referee

My love for football made me a soccer referee. Between 2005 and 2008 I was ‘whistling’ under number Gdpl684. Although I gave penalties, yellow cards and yellow-red cards I never dared to give a straight red card.

In the picture I pose before a typical Dutch landscape. I read the complete biography of Pierluigi Culina, but I cannot suggest it. Boring men are the best referees, since the game musn’t be about you.

In the referee training we had to practice how to show (in front of mirror or a camera) a yellow card. You must not look authoritarian, proud, angry or vain while doing so. The picture shows one of the tryouts: obviously to angry.

It was also suggested to keep a logbook, to write down what you have learned out of a match and what you did right and wrong. This is a fragment out of my logbook.

RVA 1 – Wippolder 1 (3-4)
Leuke, sportieve wedstrijd. Ik geef vlak voor het eind 2 man tegelijk geel voor onsportief gedrag. Ik geef een penalty aan Wippolder, voor een overtreding die eigenlijk buiten de 16-meter plaatsvond.  Opmerkelijk weinig klachten. Leuke sfeer door multiculturele, Suri-setting: Broodje bakkeljauw gegeten. Mooie. formele aftrap met hand schudden op een rijtje. Mijn beste moment: ik had controle gedurende de hele wedstrijd, ondanks gejoel en publiek. Mijn slechtste moment: ik geef een vrije trap die daarvoor in de plaats als inworp genomen wordt. Ik laat het doorgaan bij wijze van voordeel. Dat kan je niet maken: een foute hervatting kan nooit toegestaan worden. Trainer is in de pauze terecht boos.

Kopfkino

Kopfkino is an experiment with a new format in interviewing on stage. I interview designers on their inspiration. Designers will show their favorite film fragments from Vimeo and Youtube. In this way we wil have a look in their heads. in the German word Kopfkino the words head and theater are put together.

I want to show you one film, Paul Snowden has chosen. Look at the shocking, well organised truly underground action.

Beyond Berlin Biking


German bikers behave different in traffic. One chooses position here differently,  specially if you are waiting for a red light. It is illustrated by this picture on Alexanderplatz, Berlin. This is not an odd picture of silly situation: In Berlin this is regarded as normal.

Where I come form (Holland), the bikers who want to go to the left would stand on the left, waiting for their go. The road would be painted just the same as for cars. In Germany they want you stay as much to the right side as you can. Often I just do not know where to be with bike. Car owners sometimes yell at me, when I ride around on my Dutch intuition.

The idea behind it seems to me: We don’t want you to be here, buy a proper car.

Posted by Picasa

Er zijn te veel jonge docenten, Blad NA, sept ’05

Ben je nog ontwerper, of ben je ex-ontwerper?
‘Als ik moest kiezen, zou ik zeggen ik ben ex-ontwerper, hoewel ik geloof dat wat ik nu doe niet anders is dan wat ik deed. Bij Schie initi- eerde ik projecten. Het feitelijke ontwerpwerk deed ik zelden. Autocad kan ik niet eens openen. Nu initieer ik nog steeds projecten. Of dat ontwerpen heet ja of nee, dat maakt niet zoveel uit. Het is de meest gestelde vraag toen ik stopte met het bureau en voor Premsela ging werken. Dat hebben ze knap gedaan bij de BNA of de BNO, dat heel veel mensen ontwerpen als idyllisch ervaren.’

Het is ook de romantiek van zelfstandigheid.
‘En tegelij k weet ik als geen ander, dat zelfstandigheid ook een ticket is naar niet serieus genomen worden. Maar er zit zeker een romantiek rondom ondernemerschap, het hebben van een BTW-nummer.’

jij hebt je nu bevrijd van je BTW- nummer.
‘ja, ik roep nu weleens op feestjes. dat het in is om een baan te hebben. Niet alleen omdat ik er een heb, maar je voelt ook een beetje om je heen dat mensen weer de voordelen zien van het werken in een grotere organisatie. Een school is natuurlijk wezenlijk anders dan een bureau. Het werk bestaat niet uit projecten, maar uit routines. Als ik mijn been breek, loopt hier alles gewoon door. De kern, het opleiden van architec- ten, is volstrekt routinematig.’

Geeft je dat ruimte om je juist met andere zaken bezig te houden? ‘Als je iets wilt veranderen. veranderen ook de routines. Dus als je vindt dat er te veel jonge docenten zijn – volgens mij ben ik de eerste Nederlander die dat zegt – dan moet je dat in de routine zien op te lossen.’

