Nieuw kaartbeeld toont Randstad als echte metropool, NRC Handelsblad

door Dick van Eijk (17 04 1996)
Stedebouwkundige: Op de huidige kaarten is Groene Hart te leeg; Randstad blijkt op nieuwe kaart één grote metropool

Door de manier waarop West-Nederland doorgaans op kaarten wordt afgebeeld, lijkt het Groene Hart veel groter dan het is, en lijkt de verstedelijking minder dominant dan in werkelijkheid. Stedebouwkundig vormgever Lucas Verweij pleit voor een ander kaartbeeld, een kaart van de Randstad als metropool.
In kiosk en benzinestation zijn kaarten te koop van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag. Van elke grotere stad. Ook een autokaart van Nederland is voorhanden. De ANWB en enige boekhandels bieden bovendien kaarten van Zuid-Holland, Noord-Holland, Utrecht en andere provincies. Maar naar een kaart van de Randstad zoekt men tevergeefs. Zo’n kaart bestaat niet.
Stedebouwkundig ontwerper Lucas Verweij realiseerde zich dat toen hij twee jaar geleden in Los Angeles was. “Ik had een kaart van de stad gekocht en zocht een museum waar ik heen wilde. Dat was anderhalf uur rijden. Daar was dat heel normaal. Eenmaal terug in Nederland ging ik naar het Stedelijk Museum. Dat was ook anderhalf uur. Toen kon ik me de Randstad ineens als één geheel voorstellen, net als Los Angeles.”
Dat de Randstad zich als metropool zo lang verborgen heeft kunnen houden, heeft volgens Verweij veel te maken met het kaartbeeld. “In standaard cartografische representaties wordt een gebied doorgaans leger gehouden dan het is. De kaarten waar we het meest mee vertrouwd zijn, zijn wegenkaarten. Daarop staan dorpen vaak afgebeeld als een open rondje. Ze hebben geen vlees. Ik snap dat ook wel: het is lastig om al die huisjes op de kaart te zetten. Maar als je een topografische kaart kopieert en alle infrastructuur eruit haalt, zie je een zweem van bebouwing.”
Het niet-stedelijke gebied van de Randstad is dus minder leeg dan het alledaagse kaartbeeld doet vermoeden. Maar het metropoolkarakter van de Randstad zit niet alleen in stedelijkheid of bebouwing, maar ook in de infrastructuur en het ruimtegebruik, aldus Verweij: “Bij de Vinkeveense plassen is het op zondag hartstikke druk. Dat zie je niet op een kaart.” Geleidelijk aan groeide bij hem het verlangen dan zelf maar een kaart te maken. “Ik probeer via de perceptie van het publiek het Randstedelijk denken te vergroten.”
Nederland bekijken we eigenlijk altijd op dezelfde manier: het noorden boven. Die oriëntatie heeft tot gevolg dat een kaart die ten minste de vier grote steden bevat linksboven een enorme driehoek zee toont, en rechtsonder een grote lap groen die zich uitstrekt tot diep in de Betuwe. Dat ligt er allebei wel, maar dat heeft niet zo veel te maken met de Randstad, het gebied dat je op zo’n kaart van West-Nederland zou willen afbeelden. Daarom kantelde Verweij voor zijn Randstadkaart Nederland een eindje om de noord-zuid-as. Dat maakt een veel strakkere uitsnede rondom de vier grote steden mogelijk, zonder dat overbodige stukken zee en weiland worden afgebeeld.
Er waren meer ingrepen nodig om de metropool tot leven te wekken. Verweij: “Als je de Randstad als eenheid wilt zien, moet je de traditionele hiërarchie eruit halen. Daarom heb ik alle corpsgroottes van plaatsnamen gelijk gemaakt.” Een wijk van een grote stad, zoals Hillegersberg in Rotterdam of Osdorp in Amsterdam, is net zo goed een wijk van de Randstad als een middelgrote stad of een flink dorp. Gemeentegrenzen hebben vooral administratieve betekenis – vanaf het asfalt gezien merk je niet eens dat je van Den Haag naar Voorburg of Leidschendam gaat.
De structuur van een stad is niet iets dat er zonder meer is. De structuur van een stad zit ook in je hoofd. Door de vormgeving van het kaartbeeld is die structuur in de hoofden van de mensen te beïnvloeden. Een alledaags voorbeeld: veel mensen die voor het eerst naar Japan vliegen, zijn verbaasd dat de vlucht hen over de Noordpool voert. Dat past niet in het alledaagse kaartbeeld. Maar op een kaart met de Noordpool in het midden lijkt een route over de bevroren zee een vanzelfsprekende manier om van Amsterdam in Tokio te komen.
Uitsnede, kleurgebruik, belettering – het zijn allemaal manieren om met een kaart het beeld in het hoofd van de gebruiker te beïnvloeden. Verweij: “De belangrijkste ingreep in het kaartbeeld heb ik al makend ontdekt: de Ringweg – de Randstadring, zoals ik hem heb genoemd.” Het is een aaneenschakeling van allemaal bestaande stukken autosnelweg, doorgaans gezien als wegen die van A naar B leiden. Door deze wegen te zien als één ringweg, ontstaat een nieuw beeld van de stedelijke structuur: de wijken van de Randstad liggen allemaal langs afslagen van die ringweg. Ineens is het een stuk makkelijker om een buitenlander de weg te wijzen van Delft naar Abcoude.
Een dergelijke kaart verandert je manier van kijken naar de Randstad, meent Verweij. “Hij vergroot je mentale actieradius. Er rijst dan ook ineens een heel andere vraag over het Groene Hart. Op dit moment ligt het Groene Hart ‘buiten de stad’, maar met zo’n kaart voor je, realiseer je je dat het wel degelijk een deel is van die metropool.”
Dat wil helemaal niet zeggen dat de verstedelijking daar dan ook maar ongebreideld voort moet gaan, vindt Verweij. “Elke metropool vertoont enorme contrasten. In Los Angeles verschillen Compton en Beverly Hills zelfs veel meer van elkaar dan welke twee buurten in de Randstad dan ook.”
Wanneer je het Groene Hart ziet als onderdeel van de stad, in plaats van als iets dat buiten de stad ligt, ga je er al snel op een andere manier over denken, ervoer Verweij. “De Randstad is met zes miljoen inwoners de 28e metropool van de wereld, tussen Petersburg en Taipeh. In veel steden van zes miljoen inwoners heb je parken of natuurgebieden waar je rustig anderhalf uur kunt wandelen. In de Randstad niet. Er is wel groen, maar dat is geen natuur. Als je uitgaat van een stad van zes miljoen inwoners, kun je denk ik makkelijker gebieden aanwijzen waar je besluit helemaal niets meer te bouwen. Als je daarentegen uitgaat van ‘het Groene Hart moet blijven’ lukt dat niet: dat is de afgelopen veertig jaar wel gebleken.”
