Hella on Rotterdam

Hella Jongerius interviewed by her husband about their previous hometown Rotterdam 


Hella Jongerius worked for sixteen years in Rotterdam, at two places in the old west part of town and two places in the district ‘Cool’. We are now speaking in her studio, Jongeriuslab, on Kastanienallee in Berlin’s Prenzlauer Berg district, where she has worked for half a year, after moving to Berlin with her family a year before that. 

Since I am her husband and this is our first interview, the conversation feels strange. I had always thought it would be impossible for me to interview her, but soon I find this is not at all true.

How do you look back on Rotterdam and the climate of the city? 

Rotterdam has a certain “barren land” where weeds and rare flowers can grow well. There is still plenty of room there; lots of physical but also mental space that has always attracted creative people. I was able to work within that lovely creative shelter, developing my own stories and samples without distraction. The availability of workspace was and still is crucial for every designer, and Rotterdam still makes good on these opportunities. I have rented good places in the past: a former laboratory, a former butcher shop, and a monumental mansion. Each had some problems to play around with, but that character fits well with my own.

How has the city influenced your work?
Rotterdam is more of a pioneer town: there is simply less infrastructure for culture and the mentality is harder. Germans would say the city is less “etabliert”-less established. But this also applies to Berlin anyway. Rotterdam is not a comfortable city where everything comes to you. You have to get yourself out there and build a network. You don’t simply relate to the city. It’s a city where the street culture is not yours-a city of men and women with balls. This mentality and work ethic have given me ambition like oxygen. An important theme in my work is the celebration of imperfection, which is also recognizable in the city of Rotterdam. 

Then I found out that we both consider 2001 as a highlight of our Rotterdam years. In 2001 the city was the European Culture Capital. 2001 marked the midde of our Rotterdam stay. 
For the first time the city showed itself to have cultural ambition. Of course we had already experienced its more macho ambition of being a “big port city,” but this was something different. They wanted a cultural consciousness, and were willing to invest in it deeply. There was a buzz around the city, it was being called a ‘social and cultural laboratory’. New places, initiatives, and organizations popped up, and you recognize more creative people in the streets. That was the first time I felt like Rotterdam was really on the radar. Designers and artists were attracted to the city. You can still see the wave of them that came then, even long after 2001. 

We differ in opinion about the end of 2001. I use the metaphor of a collapsed soufflé, because the climate would have collapsed, specially after 4 years of populism- and conservative politics,” but Hella disagrees. 
No, the benefits of such newfound cultural capital were the people who decided to come to Rotterdam. That is the residue that is still there after ten years, proving that the venture was successful. It is logical that the cultural buildings are being torn down and project organizations are shut down. It was certainly ‘colder’ during the populist and conservative admistration, but the battery was charged. This is always the wave dynamic of an imperfect city. The only thing really harmful to the creative sector is that the city has lost its generosity. 

It’s a bit strange to ask my own wife this question, but why did you end up leaving?
I wanted to have the feeling of being a beginner again, a pioneer, reinventing myself and my work. We also wanted to work abroad to gain a larger perspective, and it seemed to be the right moment. Since leaving, I find I’ve become milder in my thoughts about the city and its creative politics. They are not quite consistent and generous, but they do come from a mentality that fits with that of the city. Rotterdam is just a stubborn place: that is both its strength as well as its weakness. 


In Dutch: 
We spreken elkaar in haar Atelier aan de Kastanienallee in Prenzlauerberg, Berlijn. Sinds een half jaar werkt ze hier met de studio, Jongeriuslab. Samen met het gezin was ze al een jaar eerder verhuisd. Hella Jongerius werkte 16 jaar in Rotterdam, op twee plekken in het Oude Westen en twee plekken in de wijk Cool. Het gesprek komt vreemd op gang omdat ik haar man ben, en dit ons eerste interview is. Ik heb altijd gedacht dat ik haar daarom niet zou kunnen interviewen maar al snel merk ik dat dat niet waar is.