Waarom wil je een veroudering van het docentenkorps?
‘Omdat er nu te veel een jongeren- cultuur is met alle pas afgestudeerde architecten voor de klas. Een architect wil in zijn veertigjarige loop- baan de eerste tien jaar graag lesgeven, dan twintig jaar niet en dan weer tien jaar wel. Ik vind dat er ook ouderen voor de klas moeten staan. je moet het niet verheerlijken, oudere docenten hebben vaak stok- paarden. Als docent moet je open staan voor wat je niet kent. Daar kun je kennelijk te oud voor worden. Het is ook niet per se dat ik voor veroudering ben. Ik ben voor een diversiteit in het docentenkorps en de studentenpopulatie, want ik wil niet allemaal 22-jarige ex-hts’ers. Het is gewoon ontzettend goed om een rijke biotoop te hebben, ook met buitenlanders erbij.’

Is het bereiken van die diversiteit je hoofddoel als directeur van de academie, of heb je ook nog andere doelen?
Ik vind dat wij een heleboel dingen al vrij goed doen. Het onderwijs is van hoog niveau, er is veel aandacht voor de studenten. Het curriculum is heel divers, dat doen we allemaal goe. Wat we slecht doen is ons te verkopen. Dat was vroeger niet nodig. We hadden studenten voor het uitkiezen. Nu niet meer. De hedendaagse studenten zijn veel calculerender. Ze weten dat je na de HTS in Delft op de TU achttien maanden eerder klaar bent dan hier. Bovendien kun je dan het moment van werken uitstellen. Dus stel, je hebt HTS gedaan, je hoeft nog niet zo nodig gelijk te werken en je wilt je OV-studentenkaart nog niet kwijt, dan kies je voor de TU. Het is mis- schien berekenend en gericht op de korte termijn. Maar ik kan het niet over mijn lippen krijgen om te zeggen dat zij iets fout doen, want daar kom ik niets mee verder. Ons duale stelsel dat je overdag bezig bent met een vak en ’s avonds en op vrijdagen daarover bijleert en daarin experimenteert, is natuurlijk slim. Maar omdat het je helemaal opvreet, past het niet goed in een tijd van flexibiliseren, waarbij je eigenlijk moet kunnen zeggen als academie: wil jij snel studeren, dan kun je snel studeren; wil je langzaam studeren, dan kun je langzaam studeren. En daar moeten we wel naartoe. Ik ben wat dat betreft van de marketing. De klant heeft gelijk: als een student efficienter wil studeren wil ik hem het meest efficiente pakket aanbieden. En als die student het minder intellectualistisch wil, en in principe heeft hij daarin denk ik gelijk.

Dat is en van de geluiden die je hoort, dat het minder intellectualistisch moet?
Minder conceptueel, minder intellectueel, minder sektarisch. Er is een cultuur van ‘wij. architectuurliefhebbers en stedenbouwliefhebbers zijn een familie en je mag blij zijn dat je daarbij mag horen. De huidige generatie hoeft niet zonodig bij die sekte te horen en daarin geef ik ze geen ongelijk.

‘Is dat iets blijvends bij deze generatie of denk je dat ze later wel willen toetreden tot de sekte?
‘Ik zou bijna zeggen, ik hoop dat het blijvend is, want ik voel met ze mee. Onderdeel van die sekte is ook dat de leden ervan alles beter weten. Ik ben altijd nogal politiek georienteerd geweest, de opkomst van Fortuyn heeft mij aan het denken gezet. Architecten en stedenbouwers zitten heel dicht op de macht en hebben net als politici totaal over het hoofd gezien wat er in de middenklasse aan het gebeuren is. Dat mensen een vrijstaande woning willen uit een catalogus, daar wordt op neergekeken. Ik vind ze ook niet mooi, daar gaat het niet om, maar je moet iets doen met het signaal dat een groot deel van de mensen dat toch het liefst wil. Onder de vlag van conceptualiteit zijn de echte vragen in de jaren negentig vooruit geschoven. Als er toen over multiculturaliteit werd gesproken kwam iedereen met enthousiaste verhalen over Kanaleneiland in Utrecht waar je misschien een boulevard kon ontwikkelen waar je Marokkaanse hapjes kan kopen. Daarin schuilt fundamenteel een onwil om de problematische en de harde kant van de multiculturaliteit te beschouwen.”