Om het idee van de Randstad als metropool uit te dragen heeft Verweij inmiddels ook een serie ansichtkaarten uitgebracht, met teksten als ‘Groeten uit Randstad: 6 miljoen inwoners, 5 vliegvelden’ en ‘6 miljoen inwoners, 163 culturen’. “Ik ben ervan overtuigd dat er over tien jaar een boekje is met alle straten van de Randstad. Het Prins Bernhardplein is er vast wel 22 keer, maar dat heb je in elke metropool. Ik wil nu vooral de Randstad op één vel.”
Behalve nevenstaande kaart heeft Verweij ook een spoorkaart gemaakt, waarop alle 108 spoorwegstations in de Randstad staan aangegeven, alsmede de treinverbindingen daartussen. Wie op Schiphol zo’n kaartje in handen krijgt gedrukt, kijkt heel anders naar zijn omgeving dan iemand die het met een kaart van Amsterdam moet doen. Het centrum van Rotterdam ligt immers niet verder van Schiphol dan Manhattan van JFK. Leiden ligt zelfs dichter bij Schiphol dan Amsterdam CS. Amsterdam Airport is zo bezien dan ook een tamelijk misleidende naam.
De gebruikte cartografische technieken zijn voor een aanzienlijk deel bepalend voor het beeld van een gebied, bevestigt Ferjan Ormeling, hoogleraar cartografie in Utrecht. “De gebruikte techniek is sterk bepalend voor het kaartbeeld. Zo bevoordelen choropleten – kaarten waarin een bepaald aspect in grijswaarden wordt weergegeven – de rurale gebieden. Neem bijvoorbeeld de man-vrouw-verhouding in Nederland: op een dergelijke kaart vertoont een heel groot deel van Nederland een mannenoverschot.” Dat komt doordat veel plattelandsgemeenten een mannenoverschot hebben. Dat wordt in aantal ruimschoots gecompenseerd door de steden, maar die nemen minder oppervlakte in beslag.
“Als je gemeenten groepeert tot corop-gebieden (veertig regio’s waarin Nederland is onderverdeeld, red.) schep je een geweldig vervlakkende werking, want je voegt stad en platteland samen. Wanneer je gemeenten groepeert tot economisch-geografische gebieden doe je precies het omgekeerde, want die zijn geselecteerd op economische activiteit. Door de gekozen methode is het heel voorspelbaar of je stad of platteland benadrukt. Je kunt alles benadrukken wat je wilt. Je kunt bijvoorbeeld zeggen: ik wil zo karteren dat Zwolle er als stedelijk knooppunt uitspringt.”
Kaarten lenen zich dus heel goed om te tonen wat belangrijk is, of wat bij elkaar hoort – eigenlijk: wat de maker belangrijk vindt, of vindt dat bij elkaar hoort.
“Het besef dat je door het gebruik van een bepaalde cartografische methode een bepaalde indeling krijgt, is nog niet zo oud. Zo hebben de Hongaren bij het vaststellen van de nieuwe grenzen in Europa in 1918 veel last gehad van de gebruikte karteringsmethode. Men gebruikte kaarten waarop elke bevolkingsgroep met een bepaalde kleur werd aangeduid. Nu woonden Hongaren vooral in steden en Slowaken op het platteland. Daardoor leek het of er in grote gebieden veel meer Slowaken woonden dan Hongaren, omdat hun woongebied een veel groter oppervlak besloeg. Uiteindelijk is daardoor een derde van de Hongaren buiten Hongarije terechtgekomen.”
De gebruikte kartering heeft grote invloed op hoe men een gebied ziet, en dus ook op de beslissingen die men erover neemt. Over die invloed op de Nederlandse politiek is nog niet zo veel bekend. Ormeling heeft een project opgezet om alle beleidsstukken die de afgelopen 150 jaar aan de Tweede Kamer zijn aangeboden te analyseren op het kaartmateriaal. “De kaarten die voor de Tweede Kamer zijn gemaakt zijn zéér wisselend van kwaliteit. Er zijn soms gemakkelijk verkeerde conclusies uit te trekken. Het wordt de laatste tijd overigens wel wat beter. Maar bewuste manipulatie met politieke consequenties kan ik me niet voorstellen in Nederland.”
Kaarten maken blijft keuzen maken. “Een ware kaart is er niet”, zegt Ormeling. “Je kunt nooit alles weergeven.” Enkele jaren geleden is een groep mensen bij de Rijksplanologische Dienst begonnen een kaart te maken die in elk geval de beleving van het landschap beter moest benaderen dan de meest gebruikte kaarten. Deze ‘belevingskaart’ is bekend geworden als de Witsenkaart, genoemd naar de voormalige directeur-generaal ruimtelijke ordening. In zijn visie ontbrak een kaart waarin infrastructuur was teruggebracht tot zijn werkelijke proporties.
“De eerste reactie bij de presentatie was ‘jé, wat groen’, verhaalt cartograaf Oene Bouma, die een belangrijk deel van de technische realisering van de Witsenkaart voor zijn rekening nam. Het vele groen komt niet overeen met het beeld dat veel mensen van het landschap hebben. “Dat komt doordat het landschap veelal wordt ervaren vanuit de infrastructuur. De lintbebouwing is dan erg dominant.” Dus ook een belevingskaart hangt af van het perspectief van de belever.
Op de Witsenkaart is onder meer gepoogd de verschillende dichtheden van stedelijk gebied tot uiting te laten komen door verschillende tinten rood te gebruiken. Binnen het groen wordt onderscheid gemaakt tussen natte en droge gebieden. Het kiezen van een kleur kan heel bepalend zijn voor het kaartbeeld. Zo werd er binnen de RPD heel wat afgebakkeleid over de kleur die kassengebieden zouden moeten krijgen, waarbij de keuzes varieerden tussen vriendelijk zachtroze en keihard paars. Verweij heeft er bewust voor gekozen kassen is zijn Randstadkaart aan te duiden in een tint die dichtbij stedelijke bebouwing ligt. Beleving en politiek komen daar dicht bij elkaar.
Verweijs kaartbeeld zou ook politieke implicaties kunnen hebben, bijvoorbeeld in discussies over het Groene Hart of over waar de komende decennia grote aantallen woningen moeten worden gebouwd. Ormeling ziet duidelijke beperkingen aan Verweijs boodschap van ‘de Randstad als metropool’. “Hij vergeet door zijn methode van karteren dat de grenzen van de Randstad naar buiten toe in feite moeilijk zijn af te bakenen. Het verstedelijkt gebied loopt door tot Alkmaar en tot ver in Brabant. Het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft een kaart gemaakt waarop het percentage verstedelijking gedetailleerd is aangegeven. Daarop zie je in West-Nederland twee duidelijke concentraties: Rotterdam/Den Haag en Amsterdam met uitloop naar het noorden. Je ziet er geen hoefijzer in of ringvormige Randstad, en ook geen Groene Hart. De term Randstad suggereert dat het een eenheid is, maar dat is slechts in zeer beperkte mate het geval. Daarom zou ik liever spreken van de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad.”