Hoe kijk je terug op je Rotterdam en het klimaat in de stad?
Rotterdam heeft op een bepaalde manier ‘schrale grond’, waar onkruid en zeldzame bloemen goed kunnen groeien. Er is nog altijd veel ruimte, veel fysieke maar ook mentale ruimte, dat trekt creatieven altijd aan. Ik heb in die luwte heerlijk kunnen werken. Ik kon zonder voorbeelden en zonder afleiding een eigen verhaal ontwikkelen. De verkrijgbaarheid van werkruimte was en is nog altijd cruciaal voor elke ontwerper. Rotterdam staat er nog altijd goed op met haar mogelijkheden. Ik heb goeie plekken kunnen huren, een oud laboratorium, een oude slagerij en een monumentaal herenhuis. Die hadden allemaal een bepaalde jeux, een karakter dat goed paste bij mijn handschrift.
Hoe heeft de stad je werk beïnvloed?
Rotterdam is meer een pioniersstad, er is nou eenmaal minder infrastructuur voor de cultuur, en de mentaliteit is norser en harder. Duitsers zouden zeggen de stad is minder ‘etabliert’; ‘minder gevestigd’. Dat geldt voor Berlijn ook trouwens. Rotterdam is geen comfortabele stad, waar het allemaal wel op je af komt. Je moet er zelf op uit, zelf een netwerk opbouwen, je zelf verhouden tot de niet eenvoudige stad. Een stad waar de straatcultuur niet de jouwe is, een mannen stad en een stad voor vrouwen met ballen. Deze mentaliteit en de arbeidsethos die in de stad hangt hebben mij mijn ambitie van zuurstof voorzien. Een belangrijk thema in mijn werk is het vieren van de imperfectie, dat is ook herkenbaar in de stad Rotterdam.

Ik kom er achter dat wij 2001, het culturele hoofdstadjaar, beide als een hoogtepunt van Rotterdam beschouwen. Het was ook ongeveer het midden van onze Rotterdamse jaren.
‘Voor het eerst toonde de stad een culturele ambitie. De meer macho-ambitie van de grote haven kende we natuurlijk, maar dit was een andere ambitie. Men wilde er cultureel toe doen en was bereid daar diep in te investeren. Er ontstond een buzz rondom de stad. Een sociaal- en cultureel laboratorium werd het genoemd. Nieuwe plekken, initiatieven en organisaties kwamen als paddenstoelen uit de grond, opeens herkende je creatieve mensen op straat. Voor mijn gevoel stond Rotterdam voor het eerst echt op de radar. Dat heeft ontwerpers en kunstenaars aangetrokken om naar de stad te komen. Je kan dat duidelijk zien: er is een hele golf van na 2001.’

Over de afloop van 2001 verschillen we van mening. Ik gebruik de metafoor van een ingezakte soufflé, dat het klimaat ingestort zou zijn met als dieptepunt de ‘Leefbare Jaren’ Maar Hella is het daar niet mee eens.
Nee, de structurele winst van Culturele hoofdstad zijn de mensen die besloten naar Rotterdam te komen. Dat is het residu, dat er nog altijd is en daarmee is het geslaagd. Het is logisch dat de Calypso’s daarna gesloopt worden en projectorganisaties opdoeken. Het was zeker killer tijdens Leefbaar en Fortuyn, maar de batterij was opgeladen. Het is de golvende dynamiek van een imperfecte stad. Het enige wat echt schadelijk is voor de creatieve sector is dat de stad zijn genereusiteit verloren is.

Het is vreemd te vragen aan mijn vrouw maar: Waarom ben je vertrokken?
Ik hou ervan een beginner te zijn, te pionieren, mezelf en mijn werk opnieuw uit te vinden. Wij wilden ook graag vanuit het buitenland werken, een groter perspectief, en dit was het moment. Ik merk dat ik milder ben geworden over de stad en haar creatieve politiek. Het is allemaal niet genereus maar wel consequent en ook vanuit een mentaliteit die strookt met de stad. Het is nou eenmaal een weerbarstige stad, dat is haar kracht en haar zwakte. Je zwakte is trouwens altijd je kracht, of was dat een Amsterdamse gedachte?









Pleidooi voor traagheid

Het zal met mijn leeftijd te maken hebben maar ik houd steeds meer van traagheid. Traagheid is voor mij gaan leven na mijn emigratie. In Duitsland zijn veel processen namelijk trager dan Nederland.


Organisaties worden hier minder snel gereorganiseerd, waardoor instituties langer blijven zoals ze altijd waren. Zo heb je hier nog een ziekenfonds, gaan kinderen met 6 naar school en is zwembad- en schoolpersoneel ambtenaar.

Niet verhuizen
Door minder te veranderen zitten scholen, gemeentelijke diensten en sociale voorzieningen vaker in gebouwen waar ze al vijftig jaar of langer gehuisvest zijn.
Als ik voor een kinderbijslagaanvraag in de rij moet zitten, zit ik meestal niet in een ‘pas ontworpen, nieuwe stijl wachtkamer’, maar in gangen waar al generaties zich ergerden aan de bureaucratie.