Ik wil een grondige maatschapelijke verankering van het onderwijs en dar kom ik in deze stad goed mee uit, want in Rotterdam is nu van alles aan de gang. er is een wederzijdse warmte tussen de stad. de architectuur- en stedenbouwproductie in de stad, en deze school. En ik voel mij ook verplicht, volgaarne, om me op die stad te orienteren. Dat is niet loos. Ik hoop dat de school zich meer gaat verkleven met de samenleving. Daarmee hoop ik – want zo ben ik wel – dat ik er als eerste bij ben.’ ‘Ik wil de architectonische en steden- bouwkundige dimensie ontdekken van wat er nu speelt. Ik heb daarom bijvoorbeeld rondjes gemaakt langs de velden; politici, projectontwikkelaars, woningbouwcorporaties. Met de vraag: wat zijn de echte opgaven? We hebben daarvan een lijst gemaakt van tien maatschappelijk relevante opgaves. Daar zetten we afstudeerders op. Een goede opdracht is de helft van het werk. De laatste Archiprix-winnaar, met een plan voor een islamitische begraafplaats, bewijst dat. Je ziet ook dat mensen die afstuderen op goed getimede en relevante onder- werpen vaak een betere start maken. Als ik studenten zelf hun afstudeer- project laat verzinnen, komt er mij te vaak een museum voor de dans uit, of nog erger, een huis voor een dichter. Dat vind ik volslagen oninteressant.’

Hans Ibelings

De publieke ruimte van de nieuwe media

De publieke ruimte verandert in een rap tempo onder invloed van nieuwe media. Was vroeger een hardop pratende alleenstaande in het openbaar een teken van psychose, tegenwoordig kijken we er niet meer van op of om.

Waarschijnlijk is de persoon in kwestie via zijn mobiel met zijn vrouw aan het bellen. Hij kan ook verbaal zijn digitale assistent aan commanderen zijn. Ook stilstaande mensen zijn weer terug in de publieke ruimte, niet de versleten theatrale act -of wezenloos van te veel drugs- maar om zich te beter te kunnen concentreren of om sms te verzenden.

Het met duimen typen op een 10 letterig toetsenbord is een vaardigheid die vaak publiekelijk gedemonstreerd wordt; een gemiddelde puber haalt meer toetsaanslagen dan een doorgewinterde secretaresse. De openbare ruimte wordt herontdekt als werk-, speel- en demonstratieruimte, nadat zij lang alleen doorgangsplek was.
Nieuwe media en openbaarheid
Niet alleen in de fysieke openbare ruimte zijn betekenissen, functies en gebruiken aan het verschuiven door oprukkende technologie. In nieuwe media blijkt publieke ruimte verscholen te zitten. Internet en e-mail bezitten een openbaar potentieel dat publieke ruimte genoemd kan worden.

Het is mogelijk om met relatief eenvoudige middelen te ontvangen, uit te zenden en interactie aan te gaan. Het is mogelijk te ontmoeten, een positie in te nemen en van gedachten te wisselen. Het is mogelijk te flirten met een meisje waarvan je hoopt dat ze zo mooi is als dat ze zegt. Het is mogelijk te discussieren over protestpartijen, een vraag te stellen over het belang van Schopenhauer of een koppak-kering en last but not least is het’mogelijk een mud aardappelen en een encyclopedie te kopen of te verkopen.

Stuk voor stuk handelingen die in de publieke ruimte plaats hebben en plaats hadden, de vergelijking dringt zich op. De nieuwe vorm van openbaarheid en openbare ruimte is op een andere manier toegankelijk, ze heeft als het ware haar eigen publiek, dat niet zelden jonger is dan het publiek van bestaande openbaarheid.

Maar deze nieuwe openbaarheid verschilt verder verdacht weinig van de klassieke openbaarheid zoals we die kennen. Daarmee klopt deze openbaarheid, die veroorzaakt is door het aaneenschakelen van computers op initiatief van de NASA, aan de deur van de gereguleerde en gecertificeerde openbaarheid.


Nieuwe media en subculturen
Ontwikkelingen in de virtuele openbaarheid zijn het best waarneembaar in subculturen. Leden van subculturen kunnen dankzij nieuwe media elkaar ontmoeten en in hun eigen taal met elkaar van gedachten wisselen, en dat doen ze dan ook gretig. Op een populaire chatsite als wwwtmf.nl zijn op een zaterdagochtend 10 Turkse en 4 Marokkaanse kanalen actief, en ook soapliefhebbers hebben hun eigen plek gemaakt in de virtuele openbare ruimte.

Openbaar en toegankelijk voor ieder die dat wil Openbare ruimte dus. Islamitische jongeren bespreken anoniem dingen die ze noniem niet bespreken, autofolder-verzamelaars wisselen via digitale veilinghuizen op wereldschaal materiaal uit waar ze dat vroeger op beurzen in het land deden. De fysieke publieke ruimte wordt uitgebreid, aangevuld, vervangen en versmolten met allerhande virtueel/fysieke partnerships. En het lijkt erop dat daarbij de moraal, de wetten en de gebruiken gewoon meegenomen worden.