Datum:      17-04-1996

Me on television

I did a few television programs, in most cases I interviewed architects on screen. A serie of 5 was broadcasted by AVRO, a dutch public broadcaster.
Here are a couple of links were the films are to be seen. Excuse me it’s all in Dutch.

Summary at the prizewinning event:
http://www.blauweoog.nl/popup_movie.php?title=Jonge%20Architecten%202006&movie=jonge_architecten_2006_1.mov

Interview with Frank Havermans about his minimal house:
http://www.blauweoog.nl/popup_movie.php?title=Jonge%20Architecten%202006&movie=jonge_architecten_2006_5.mov

Interview with Aarons and Gelauf about their apartmentblock for seniors
http://www.blauweoog.nl/popup_movie.php?title=Jonge%20Architecten%202006&movie=jonge_architecten_2006_2.mov

Interview with Bar Architects about their bridge sterring hut:
http://www.blauweoog.nl/popup_movie.php?title=Jonge%20Architecten%202006&movie=jonge_architecten_2006_4.mov

Interview with Bastiaan Jongerius about his cheese related powderfactory.
http://www.blauweoog.nl/popup_movie.php?title=Jonge%20Architecten%202006&movie=jonge_architecten_2006_6.mov

Interview with 2012 architects about their clubbing venue Worm
http://www.blauweoog.nl/popup_movie.php?title=Jonge%20Architecten%202006&movie=jonge_architecten_2006_7.mov

Design by accident

Since a couple of years I collect pictures of cars that are intentionally or unintentionally in two (or more) colors. I found out that there are more than 200 people in the world who have pictures of two tone cars (there is no word for it in Dutch or German as far as I know). There meeting is here. Later I found people who collect ‘odd panel cars’.

In a way it is disappointing: again we see 90% of it is well maintained, polished, cute designed cars. Often expensive sport cars, with a dark hood, and red or silver sides. It is not were I am interested in.

I am only focused on the accidental two tones. Because somebody changed a bodypart and doesn’t want to spend the money on painting it over. Almost All of these cars are old, and worth almost nothing. People regard it as ugly. as something that is unintentional and must be avoided.

I think unintentional 2 coloured cars show us the beauty of coincidence. As an (industrial) designer I like the rare detailing that comes out. You can see details and shapes you didn’t existed on the car.

I only once owned one: A red Matra Racho, with 2 green doors. I was in love with it. There is only one way to get pictures: click them in the streets, really collect them. Please help me with this collection so we can publish or show in a gallery, museum or book. Our meeting place is here.

interview BAR Architecten

BAR architecten werd opgericht nadat Joost Glissenaar en Klaas van der Molen op de Academie van Bouwkunst in Rotterdam elkaar ontmoet hadden. Tijdens de opleiding bleken ze niet alleen een overeenkomstige geschiedenis te hebben (ze volgden allebei een kunstacademie) maar ook de voorliefde voor een hands-on ontwerpmethode te delen. zes jaar geleden wonnen ze de Europan V op de locatie polderweg gebied in Amsterdam
Het winnende ontwerp werd weliswaar niet gerealiseerd maar ze kregen een vervangende opgave. Op de golf van die opdracht ontstond het bureau. Joost Glissenaar spreekt over het genomineerde brugwachtershuis omdat hij tijdens het proces het werk het meest toeeigende. Joost formuleert kernachtig, hij maak korte zinnen in gespierde taal. De uitspraken passen goed bij zijn postuur, Joost is een boomlange Hollandse jongen met wie je geen ruzie wil krijgen. Joost en Klaas zijn imponerende reuze architecten die hard en bondig praten.

Het brugwachtershuis dient voor de bediening van de stationsbrug over het kanaal door Walcheren in Middelburg. De draaibrug ligt in het centrum van Middelburg, pal voor het station. Het gebouw wordt eigenlijk maar een keer of zes per jaar bemand, bij speciale gelegenheden. De bediening van de brug gaat in alle andere gevallen namelijk automatisch. Het brugwachtershuis zou dus ook transformatorhuis genoemd kunnen worden. Voor het onderhoud van de apparatuur moeten er geregeld monteurs binnen zijn. Al het onderhoudswerk vormde voldoende aanleiding om een wc en een kleine keuken in het programma van eisen op te laten nemen.

Jullie lijken zo Hollands, zijn jullie dat ontwerpend ook? “Wij zijn op zoek naar helderheid, naar een reductie die klaarheid brengt. Wij willen geen overbodige complexiteit. Wij ordenen het programma opnieuw waaruit de vorm dan ontstaat. We zijn no nonsense, maar zeker niet volks. Nuchterheid en eenvoud past bij ons. We zijn ongecompliceerd, maar zeker niet simplistisch. We hebben wel duidelijke ambities, maar we willen op een heldere manier over ons werk kunnen vertellen. Wij styleren niet, dat zou te oppervlakkig zijn.” Als ik de vergelijking maak met het oeuvre van John Kormeling reageert Joost kriegelig. “Kormeling maakt iconen, maakt stripfiguren en hanteert een ridiculiserende vormtaal en detaillering. Dit gebouw is veel abstracter en zeker niet zo figuratief als het werk van John, er is hier ook geen ironie in het spel. We zijn serieus in dit gebouw”. Bovendien beschouwd hij hem als iemand die vooral commentaar geeft. Bar wil deelnemer zijn in de architectuur, ze willen bouwend realiseren met een middelgroot bureau.

Het gebouw is in bovenaanzicht een eenvoudige, gelijkzijdige driehoek. De hele plattegrond is over manshoogte opgetrokken. Het vreemde is dat het gebouw achterover helt en het dak ook weer niet waterpas is. Daardoor zijn de doorsneden en de zijaanzichten ingewikkelder dan de plattegrond.
Hoe komt een dergelijk gebouw bij jullie tot stand? “we hebben het samen gemaakt, iemand geeft een aanzet, een stagiair maakt wat modellen en zo ontstaat langzaam een idee en een vorm. De een maakt iets en de ander reageert erop, dat is nog altijd de manier van werken. We zetten heel veel modellen naast elkaar, een ronde een vierkant, veel extremen naast elkaar. Dan zie je op een goed moment wat het moet zijn.
Waarom hebben jullie groen glas toegepast? “We wilden het gebouw eerst van koper maken, dat slaat mooi uit tegen de waterspiegel. Het koper refereert aan de koepel van de Lange Jan, een kerk die verderop staat. Koper werd veel in daken gebruikt van bruchwachtershuizen in Amsterdam door bijvoorbeeld de architect Kropholler, wij vonden de referentie grappig. Maar al snel nadat we het voorstel presenteerden kregen we een conflict met het Waterschap. Er zit al veel koper in het kanaal van Walcheren en ze wilden er niet nog meer van gaan aantreffen. We hebben het koper vervangen door groen glas. In feite verwijst dat nog steeds naar het koper.”