De diensters hebben geen nieuw ontworpen, vriendelijkheid uitstralend tenue aan, maar een klof, dat al te lang mee gaat en gebruikssporen draagt. Zo is mijn deelgemeente gehuisvest in een gebouw dat daar een eeuw geleden voor ontworpen werd. (zie foto)


In de organisaties is de situatie net zo: Het  Duitse mediatoezicht geschiedt regionaal via gremia. Ook al is er een internetrevolutie en commerciële televisie, het gebeurt nog net zoals na de oorlog besloten werd. Centrale macht in de media mag nooit meer voorkomen. 

Ik interviewde onlangs een toezichtvoorzitster en vroeg: “Het systeem loopt toch hopeloos achter, u mist allerlei kansen. Moet dat niet heel snel veranderd?” Zij antwoordde heel kalm: “Over sommige veranderingen moet je gewoon veel tijd laten gaan, dat is beter voor het eindresultaat.” 

Opzettelijk traag
Ik was met stomheid geslagen. Ze schaamde zich niet voor traagheid, ze pleitte er zelfs voor. Daarmee deed ze iets dat ik in Nederland nog nooit heb meegemaakt: pleiten voor traagheid en stroperigheid. “Laten we het kalm aan doen, en er wat tijd overheen laten gaan”.


Ook in het genootschap waar ik penningmeester ben, heb ik soms moeite me te beheersen. We beslissen er namelijk volgens het (in Duitsland populaire) Konsensusmodell: alleen als niemand tegen een verandering is, gaat het door. Een veranderingsvoorstel wordt aangepast tot iedereen zich er in kan vinden. Er wordt nooit met alleen een meerderheid besloten. 

Veranderingen hebben daardoor veel draagvlak, maar per saldo betekent het: traagheid. Als je iets radicaals wilt, moet je het in stappen doen, en steeds iedereen meekrijgen. Maar het is juist die traagheid die zekerheid geeft, die routines creëert en die tradities laat ontstaan. Traagheid is spiritueler en meer in lijn met het leven. Traagheid maakt je minder zelfgecentreerd. Traagheid laat een rituele kracht ontstaan.

Ruimtelijke ordening te snel
Waarom schrijf ik dat hier op? Ruimtelijke ordening was ooit een trage discipline, maar zij is te snel geworden. De laatste 20 jaar hebben we ons laten meeslepen in gekkigheid die allerlei snelle jongens verzonnen.

De Vinex is te snel gebouwd en daarom is ze nu gedateerd. Almere is te snel opgepompt en daarom is ze nu lelijk en onaf.  IJburg is te snel ontwikkeld, daarom moest het 20 keer aangepast en valt het nu tegen. Stadshavens is te snel geïnstalleerd en daarom is het nu weer ontmanteld. En dan heb ik het niet over het Weena, de Bijlmermeer, de Zuidas en vele andere vormen van opgewonden stedenbouw.

Een nevenproduct van traagheid in planning is dat tijdens de wachttijd -de tussentijd- een bijzondere conditie ontstaat. Je hebt dan de zekerheid dat er nog een tijdje niets gaat gebeuren. In die tijdsruimte ontstaat Zwischenennutzung, kraken en allerlei vormen van tijdelijk en geïmproviseerd gebruik. Met traagheid komt automatisch improvisatieruimte los. 

Berlijn

Kijk wat er in Berlijn gebeurt in gebieden en panden die door traagheid 20 jaar braak hebben gelegen of leeg stonden. Van tijdelijke kunsthal tot Zwischennutzungs-theaters en van kunstkraakcentra tot kinderopvangplekken. Het vond z’n plek in of op wachtend vastgoed.

Toegegeven: heel soms moet je in dit vak snel handelen, zoals bij de HSL of de vuurwerkramp. De opgave is dan ook anders: je weet wat je te doen staat. Op dat moment is haast geboden, maar meestal is dat niet het geval.

Hoe zou IJburg eruit hebben gezien als het volgens Konsensusmodell ontwikkeld zou zijn? Er zouden misschien minder woningen hebben gestaan. Er zou zeker minder zijn verdiend. Ik laat dat nu buiten beschouwing, maat alle haast in de ruimtelijk ordening werd de laatste decennia gedreven door geld. Het vak Ruimtelijke Ordening moet weer terug naar waar het zijn roots heeft: in traagheid.


Minder hard werken
Ik roep u daarom allen op weer eens wat minder hard te werken, minder te veranderen, minder te initiëren, minder te willen bewegen. Minder te willen verdienen en minder een punt te willen zetten.
Wees traag.