Combineren
Wat zouden deze twee fenomenen, publieke ruimte en nieuwe media, nog meer voor elkaar kunnen betekenen? Kan de publiek ruimte nog op meer manieren dan de al bestaande verrijkt worden met deze nieuwe mogelijkheden?

In het afgelopen jaar hebben wij twee onderzoeksprojecten over dit thema opgezet; Gratis Tanken en de Chatbench. Het verschil tussen de twee projecten is dat Gratis tanken de openbaarheid zoekt die in nieuwe media verscholen is, terwijl Chatbench de fysieke, bestaande open- bare ruimte wil verrijken met mogelijkheden die nieuwe media te bieden hebben.

 De drijfveer van beide projecten is echter eender: Hoe kan de publieke laag van technologie ge‹ntegreerd, vermengd of opgelost worden in het fysieke publieke domein? Kan de publieke ruimte op een ander niveau worden gebracht met behulp van technologie? Kunnen er vanuit technologie hybrides bedacht worden, die de mogelijkheden van het fysieke publieke domein en het virtuele publieke domein combineren? Kortom, wat heeft de straat te bieden aan dit technologische proces en wat heeft techniek de straat te bieden? Welke rol kunnen ontwerpers spelen in dit proces, dat vooralsnog zonder ontworpen dimensie zich over ons voltrekt ?

Gratis tanken
Gratis tanken onderzoekt de vernieuwing van de publieke ruimte via het publieke debat met jonge deelnemers (onder de veertig) over hedendaagse onderwerpen. Wij gebruiken voor het openbaar maken van deze debatteneen specifieke infrastructuur (internet, e-mail en theater), waarbij niet alleen de inhoudelijke maar nadrukkelijk ook de distributieve kant van het publieke debat wordt onderzocht. De ontwikkelde knowhow over de publieke betekenis van nieuwe media beschouwen wij ook als publiek bezit. Iedereen kan gratis tanken. (www.gratistanken.nl)

Chatbench
Een bank in de openbare ruimte was ooit een ontmoetingsplek. maar door de verharding in het publieke leven is deze taak bijna verloren gegaan. Mensen zijn in de openbare ruimte bang om aangesproken te worden en die angst is niet ongegrond.

De publieke ruimte is hoe langer hoe minder een plek om ontmoetingen aan te gaan. Om de oude opgave van de publieke ruimte te reanimeren hebben wij in samenwerking met JungeriusLab een serie banken ontworpen waar gebruikers op een andere manier met elkaar contact kunnen leggen. De banken staan in een open verbinding met elkaar via een stelsel van portofoons. Via de Chatbench is het mogelijk om te praten of te kletsen met andere gebruikers van de bank. Een concept als dat van de chatbench maakt het mogelijk verbindingen tussen vreemden tot stand te brengen.

Die vreemden kunnen zeer nabij zijn (we werken nu aan een aantal banken in de Gemeente Amersfoort) maar de geschakelde banken zouden ook veel verder van elkaar vandaan kunnen staan, met de inhoudelijke gevolgen van dien. Als verschillende gekoppelde banken in Marrakech, Spangen en Lombok geplaatst zouden worden zou de inhoud en de betekenis anders zijn als dat de banken in Wassenaar. de Schilderswijk en het Lange Voorhout gekoppeld zouden worden.

Wij hopen dat je op de bank getuige kan worden van een gesprek tussen twee mensen of de intieme openbaringen van kletsende pubers zou kunnen opvangen. Het is te hopen dat een eenvoudig instrument als Chatbench kan bijdragen aan de revitalisering van het publieke in de publieke ruimte.

The Tallest Building and the Longest Subway

10 October 2010 was a tragic day for mankind and city planning. Another idiot wanted to make the highest. Not the best, not the most humane. No, the most phallic eruption, the biggest dick, is now officially in Dubai. Not to be outdone by anyone else, of course, Dubai also saw fit to construct the longest, fastest subway ever. Some may find it exhilarating to see their fellow humans reach for light speed. As we can see, however, if we look at these two projects, such architectural ambition becomes problematic when man begins to lose all sense of reality—or functionality.
Take the new tallest building in the world, for example, seen in the video below. It is completely ridiculous to live in a building that tall. On the ground floor there is no way to deal with parking, public space, or green spaces. This multi billion dollar operation has only one purpose: to set a record. It is not meant for people to live in, nor for people to regard as their own house or apartment. These apartments are only financial products, not homes. This architecture is banking, not designing. These architects should be ashamed of themselves and go back to school.  Stop this ridiculous, old fashioned, stupidity of the “highest, fastest, tallest, farthest and deepest.” Stop it now.

