide bomen. We zien geen Ikea vasen, lelijke, ongestreken dekbedovertrekken en kapotte ruiten. Het moneyshot toont sowieso zelden gebruikers. Zelfs in woonhuizen zien we geen bewoners. Op kinderkamers is het spik en span, en als er al een kind te zien is, dan is het een gestylede, welhaast levenloze variant. Op artist impressions en collages zijn altijd vrolijke skaters te zien, knappe jonge vrouwen en een enkele bejaarde, liefst met een stok. Ze staan nooit in groepen bij elkaar maar in kleine plukjes en relatief veel alleen.

Het is verleidelijk om over deze ontwikkeling gewetensvol te zijn: ‘laat u niet om de tuin leiden door de plaatjesmakers van deze wereld’. Blijf ruimtelijke kwaliteit ruimtelijk beoordelen. Ja, er treedt een vervlakking op is onze waardering van kwaliteit: schermkwaliteit verdringt echte kwaliteit.
Maar er zitten meer kanten aan de zaak. Het moneyshot dwingt tot beeldend samenvatten, de essentie van een project in een beeld te vatten. Door de overload van beelden reduceren we een gebouw in onze hersenen tot één beeld. Vak beoefenaars moeten zich aanpassen aan een veranderende tijd en reductie van beeld hoort daar bij.

En was het vroeger niet net zo? Hoeveel beelden staan op mijn netvlies van Oscar Niemeijer’s Brazilia? Eigenlijk ook alleen zijn Moneyshots avant la lettre. Dat zelfde geld voor de Kathedraal van Rochamps en het Rietveld huis. Beeldcultuur reduceert al veel langer dan het internet bestaat. De representatie van ons vak is al veel lang ook tweedimensionaal.

Bovendien bieden de gedemocratiseerde nieuwe media gelijkwaardige kansen aan iedereen om zijn project te tonen. Ik zie regelmatg fantastische projecten van volgslagen onbekende ontwerpers. Zoals onlangs een demonstatie hoe je gloeilampen in sloppenwijk-woningen  vervangen kunnen worden door een gebruikte colafles in het dak te monteren. Zonder social media zou het project niet bekent zijn geworden.

Het zelfde geld voor de Stop motion graffiti projecten, waarbij straatschilderwwerk dag voor dag gefilmd wordt. Het bestaat dankzij de nieuwe media. Er het leidt tot inspirerende collectieven zoals blublu.org.  Het leidt ook tot nieuw engagement dat aangezwengeld wordt door social media.
Moneyshots zijn de bakkbiljetten in de economie van de aandacht. Voor een deel zijn ze te koop, voor een deel ook niet. Dat maakt ze interessant.

Deze column is gepubliceerd in het tijdschrift Stedenbouw & Ruimtelijke Ordening (tijdschrift van het Nirov): klik hier

Design is een Reuzenkwal

Ik ben een designer, daar heb ik voor geleerd. Ik ben bachelor in de industriële vormgeving voor openbare ruimten. Designer of Public Space, in nieuw Nederlands. Jarenlang heb ik mijn keuze voor design betreurd. Het ontwerpdebat onder architecten is rijker, de traditie van ontwerpen is groter en de maatschappelijke impact van een gebouw en zeker een hele wijk is groter. “Ik had architectuur  moeten studeren, zal ik het alsnog doen”, mijmerde ik dan. 

Design studeren
Maar ja, ik verliet een HTS Bouwkunde opleiding om design te studeren. Ik vond de Jellema Bouwkunde-boeken vol met foto’s van bouwvakkers die staal vlochten en kruiwagentjes beton storten te archaïsch. Ik had het gevoel terug in de tijd te gaan in plaats van vooruit.

Wij leerden op de HTS doorsneden van houten kozijndetails uit het hoofd, terwijl de deuren in de laatste Audi 100 kozijnloos  en zeker niet van hout waren. Ik moest uitgestorven metselverbanden optekenen terwijl Peter Struycken in een intelligente pixeltechniek  -uiteindelijk ook een metselverband- een portret van de koningin maakte. Ik klaagde erover tegen mijn bouwkundedocent, die begrip had voor mijn switch naar industrieel ontwerpen.

Vooruitgang
Design blijkt erg goed in staat met de tijd mee te veranderen. Design lijkt vooruitgang, verandering en innovativiteit in de genen te hebben. Het vak is op dit moment bij het grote publiek bekender en populairder dan ooit tevoren (wat dat ook waard mag zijn).

Het publiek heeft nog vertrouwen in designers. Dat vertrouwen is vergelijkbaar met dat het vertrouwen dat men vroeger in architecten had. Een architect kon iets oplossen, zoals geen ander dat kon. Hij kon ook vooruitzien en was toonaangevend in smaakkwesties. 

Door die populariteit groeit design en slokt het andere vakgebieden op. Social design, Designthinking, food-design, interaction design, design management, sustainable design, designstrategie en out of the box denken, het zijn stuk voor stuk nieuwe loten aan de stam, waar recentelijk dikke boeken over gepubliceerd zijn. En het merkwaardige is, dat die boeken meestal uitverkocht raken. Design gaat allianties aan met innovatieve technieken en methoden, nieuwe werkwerkwijzen en nieuwe inzichten. Design groeit ongecontroleerd in allerlei richtingen, als ware het een reuzenkwal. 

Krimp
Die ongecontroleerde groei staat in schril contrast tot de situatie in de architectuur en de stedenbouw. Die disciplines lijken alleen maar te krimpen. Waar architecten en stedenbouwkundigen de grootste moeite hebben om hun expertise aan de veranderende maatschappelijke omstandigheden aan te passen, lijken designers er juist in voorop te gaan. 

Designers worden in steeds meer processen en ontwikkelingen betrokken, terwijl architecten en stedenbouwkundigen daarin steeds minder betrokken worden. Dat is des te vreemder, omdat ik denk dat de kern van de beide expertises niet veel verschilt. Ja, de materialen en de fabricagemethoden verschillen, maar het denken -de kernactiviteit van de designer- is eender. Ook denk ik dat designers momenteel bij te veel betrokken worden en architecten bij te weinig, maar dat terzijde. 
Buigzamer
Design blijkt een vak dat door zijn geringe expertiseballast en gebrek aan tradities veel buigzamer is dan de architectuur en de stedenbouw. Aan de gebrekkige expertise en het gebrek aan tradities stoor ik me al zolang ik in design zit. Maar de buigzaamheid van het vak vind ik fantastisch.