Willen jullie je toeleggen op architectuur met het bureau?
“Ik vind alles leuk. De variëteit maakt het leuk ik wil ook wel stedenbouwkundige opdrachten doen. Vragen beantwoorden over hoe je gaat wonen. Is het wel wijs om zo te divergeren? Ik denk dat stedenbouw vanzelf op je pad komt. Neem nou claus en caan, die zie je het ook gaan doen. Ons probleem is dat we veel kleine gebouwtjes doen. We hebben een mobiel buurthuis gedaan en een oefencentrum voor klassieke muziek, wat verbouwingen en inferieure. Met die kleine objecten spring je van dingetje naar dingetje. Je wilt af en toe ook een competitie doen of een onderzoek opstarten”.

Plantijn caspari
We hebben een drukkerij gemaakt van 3500 m2. Plantijn caspari, de opdracht kwam via familie. Het gebouw functioneert goed en het wordt als plezierig ervaren om in te werken. De opdrachtgever is er ook gelukkig mee, het is gewoon goed ontvangen. Je vingers jeuken dan om nog zoiets te gaan maken.

Waar ligt de relatie tussen pc en dit gebouw? Pc gaat over gebruik. Verder is geen relatie. Eenvoud de heldere redenering. Heldere redenering is erg droog design jargon en dutsje design jargon. Dat is wat je over Hollands leest. Droog design is veel traditionalisme. Wij zijn echte avb studenten. Dat betekend dat we iets later gestart zijn. Wij zijn gestart in 99. Het tij was al aan het kenteren. Je voelde het kouder worden. De big boom van de Nederlandse architectuur was net voorbij. Maar laten we ons alsjeblieft geen depressie aanpraten. Overal waar wij komen ontmoeten we enthousiasme. We hebben nog steeds niet dep klagen over aandacht en erkenning.
We wonnen een europan. Dat ging dan niet door maar we kregen een vervangende opgave. Ik kan wel jaloezie voelen. Ik heb bij mvrdv gewerkt. Dat was een successtory. Maar goed zoveel ambitie en doorzetting als daar zit heb ik niet. Wij passen inderdaad in de Hollandse school. Vanuit gebruik gedacht, klaarheid helderheid, niet bang voor sculpturaal. Maar we vertalen ze niet meteen in vorm. Degene die bij het gesprek de grootste mond heeft die er het fierst over spreekt die krijgt de eindbeslissing. Zo ontstaat een eerst verantwoordelijke.

Interview Aaron Betsky

Aaron Betsky verliet per 27 oktober 2006 het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) in Rotterdam, om op 21 november 2006 in dienst te treden als directeur van het Cincinnati Art Museum, een van de oudste en grotere musea in de Verenigde Staten. Hier kan hij zich naar eigen zeggen “bezig houden met visuele cultuur in een breder veld”.

Ik vind Nederlandse design- en ontwerpcultuur fantastisch. Ik heb vijf jaar lang mensen bij de schouders gepakt en gezegd: kijk eens hoe fantastisch het werk is, dat jullie maken. laat het niet gaan, zorg ervoor dat het sterk blijft en zelfs beter wordt.
Architecten , grafisch ontwerpers en product ontwerpers hebben te maken met globalisering, dat betekent dat NL moet internationaal concurreren. Je kan dat alleen doen door je sterkste kwaliteiten in te zetten. Ga niet spelen als de grote internationale bureaus als pentagram maar je zal dat moeten vanuit je eigen kracht, je eigen Nederlandse traditie. 

Blijven investeren
We moeten blijven investeren in de onze culturele eigenheid, we moeten dat hoog agenderen. Ik heb me gestoord aan drie kabinetten Balkenende, aan de desinvestering van wat vormgeving zo krachtig heeft gemaakt. Het directe opdrachtgeversschap door de overheid is gevaarlijk uitgekleed. Gelukkig doet rijksbouwmeester Mels Crouwel veel aan het bevorderen van goed opdrachtgeverschap. 

De overheid zou weer de sterke opdrachtgever moeten worden die hij was. De grote wongbouwcorporaties worden bestuurd door mensen uit de grote steden die het hard op de goede plek hebben zitten. 

Ze hebben een verantwoordelijkheid naar hun aandeelhouders en hun afnemers, je moet ze kunnen overtuigen dat vormgeving en architectuur een speerpunt is en dat zij als opdrachtgever een sleutelrol vervullen. 

Zwitserland
De Nederlandse overheid kan een voorbeeld nemen aan de Zwitsers. Die vrij bewust sturen op het visueel eenduidige imago, het rode kruis.

Tonic heeft de Socialistische Partij aan een zege geholpen, dat betekend dat ze ook van grote betekenis kunnen zijn voor ABN-Amro, of voor het nationale merk Nederland. Er was sprake van dat te ontwikkelen voor JP, helaas is dat op de lange baan geschoven. 

Ik heb een dialoog met Dingeman Kuilman van Premsela, stichting voor Nederlandse vormgeving. Ik vind dat je je moet concentreren op waar je echt sterk in bent. Ik vind dat je de Senseo niet hoeft te ondersteunen. Philips is een internationaal bedrijf met een internationale vormgeving. Het merk is een gewone internationale speler en dat red zich toch wel. Je moet het typisch Nederlandse ondersteunen en de bedrijven die dat entermeren, zoals koninklijke Tichelaar Makkum.

Ik heb zoveel design gedaan al ik kon, maar ik vind dat er een brede samenwerking moet komen tussen verschillende instituten van de vormgegeven omgeving. Grens tussen landschaps-, interieur- architectuur, grafische en product vormgeving zijn maan het vervagen waadoor de sectorale, op discipline gebaseerde opdeling niet zal standhouden. Zo’n ontwikkeling moet je stapsgewijs doen. Premsela en Nai zullen evalueren, mogelijk naar elkaar toe groeien.

Schotten tussen disciplines
Ik heb niet het gevoel dat de schotten tussen disciplines groter zijn geworden, de laatste jaren. Ja, het discours binnen de vakdisciplines is recentelijk intenser geworden maar uiteindelijk worden er steeds meer teams geformeerd van ontwerpers uit verschillende disciplines. 

Samenwerkingen tussen grafisch ontwerpers, interieurontwerpers en dergelijke, zoals in goede projecten van OMA. Je doet een project vanuit kennis en disciplinaire achtergrond. Rrend in ontwikkeling is. 

In het beeldmuseum in Hilversum zie je voor een groot deel niet zozeer de architectuur maar de spectaculaire vormgeving op de gevel.

Droog Design
Ik vind het ineressant dat Droog geen bedrijf is, niet een persoon maar een project dat voortdurend in beweging, in het ontwikkeling is. Het is ook heel Nederlands, ik ken nog steeds geen internationaal equivalent.

Het blijft moeilijk om architectuur en vormgeving bij een echt groot publiek onder de aandacht te brengen. Ik had graag een groter publiek willen bereiken, je zou kunnen zeggen dta dat niet gelukt is. Het is ironisch dat je voor toegepaste kunsten harder moet knokken om publiek te interesseren, terwijl het dichter bij de mensen staat.. daar zal ook wel de verklaring zitten.