–>

Here is a stop motion film of the subway in Dubai, which officially opened in September 2009. The film moves as if at 1200 kilometers an hour. The stations are designed in Dubai style with the inevitable marble and shiny metal embellishments. Metro lines are often built for the prestige they give to their cities.  The subway is regarded as an integral part of any modern, well-organized, clean city. It is a sign of ambition, strong leadership and a metropolitan view of the world.  In the west, for example, subways were popular symbols among planners in the seventies and eighties, used to heighten the status of the cities they were building. The same holds true for any city that wishes to become a candidate for the Olympic Games. Many former Olympic cities, such as Barcelona, Montreal, Seoul, Moscow, and Beijing extended their metros when they hosted the games. For Dubai, questions of prestige played a serious role in the birth of their subway—proven by the fact that numerous important royals attended its opening.
There is an immigration rate of more than 95% in multi-ethnic Dubai. Almost everybody who lives there wants to have a financially better future. No one there seems to have any idea, however, of how to run a multicultural city. All the hard lessons that were learned in hundreds of new towns and immigration cities seem to be ignored here. So in the end, neither the highest building nor the fastest subway will seriously contribute to defining a multicultural city in the Middle East.

Archined over Autonomie

Gedurende de Eindhovense Week van het Ontwerpen kwamen de technoliefhebbers van Booosting bijeen voor een presentatie- en discussiemiddag onder de titel ‘Autarkie en Autonomie: de (toe)komst van zelfvoorzienende woningen en zelforganiserende producten’. Een levendige bijeenkomst met voldoende stof tot nadenken.

1. Autarkisch huis, Schie 2.0
De eerste presentatie was van Lucas Verweij (ex Schie 2.0, tegenwoordig domeinhouder Premsela) die met Schie 2.0 jarenlang bezig is geweest om een autarkisch huis te realiseren. Het begrip autarkie is eigenlijk afkomstig uit de economie en betreft de mate van (of het streven naar) economische onafhankelijkheid. Een autarkische staat is niet of nauwelijks afhankelijk van invoer en/of uitvoer, maar is daarentegen geheel zelfvoorzienend. Om maar eens een paar voorbeelden te noemen: de Verenigde Staten zijn economisch grotendeels autarkisch, maar Albanië in de jaren van Enver Hoxha was dat ook. Het streven naar autarkie gaat dus – zo begon Lucas Verweij zijn presentatie – eigenlijk altijd gepaard met een bedenkelijke politiek van afzondering. Of dit nu gaat om extreem rechtse groeperingen die zich in de wouden van Noord Amerika terugtrekken of om extreem linkse ‘weg met de consumptiemaatschappij’ groepen, autarkie als politieke doelstelling is in wezen anti-maatschappelijk. Dat betekent natuurlijk nog niet dat een autarkisch huis, een huis dat geheel zelfvoorzienend is en onafhankelijk kan functioneren van netwerken voor riolering, electra, gas, water en afvalverwerking, automatisch een antimaatschappelijk huis is, er worden immers ook duurzaamheidsdoelen nagestreefd die ten goede komen aan de maatschappij als geheel.
Of eigenlijk is het nog anders: autarkie op de schaal van het woonhuis impliceert duurzaamheid; het los van bestaande netwerken wonen lukt alleen als al die zaken waar de hoogontwikkelde maatschappij netwerken voor heeft aangelegd binnen de woning zelf worden opgelost en verwerkt. Dus eigen stroomvoorziening, eigen afvalverwerking, eigen schoonwateropwekking etcetera. Het omgekeerde is overigens niet per se waar: duurzaamheid behoeft niet automatisch autarkie te impliceren, hooguit op de schaal van de aarde als geheel.
Duurzaamheid was niet het uitgangspunt toen Schie 2.0 aan het onderzoek naar de autarkische woning begon. Aanvankelijk ging het om de vraag naar een woningbouw in extreem lage dichtheid van 1 woning per hectare. Aansluiting op nutsnetwerken is bij een dergelijk dichtheid te duur en te ingewikkeld, dus moet de woning zelfvoorzienend zijn en dat kan alleen maar als er gebruik wordt gemaakt van technieken die tegelijk duurzaam zijn. In de loop der jaren is een set van technieken en producten ontwikkeld die een dergelijke autonomie inderdaad mogelijk maakt. Ook waren er voldoende kavels waarop een proefwoning gebouwd kon worden. Dat het autarkischs huis van Schie 2.0 uiteindelijk toch niet is gebouwd, lag volgens Lucas Verweij deels aan een gebrek aan geld, maar ook aan de ‘krankzinnige’ regelgeving die bijvoorbeeld verbiedt om zelfgefilterd drinkwater te gebruiken; aansluiting op het drinkwaternetwerk is in Nederland verplicht. Dankzij die verplichting komt cholera in ons land overigens niet meer voor, het is dus maar de vraag of totale autarkie in een dichtbevolkt land als Nederland haalbaar of maatschappelijk wenselijk is.