Ik wilde een Jan-Vredeman, de vries tentoonstelling doen, een schilder uit de zeventiende eeuw. dat bleek niet mogelijk omdat de werken moeilijk te lenen. Ik wilde ook graag de grote Mies van der Rohe tentoonstelling naar Nederland halen, dat is niet helemaal gelukt. Team 10 heeft veel meer bezoekers getrokken dan gedacht. 

Reality maschines
Natuurlijk trokken tentoonstellingen al sdie van Herzog en de Meuron veel bezoekers. Ik had ook een vervolg willen maken op “Reality maschines”, architecten en ontwerpers die een kunstmatige wereld maken, voor wie, waarom en op welke manier? 

We wilden dat doen met Premsela maar der lijkt nu toch iets niet goed te gaan. Ik denk dat realitty maschines niet typusch was voor een bepaalde tijd, of een bepaalde generatie ontwerpers, wat wel een gezegd wordt. De mentaliteit is er nu nog steeds, ik denk dus dat je dat nu weer zou kunnen doen.

Ik heb niet zo veel geschreven als ik wilde in mijn Nederlandse periode maar toch redelijk veel. Het idee van false flat was wel klaar maar het moest nog geschreven worden, ik heb het in Nederland geschreven. 

Ik ben altijd erg kritisch op mijn boeken, natuurlijk ben ik er trots op. Er zitten wel iets teveel foutjes in en het boek is te duur, dat is jammer.
Ik keer de toegepaste kunst niet de rug toe, dit museum heeft een geweldige collectie. Het interesseert mij aan architectuur en vormgeving dat het visuele cultuur is. Beeldende kunst kan soms ingrijpender en breder interveni?ren in de samenleving.




interview Werner Sewing

De vooraanstaande Duitse socioloog en architectuurcriticus Prof. Dr. Werner Sewing verdiepte zich op verzoek van Premsela enkele maanden in Nederlands design. Op 21 april sprak hij een genodigd publiek in de beurs van Berlage toe over zijn bevindingen. 

Een dag ervoor sprak ik uitvoerig hem in een klein restaurant. Zijn publieke voordracht droeg de titel ‘Retro Design or Populism – On the return of the Repressed’ 

Heeft Premsela zich wel gerealiseerd dat het niet ongevaarlijk is om een Duitse intellectueel langdurig onze design prestaties te laten bestuderen? Sewing laat zich zeer kritisch uit, daarom is dit verhaal is niet geschikt voor minderjarige designers.

Sociologen kunnen ons onaangenaam confronteren met de betekenis van ons vak. Sewing windt er geen doeken om waar design volgens hem voor staat. ‘Design speelt een rol in de sociologie van lifestyle, zoals bij het tonen van goede smaak. Sociale elites kiezen op smaak. Design dient er vooral voor om de positie van de elite te bevestigen’. Die stelling wordt toegelicht met de Bauhaus Swinging Chair. Echtgenotes van tandartsen (upperclass) kochten de stoelen voor de wachtkamers van hun man’s praktijk, zo blijkt uit de boeken. De clientèle (middle en lower class) beschouwden de stoelen dús als teken van goede smaak en kopieerde -letterlijk en figuurlijk- het gedrag van de tandartsvrouw. Vooral de kopieën van de stoelen werden uitstekend verkocht: minder prijzig en toch refererend aan de smaak van de hogere klasse. Het is een klassiek staaltje sociologie dat een logische verklaring levert voor het gedrag van groepen mensen.

Sewing koos ervoor om sociologie te studeren in een periode dat dat een zeer politiek gekleurd vak was. Pas aan het eind van de jaren zeventig richtte het vak zich meer op cultuur, waar Sewing al langere tijd geïnteresseerd in was. ‘ik deed steeds dingen niet in waren, pas later bleek dat ik op het goede spoor zat.’ Hij was politiek actief in Berlijn en volgt de Duitse en Europese politiek nauwlettend. Dat Sewing kritisch is over het politieke gehalte van Nederlandse vormgeving is dan ook al niet verwonderlijk maar wel, alweer confronterend. ‘Dutch Design is niet politiek genoeg. Nederlandse ontwerpers nemen politiek geen stelling en trekken zich terug in een neutraal pragmatisme. Deze houding biedt geen antwoord op het nieuwe populisme, dat teruggrijpt naar verleden en traditie. Dit gaat de Nederlandse vormgeving kwetsbaar maken. Veel Nederlandse designconcepten lijken politiek maar zijn louter esthetisch. Het is vaak wel innovatieve design maar het is zeker niet politiek.’

Alsof de dubbele afstraffing nog niet genoeg is, vind Sewing daarnaast Nederlands design te weinig context hebben en onvoldoende ingebed in de samenleving. ‘Droog design wil graag de context vergeten maar het is kunst. Het wordt gekocht door verzamelaars en musea. Het zal toch echt eindigen als een kunststroming. Maar als ik het kunst noem, is dat beslist geen negatieve kwalificatie. Al onze noties zijn trouwens kleiner geworden, een eeuw geleden bestond het woord design niet eens. Bauhaus noemde het ‘formgebung’. Ze vermeden het woord architectuur ook en hadden het consequent over ‘bauen’. Ze waren erg geïnteresseerd in de morele kant van gebruik, daar ontwikkelde ze ook wereldvisies uit. Er was een grotere vertelling. Ze wilden de formele, esthetische en functionele dimensie van het leven samenvoegen. De politieke ideeën die ze neergeschreven, vind ik echter niet fantastisch. Gropius was elite bourgeois, hij dacht zelfs dat ze ook voor de nazi’s konden werken.’

‘Als je Design als kunststroming positioneert is dat in zekere zin een minachting van wat mensen willen. En die positie kun je op dit moment niet langer volhouden.’ Als voorbeeld laat hij een plaatje zien uit de DO-IT collectie van Droog Design waarop een dikke bezwete man te zien is die net met veel krachtsinspanning de stalen kubus van Marijn van der Poll in elkaar heeft gemept tot stoel. De setting is niet een smaakvolle lege kamer van een designadept maar een knusse huiskamer van een arbeider. Die arbeider, het volk of de stereotype gebruiker omringt zich graag met de barokke meubels van wat hij als ‘rijkdom’ en ‘smaak’ heeft leren accepteren. Volgens Sewing toont het beeld aan dat Droog Design minachting heeft voor de gebruiker op de foto, en misschien wel voor alle gebruikers. ‘In feite zegt te foto: zo ziet het volk er uit, het volk heeft bezwete oksels en lelijke meubels. De gebruiker, komt in contemporaine Nederlandse design alleen als een geridiculiseerd icoon voor.’ Die ironisering wordt veroorzaakt door de arrogantie van ontwerpers die ver verwijderd zijn van wat de doelgroep zou moeten zijn. ‘Vergelijk dat met de Bauhaus idealen, hun houding ten opzichte van de gebruiker was nooit ironisch, en zeker niet minachtend’.