Dat ligt anders in een land als Nieuw Zeeland. Daar kon de tweede spreker Edwin Nieman (directeur Kamahi Electronics) ogenschijnlijk probleemloos een volledig autarkisch huis bouwen. Voorzien van alle luxe en comfort en bepaald niet ogend als een minimumwoning, is zijn huis aan de kust echter volledig zelfvoorzienend. De woning is gebouwd met een houten skelet en gestuukte strobaalmuren. Energie wordt verzorgd door een windmolen en een kleine pve-backup unit. Verwarming vindt plaats door een met hout gestookte tegelkachel, die tevens als CV-moederhaard dient. Het is bij een dergelijk huis van belang dat alle systemen goed geregeld worden. Omdat Nieman zelf elektrotechnicus is, was hij in staat zijn laagtechnologische systemen te voorzien van een slimme centrale sturing.
De derde spreker Evert Kolpa (Lofvers, Van Bergen, Kolpa architecten) was eigenlijk op het programma gezet als ‘tegenlezer’, die bij de Booostingbijeenkomsten de ‘voorlezers’ van repliek dient. In dit geval bekritiseerde hij de autarkie niet zozeer, maar plaatste hij tegenover de hermetische en geïndividualiseerde autarkische woning een aantal grootschalige projecten waarin – evenals in de autarkische woning – wordt gezocht naar een gesloten systeem. Hij nam het woord autarkie bewust niet in de mond en sprak in plaats daarvan van ‘ecologie’ van het gebouw. Daarbij wordt gezocht naar terugkoppelingssystemen waarbij een kringloop wordt opgebouwd die ‘schadelijke’ uitstoot omzet in ‘nuttige’ stromen die in het systeem kunnen worden gebruikt.
Na deze drie architecten werd de aandacht verlegd naar het productontwerp. Diverse zogenoemde autonome producten die recent op de markt zijn gekomen functioneren zelfstandig en behoeven geen menselijke interacties. Voorbeelden van dergelijke producten zijn zelfinitiërende stofzuigers en grasmaaiers. Deze beslissen zelfstandig wanneer een vloer moet worden gezogen, dan wel wanneer en welk deel van het gazon moet worden gemaaid. Zij keren terug naar hun oplaadstation als de batterij leeg raakt.
Leuk speelgoed, maar wat hebben we er aan en willen we dergelijke producten eigenlijk wel? Lucas Verweij merkte in elk geval op dat hij nu juist zelf wilde beslissen en dat hij daarom aan het onderzoek naar een autarkische woning was begonnen. Het beoogde gemak van dergelijke autonome producten staat op gespannen voet met de eventuele complexiteit en risico’s bij aanschaf van deze producten. Hoe zwaar weegt het overdragen van de controle over de producten ten opzichte van het beter kunnen uitvoeren van routinematige handelingen? Zijn deze eerste schreden naar intelligente huishoudelijke producten ook van invloed op de zelforganisatie van het gebouw? Serge Rijsdijk is op de faculteit Industrieel Ontwerpen van de TU Delft bezig met een promotieonderzoek naar de kansen en bedreigingen van dergelijke autonome, intelligente producten. Uit zijn onderzoek blijkt onder meer dat de acceptatie sterk afhankelijk is van de mate waarin gebruikers vermoeden dat het product met hun ‘aan de haal gaat’.
Wat dat betreft kan Philips nog wat leren van dit onderzoek. In de laatste presentatie gaf Jos Stuyfzand (Design Director Lighting Philips Design) hoog op van de Brave New World vol ‘ambient environments’  en ‘ambient Intelligence’ en de nieuwe rol die verlichting in de architectuur kan gaan spelen, maar stelde hij zichzelf niet de vraag welke persoonlijke of maatschappelijke doelen hiermee gediend waren anders dan comfort en home-entertainment.