Bij Sewing komt, zoals meer buitenlandse critici, irritatie op over Nederland. Die irritatie is er bijvoorbeeld over ‘de hautaine, machiavellistische houding’ van Nederlandse ontwerpers. ‘Vanaf grote distantie kijken ze op het veld neer en een maken schijnbaar waardevrije analyses’. Hij rekent het Koolhaas en veel andere designers aan.’Zonderlinge eenlingen die een genie status kiezen. Veel architecten en designers misbruiken deze positie. Het leidt tot datascapes en schijnbaar geëngageerde conceptualiteit. Ik houd niet van Koolhaas’ geschriften en ik houd niet van datascapes. Datascaping is naïef positivisme, het is belachelijk. Sociaal wetenschappers kunnen er alleen maar om lachen. Ze dienen alleen een esthetisch doel. Geen enkele wetenschapper zal het ooit serieus nemen.’

Als hij vervolgens grote vraagtekens zet bij het (typisch) Hollandse in Dutch Design begrijpt u dat hier geen volgzame fan aan het woord is geweest. Hij weigert de historische verklaring te geloven dat ons poldermodel, het calvinisme en de groeiende economie van doorslaggevende betekenis waren voor het succes van Nederlands ontwerp in de negentiger jaren. ‘Dat gaat te snel, in alle boeken zoals SuperDutch en FalseFlat wordt er een welhaast clichématige en romantische verklaring gezocht voor de booming nineties. Ik beschouw het veel meer als een geslaagde, nationale brandingstrategie. Een land wat met succes zichzelf als innovatief en creatief weet neer te zetten. Nederland is niet alleen Gouda maar ook Cool & Hip. Een klein land, bedient een kleine markt en opereert met een nicheproduct. Dat is knap, in Duitsland wil het maar niet lukken om de landsidentiteit te branden. In de biografieën van de Droog-deelnemers zal ik zeker iets Nederlands vinden maar verder zie ik een leger van verschillende mensen met verschillende achtergronden. Droog had ook een Berlijns fenomeen kunnen zijn. De koppeling van deze design stroming aan de clichématige ontwerpgeschiedschrijving, is een branding truc. Historisch gezien is het flauwekul. Aan Koolhaas noch Droog is iets Nederlands te bekennen. Koolhaas groeide op in Indonesië en studeerde aan de Architectural Association in Londen. Hij was in Berlijn, New York, overal. Dit soort mensen heb je over de hele wereld. Alle academische theorieën komen van de AA. Bij de start was OMA niet eens een Nederlands bureau. Er zijn vele koolhasen, over de hele wereld.’

Sewing gelooft wél in naïviteit, maar vind Nederlands Design niet naïef genoeg. Met naïviteit bedoelt hij vooral authenticiteit, dat je werk maakt omdat je het zelf wilt maken. Wars van hoe het gedistribueerd, of tentoongesteld kan worden. Wars van het besef of er een commerciële of culturele afzetmarkt voor is. Hij vind Nederlanders te strategisch. Zijn we door de uitstekende mogelijkheden in dit land te berekenend geworden?

Terug naar het populisme, terug naar de titel ‘Retro Design or Populism – On the return of the Repressed’. Volgens Sewing zal ‘het gewone volk’ weer meer gehoord gaan worden, zeker ook door Nederlandse vormgevers. De wittebroodsweken van de avantgarde conceptuelen zijn voorbij. Het publiek gaat meer te vertellen krijgen. Als het niet op een direct manier is, dan via de projectontwikkelaar, de winkelier, de marketingmanager, de commerciële omroepen of de leefbaarheidspartijen. Er zijn inmiddels meer private omroepen dan publieke, alle woningbouwcorporaties zijn geprivatiseerd, en de markt voor individuele, autograph dsigners is verzadigd. Langzaam maar zeker krijgt good old Jan Modaal (in het Duits Otto Normalverbraucher) zijn stem terug. ‘Het is dan pijnlijk om te zien dat het hippe Lodonse architectenburo FAT een feestzaal voor het volk ontwerpt in Hoogvliet. Onder de titel ‘Heerlijkheid’ wordt het banale tot iconen gemaakt. De feesttent lijkt te zeggen: zo wil het volk het. Alles lekker plat en banaal. Die houding ten opzichte van de gebruiker zal vastlopen en getuigd alleen van elitaire minachting’

Als ik een tijd luister naar deze man, die niet in het vak zit en zich niet gek laat maken door de waan van de dag, word ik langzaam meegevoerd. Als gevangen door een geestverruimde drug laat hij mij uitzoomen. Ik neem afstand in historisch, politiek, sociaal en moreel opzicht. In een vrijwel voortdurend bewierookte Nederlandse ontwerpcultuur is dat pijnlijk, zoals leren ook confronterend kan zijn. Vertelde Plato ons al niet in de grotvergelijking dat de waarheid onder ogen zien is als plotseling in fel licht kijken: het doet pijn.

interview NL Architects

Op het universiteitsterrein de Uithof in Utrecht mag sinds kort gewoond worden, het kan nu een echte campus gaan worden. In het masterplan voor het gebied van Rem Koolhas wordt onder andere gepleit voor meer stedelijkheid en meer verdichting. Die oproep is aan NL besteed, de transformatie van een boekenwinkel tot grand caf? wordt aangegrepen om de gewenste stedelijkheid vorm te geven.
De basketbar, een samenvoeging van basketbal en bar, voegt een icoon van de stad toe aan het universiteitsterrein. Op het dak van het caf? zit een sportveld in een grote, pompeuze kooi die als ballenvanger fungeert.
Omdat NL eerder gevels als klimwand en rots voorstelde kan hier van een ?typisch NL-gebouw? gesproken worden. Maar de expressieve, ironisch geladen daadkracht verblindt de toeschouwer enigszins. Het gebouw is namelijk zeker geen oneliner; het is zorgvuldig en precies, met architectonische intelligentie ontworpen.

Water van Dijk: ?De basketbar valt volkomen natuurlijk op zijn plek, het voelt niet als toegevoegd aan het gebouw. Het nestelt zich op een contemporaine manier in de jaren zestig omgeving, de basketbar is er zacht geland, het is geen architectenstatement.
Het plan van Koolhaas stelt voor tot aan de rooilijnen te bouwen. Dat hebben wij gedaan, we hebben het bestaande doosje extreem uitgetrokken en zijn zo tegen 56 meter rooilijn aan gaan zitten.
De bestaande bebouwing was maar 2 meter 60 hoog terwijl in de opdracht gevraagd werd om een Grand Caf?. Men suggereerde er een verdieping bovenop te maken. Wij wilden dat niet omdat we de platheid waardeerden als reactie op het hoge gebouw erboven. Het basketbalveld heeft nu bovendien een relatie met het maaiveld, die verloren was gegaan als het dak verder opgetild zou worden. We hebben de hele vloer in het caf? 1 meter 20 verlaagd, precies barhoogte. Vloerhoogte buiten is barhoogte binnen. Door die verlaging wordt het gebouw 3 meter 80 hoog en dat is Grand caf? waardig. Om een kolomvrije ruimte te maken hebben we stijlen van de gevel dragend gemaakt. Het is eigenlijk een constructief hoogstandje, waar we constructeur Rob Nijsse dank voor verschuldigd zijn.