De kloof tussen autarkie en autonome producten die gespreksleider Marcel Vroom trachtte te overbruggen bleef ook in de discussie na afloop aanwezig. Uiteindelijk stonden architecten en productontwerpers tegenover elkaar. Waar de architecten zelfbeslissing en lage technologie als uitgangspunt nemen en daarbij een hoge mate van ontwerpintelligentie inzetten, lijken de productontwerpers hoge technologie en ‘intelligentie’ als ontwerpdoel op zich te nemen. Lage technologie versus hoge technologie, slim ontwerpen versus slimme producten, de autonomie van de gebruiker of de autonomie van het product, de extremen kwamen niet samen. Of dat ooit zal gebeuren is de vraag. Autarkie in de vrolijke variant is tenminste voor een deel een kritiek op de consumptiemaatschappij, terwijl producenten als Philips natuurlijk niet gebaat zijn bij dergelijk ‘ doe-het-zelf met gebruik van lage technologie’ gedrag. In beide gevallen, zowel ten aanzien van autonome producten als wat betreft het streven naar autarkie, zal bovendien goed moeten worden nagedacht over de maatschappelijke consequenties. Het lijkt me stof voor verdere discussie, juist onder techneuten. Want uiteindelijk zijn zij het die voor een groot deel bepalen met welke soort producten we ons in de toekomst zullen omgeven en hoe we zullen wonen. Dat we daar als individu veel over te zeggen hebben, dat de ‘markt’ zoiets bepaald, dat is grotendeels marketingretoriek. In die zin is autonomie een illusie.

bron: Archined

Februariverhuizing

Net niet mee gewonnen op een Ruimtelijke ordenings schrijverswedstrijd in ’94 

De belangrijkste gebeurtenis in mijn leven was de verhuizing van ons gezin van Regio Noord naar Randstad. Het was in februari 2010, twee dagen nadat ik zeven geworden was. Het was een begrijpelijk besluit van mijn ouders, na de eeuwwisseling was regio Noord tot landbouwzone verklaard en daardoor had mijn vader er als software-deskundige niets meer te zoeken. Toen begreep ik dat allemaal niet, ik wist alleen dat ik al mijn vriendjes moest verlaten en vond dat vreselijk.