Een basketballveld is een typisch icoon van stedelijke en zwarte cultuur. Je kan geen hiphop tijdschrift open slaan of het staat vol met basketball, het zinnebeeld van stedelijk leven. De campus ontbeerde dat. BasketBall is bovendien een flexibel spel, om het te spelen hoeft je geen afspraak te maken. Je kan het alleen, en met ??n, twee en zelfs met vier teams spelen. Er was ??n bestuurslid van de universiteit die bezwaar maakte tegen basketball, hij vond het te banaal. Toen hebben we in de haast onderzoek gedaan naar het ontstaan van de sport. Het is ontwikkeld door een Amerikaanse professor om studenten afwisseling te bieden aan zware intellectuele arbeid. Zo werd zijn weerstand gebroken.
Het sportveld is volledig openbaar, de toegang komt zonder hek uit op de straat. De kolommen om het veld heen zijn veel zwaarder dan normaal omdat we geen kruizen wilden om het stabiel te maken. Ze bleken dik genoeg om er de luchtafvoer van de keuken in te maken. Twee kolommen en de bovenregel dienen nu als schoorsteen voor de vaatwasmaschines en acht andere voeren etenslucht af. Bij kou zal er stoom uit de kolommen komen en als je staat te basketballen kan je ruiken dat de bitterballen klaar zijn. Het vereist veel vernuft om het beeld simpel te houden. Het beeld van het gebouw is ongecompliceerd maar het is een wolf in schaapskleren.?

NL-Architects afficheert zich nadrukkelijk met zijn Nederlandse afkomst, de naam refereert aan de meest gebruikte afkorting voor ons land. Het logo van het bureau is het internationaal kenteken met een piepkleine toevoeging: een punt. Een wit ovaal met NL in kapitalen erin, officieel nog steeds verplicht voor elke personenauto die de grens oversteekt. Op de homepage van NL is een foto van de oprichters te zien in Volendammer klederdracht. NL lijkt de vaandeldrager Hollandse architectuur in de negentiger jaren te willen zijn. Het is vol van idee?n, die soms grappig en ironisch zijn. De groei naar een normaal bouwend bureau laat ging echter traag, en NL voelt zich nog altijd underdog. Neemt de architectuurwereld NL niet serieus genoeg?

?NL-Architects was een marketing truc. Je kon toen al voelen dat Nederlandse architectuur zou gaan boomen. Maar we hebben wel degelijk ook veel respect en liefde voor de geschiedenis van het Nederlandse ontwerp. En we hebben sinds kort ons eerste Nederlandse personeelslid. Je zet iets als een grap in en die vult zich vanzelf in. We hadden een lijst met 1500 mogelijke bureaunamen waar we niet uit konden kiezen. Omdat er een tentoonstelling in het buitenland op stapel stond kozen we voor NL. De bumpersticker verwijst naar de bron van onze samenwerking: een Ford Escort waarin we tijdens onze studie carpoolden.?
?Wij bouwen niet zoveel; er gaat ontzettend veel niet door, of het duurt krankzinnig lang. Het is voor een bureau van onze omvang moeilijk om mee te doen aan internationale aanbestedingen omdat je daarvoor een minimum omzet moet hebben en een relevant project moet hebben gerealiseerd. Wij komen vaak niet door selecties heen. Opdrachtgevers bang zijn dat we iets duurs of ingewikkelds gaan maken. Je zou het een imago probleem kunnen noemen. Maar we werken altijd binnen budget. Dat blijkt echter geen garantie voor het doorgaan van een project. Ons sterkte punt is dat we disproportioneel veel aandacht weten te vestigen op wat doen. En op een bepaalde manier is publiceren bijna net zo leuk als bouwen.?

Vinden jullie jezelf conceptuele ontwerpers?

?Wij geloven in idee?n, het is belangrijk een sturend idee te hebben om ontwerpbeslissingen te nemen. Wij vinden een gebouw leuk als het weinig parameters inzet om tot verandering te komen. We houden van strakke ?editing?, dat zou je conceptueel kunnen noemen. Door een bepaald aspect over te belichten kan een gebouw expliciet ergens over gaan. Dat maakt het communicatief en is altijd gebaseerd op een idee of analyse. De ontwerpen volgen een bepaalde logica die consequent wordt door gedacht. Dat kan verassende en soms surre?le uitkomsten hebben.?

interview met Bjarne Mastenbroek

SeARCH is een indrukwekkend Architectenbureau. Hier geen ge?mproviseerde vergadertafels maar zorgvuldig gekozen bureaumeubilair dat aan de Arbo-eisen voldoet. Mastenbroek richtte met Ad Bogerman nog maar 28 maanden geleden SeARCH op, nadat hij 6 jaar directeur was van de architectengroep. Door zijn ervaring praat Bjarne gemakkelijk maar het gaat niet van harte, hij bouwt liever. Hij is niet in eerste instantie polemisch alhoewel hij het menigmaal met de lokale politiek aan de stok kreeg. IJburg werd niet goed genoeg gemaakt, volgens hem.
Het genomineerde gebouw is een theeschenkerij op het hoogste punt van de Veluwe, de Posbank. Opdrachtgever vereniging Natuurmonumenten noemt het een?natuurlijk restaurant in een natuurlijke omgeving?, maar dat is niet waar. In de materialisering van het gebouw worden allerlei natuurlijke materialen welbewust onnatuurlijk gebruikt. Natuur wordt soms ge?miteerd, soms gefalsificeerd. Zo liggen er op morene gelijkende keien, gemaakt door een Amerikaanse rotsboetseerder en een vloer van plakjes Acasia. Het gebouw roept vragen op. Is het postmoderne natuurbeleving of gewoon kitsch?

Bjarne Mastenbroek:
?Wat moet je doen als je een uitspanning in een natuurgebied gaat zetten? Het lijkt voor de hand te liggen om een boerderij met een rieten kap maken, maar dat is onjuist. Boerderij huisvesten de uitbaters van het landschap. Dit gebouw representeert het omgekeerde, het ervaren en opgaan in het landschap. Bouwen en natuurbehoud zijn niet in contradictie, ze hebben veel met elkaar gemeen. Twee eeuwen geleden was het nog landbouwgebied, daarvoor was het een bos en nu is het dat weer. De natuur is er evenzo aangelegd en in zekere zin ook kitsch, met uitzondering van het hoogteverschil. Natuurbeleving is al kunstmatig. Het ontwerp gaat over het schizofrene principe dat een natuurorganisatie gaat bouwen. Het is een gebouw met een knipoog naar natuurlijkheid.