Voor kinderen was Noord een paradijs, in de verlaten dorpen stonden leegstaande woningen en kantoren waar ik vuurtje stookte en verstoppertje speelde. We hadden een club en ontmoetten elkaar in de suikerfabriek, ons hoofdkwartier. Daar werd besloten, of liever gezegd, daar besloot Karel wat we die dag gingen doen. Meestal gingen we naar de akkers in het zuiden.
Daar waren grote rechthoekige landbouwpercelen van afwisselend 64, 32 en 16 hectare van één gewas. Er liep een wegenstelsel doorheen, waarvan de plattegrond deed denken aan een oregami; een schijnbaar regelmatige structuur die maar op één manier in elkaar past. Het was ontworpen door een wiskundige, meen ik. Toen het aangelegd was deelde de gemeente aan iedereen geplastificeerde plattegrondjes uit, zodat de bevolking niet zou verdwalen. Ik moest zo’n kaartje van mijn moeder altijd bij me dragen.
Met Wim Houting en Karel van End klom ik vaak over de hekken van de akkers heen We vonden dat spannend omdat we niet gezien mochten worden door de beveiligingscamera’s. De bewaking van de akkers was uit handen gegeven aan particuliere bedrijven en als die je te pakken kregen waren ze heel vervelend. Nu zou ik niet meer accepteren wat zij toen allemaal zeiden, maar kinderen 6 kennnen hun burgerrechten nog niet zo goed.
De aardappelrooimaschines waren favoriet om stiekem te bespringen, zij hadden een mooi tempo en bovenop was een plekje waar je kon zitten wat nog stamde uit de tijd dat ze bemand waren. Als je uiteindelijk dan op de, met zwart kunststof beklede stoel zat terwijl je traag over het eindeloze aardappelveld heen bewoog zag je in de verte een haast gesloopte stad en voelde je je he
el belangrijk.
    De verhuizing veranderde niet alleen mijn woonomgeving drastisch, de dag zelf zal ik ook nooit meer vergeten. Ik zat alleen met mijn moeder in haar auto, een heel oud skodaatje uit ’98. Omdat we met een imperiaal niet op de hoge snelheidswegen mochten, zou de rit een halve dag gaan duren. Toen we helemaal gepakt en gezakt waren bleken de sleutels van de auto, Skoda had dat toen nog, achter in de verhuisauto te zitten. Ons vertrek werd daardoor nog meer uitgesteld. Een vriend van mijn vader heeft toen met een ijzerdraadje de auto aan de praat gekregen en zo vertrokken mijn moeder en ik voor een helse rit naar Randstad.
De rit was niet alleen spannend omdat ik me geen voorstelling kon maken van het gebied waar we kwamen te wonen maar ook omdat de auto niet af mocht slaan, er zat immers geen contactsleutel op het slot. Tijdens de rit vertelde mijn moeder over Randstad waarbij ze bij elk stoplicht haar relaas onderbrak om naar de motor te luisteren. Heel langzaam en duidelijk zette ze eerst de geschiedenis van het gebied uiteen. Met open mond hoorde ik het verhaal aan over de 12 steden die ooit allemaal om een groene cirkel heen stonden. En dat je daardoor, als je met de trein van de haven naar de diplomatenwijk reisde, al in twee verschillende gemeenten was, je moest zelfs overstappen in weer een derde. Het meerstedensysteem had het loodje gelegd tijdens de herverkavelingspolitiek van de eeuwwisseling, en ik wist dus niet beter dan dat Randstad de stedelijke zone van Nederland was, honderd kilometer onophoudelijk stad.
Onze flat in Zuid 3-d was op de 7e etage, het uitzicht was vooral ’s avonds zo indrukwekkend dat we de eerste week geen televisie gekeken hebben. Na het eten ging ik met mijn broertje voor het raam zitten en wachtten we totdat het donker werd. Ik speelde met mijn nieuwe buurjongetjes, Abdelli en Morgan. Omdat zij in de Randstad geboren en getogen waren vonden ze mij een boer. Mijn taalgebruik was veel Hollandser dan dat van hun. Zij gebruikten veel woorden die ik wel kende van de radio, maar die wij in het Noorden niet gebruikten. Ik paste me snel aan en begroette na twee weken ook met ‘Hallo alekoum’ en ‘Ham dilillah’.
Met Abdelli ging ik vaak naar een stuk kaalslag achter de Albert Heijn. Als we vanuit onze straat er heen liepen staken we dwars de snelweg over, die op dat punt 12 banen breed was. Vooral in het midden, moesten we goed opletten, op het hoge snelheidsspoor werd vreselijk hard gereden. Soms keken we een hele middag alleen maar naar de auto’s op de middenbaan. De Mercedessen, Audi’s en BMW’s hadden toen net het linksysteem, waardoor niemand hoefde te sturen en ze onmogelijk een botsing konden krijgen. Wij fantaseerden dan met tweëen over hoe onze auto er later uit zou zien.
Op ‘het lege landje’, zo noemden wij het, had ooit een kinderdagverblijf gestaan wat door de ontvolking was gesloopt. Nu werd het gebied, een half voetbalveld groot, nergens meer voor gebruikt. Er stonden geparkeerde auto’s, veel pallets en er woonden een paar zwervers in zelfgebouwde woningen. Abdelli praatte Arabisch met de één van de mannen terwijl ik me stond me te vervelen. Meestal gingen we er hutten bouwen, als zo’n hut dan later door iemand bewoond werd waren we trots. Het was als muizenvallen zetten, we probeerden het zo aanlokkelijk mogelijk te maken om iemand iets tragisch te laten overkomen.
Abdelli werd mijn beste maatje, we deden alles samen, het was een pure en naïeve jongensvriendschap. Toen het weer februari werd, een jaar na de verhuizing dus, mocht ik voor mijn achtste verjaardag zeggen wat we die dag zouden gaan doen. Na een week te hebben getwijfeld tussen naar zee gaan of een boswandeling koos ik voor het laatste, op voorwaarde dat Abdelli mee mocht.
Ik zal het nooit vergeten, het was hartje winter en we reden met de verlengde bestelauto van mijn vader naar Midden 2. We kwamen eerst langs het Randstadkanaal en een aantal industriegebieden waar we altijd probeerde onze adem zo lang mogelijk in te houden, aangemoedigd door de grijze rook die uit de schoorstenen kwam. De bosstrook was half zo groot als de Randstad, mijn moeder en mijn vader zeiden er nog ‘Veluwe’ tegen. Toen we er aankwamen parkeerden we op een groot stuk asfalt waar geüniformeerde mannen je een plek toewezen. De trein stopte ook midden op dat stuk asfalt. Mijn moeder kocht kaartjes voor de wandelafdeling, Abdelli en ik mochten ze vasthouden. Ik had liever naar het All-Terran-deel gewild, waar iedereen op mountain-bikes over hindernissen heen reed maar zoveel fietsen konden niet in onze auto. Toen we binnen waren voelde Abdelli zich meteen al niet op zijn gemak, later begon hij zelfs te huilen. Mijn moeder heeft toen met hem gepraat terwijl ik niet begreep wat er aan de hand was. Ik vond het wel heel erg, uitgerekend op mijn verjaardag was hij van streek. Pas jaren later hoorde ik dat hij was geschrokken van het bos omdat hij het alleen van televisie kende.