Allerle natuurlijke producten worden artificieel gebruikt. De drukstaven worden gevormd door echte eikenstammen, waar de schors afgehaald is. De vloer bestaat uit plakjes van een Acasiaboom van twee centimeter dik die gegoten zijn in een melk van epoxyhars. Onder het afdak is wol toegepast, vogels pikken er wol uit om nesten te bouwen, er hangen nu allerlei draden uit. Daarnaast hebben we grote stenen laten maken, waar constructie in verscholen zit. Het mooie is dat het weer gestolde steen is want beton is qua samenstelling precies als morene. Er stroomt opgevangen regenwater over die steen heen, dat later wordt gebruikt om het toilet mee te spoelen.

Het gebouw ligt in een kom, vlak naast het hoogste punt van het terrein. Het is eigenlijk een huid om een wandeling heen. Je komt binnen over een trap en wordt om een eikgroep heen verder naar boven geleid. We hebben een bewustwordingsproces gegoten in een gebouw. Je kan overal naar buiten kijken, je houdt zicht op het panoramische landschap. We hebben de maximale uitkraging willen maken. Wij wilden een groot publiek meenemen in natuurbeleving, daar moet je de rol van architectuur niet in overschatten. Architectuur kan aan natuurbeleving weinig of niets veranderen.

Ik kan me het gebouw ook goed voorstellen in allerlei andere verschijningsvormen. Waarom ziet Posbank er dan toch zo uit?

?In het gebouw is geen haakse hoek te ontdekken, alle volumes zijn gerende en wijkende vormen. Het looppad aan de gevel, langs de verschillende podia is zo lang dat we het in een helling van 1 op 25 konden leggen, noodzakelijk voor rolstoeltoegankelijkheid. Een cirkel zou veel te korte lijnen geven of voor een te groot restaurant zorgen. Bij een vierkant met rechte hoeken zou dat ook nog het geval zijn. In de huidige opzet kloppen de lengte van de hellingbaan en het oppervlak van het restaurant precies. Je zou kunnen zeggen dat de rolstoelers de verschijningsvorm hebben bepaald. We hebben dit kunnen maken dankzij hedendaagse software, dat driedimensionaal gekoppelde Autocad is fantastisch. We hebben het helemaal in de derde dimensie getekend. Meestal ga je voor de werktekeningen terug naar de tweede dimensie. Wij hadden alle informatie exact kloppend. Kijk, hier zit een extra vulplaat van 5 centimeter, maar verder is het gebouw foutloos vanaf tekening gemaakt. Omdat alles getekend werd was er ontzettend veel dubbelcheck. De staalconstructeur werkte met dezelfde software, dus hebben we elk detail exact kunnen maken. Het werkboek is een boek van 400 pagina?s, het leek de bijbel. Een nadeel is dat alleen een paar medewerkers het gebouw ?cht begrijpen, ik natuurlijk niet. Ik begreep het alleen op hoofdlijnen.?

SeARCH is een integer bureau dat in eerste instantie in het bouwproces ge?nteresseerd is. Maar jullie uitingsvormen, zoals het onlangs verschenen bureauboek, jullie naam en het logo dragen een inwisselbare hipheid uit. In collages skaten en joggen mooie vrouwen het beeld uit. Dat past volgens mij eigenlijk niet bij het bureau. Vind je die publicatietaal zelf in lijn met de aard van het bureau?

?Er is een druk ontstaan om architectuur spraakmakend te laten zijn, als je persaandacht wilt zul je aan die spraakmakendheid-cultuur mee moeten doen. Voor het verkrijgen van een grote opdracht moet je aan het infuus van internationale publiciteit. De pers heeft indirect een flinke invloed op de opdrachten die je krijgt. Daardoor is een generieke public relations taal ontstaan. Dat is niet goed. Ik ben teleurgesteld in al die bureaus die onderzoekend hoog van de toren blazen maar bouwend niets presteren. Wij doen ook graag woningbouw maar we willen wel diversiteit in de opdracht?portefeuille. Het is dus een lastig dilemma.

Soms sta ik tegenover gebouwen waaraan ik kan zien dat ze voor de publicatie gemaakt zijn. Het lijkt wel alsof we hoe langer hoe meer voor de tijdschriften bouwen, dat stoort mij. Zo zijn we gestopt met het bedienen van Japanse tijdschriften. Het kost alleen maar tijd en het levert ons niets op.

Over ons ?startboek? zou je gelijk kunnen hebben dat wij nog onvoldoende een eigen publicatietaal gevonden hebben. Ik broed op een wezenlijk andere benadering maar ben daar nog niet uit.
Ik heb zeker geen spijt van het boek, we hebben het gemaakt om onze geloofsbrieven af te geven. Het markeerde de start van het bureau, het is relatief snel gemaakt. We hebben op een associatieve manier gedestilleerd waar ons werk over ging. Er zit een spanning tussen de snelheid waarmee het gemaakt is en de verdieping die ik noodzakelijk vind.

Het heeft vrij lang geduurd voordat iemand naar ons werk keek. Dit is het eerste gebouw waar ik vreselijk veel reacties op krijg, dat is plezierig. We hebben inmiddels twee pogingen voor een volgende publicatie gestaakt. Ik weet het even niet meer, eerst maar eens lekker weer gebouwen maken.?

interview met S333

Ik spreek Burton Hamfelt in zijn werkruimte in het centrum van Amsterdam. Hij is een van de vier niet-Nederlandse partners van het architectenbureau S333.
Het interieur is louter functioneel, computers staan uitgelijnd als in een productiestraat en het meubilair vertegenwoordigd weinige waarde. De voertaal is Engels en aan maquettes kleven lijmresten.

Er heerst een werklust en gedrevenheid die grenst aan bezetenheid. Er treedt weinig daglicht toe. ?De achitectuur van morgen kennelijk in TL-verlichting gemaakt?, denk ik. Deze locatie is de globalisering ten voeten uit, dit kan overal zijn. Locatie, afkomst en hechting zijn oude waarden, talenten kunnen zich op iedere plek verbinden. Waarom staat dit geglobaliseerde kantoor dan toch aan de Overtoom?

Burton Hamfelt: ?We hebben projecten in Engeland, Nieuw-Zeeland, Letland, Noorwegen en Singapore. Geen van ons komt uit Nederland, het bureau is gestart is London. Daarna hebben enkele van ons op het Berlage Insitute gestudeerd. Nederland is niet meer dan ??n van de mogelijke vestigingsplekken voor ons. Dat wij in hier niet zo bekend zijn komt waarschijnlijk omdat wij overal werken.
Of we hier naar toe moesten komen was geen lastige vraag. Nederland is Hollywood voor architecten. Als je acteur wilt worden ga je naar Hollywood en als je architect wil worden trek je hier naar toe. Er is geen ander land waar de designcultuur alomtegenwoordig is. De vraag of we hier nog veel langer moeten blijven is veel moeilijker te beantwoorden. Alhoewel we het hier naar onze zin hebben, en geen plannen hebben om te vertrekken geloof ik dat architecten als een nomadenvolk zijn. In principe moeten ze overal hun werk kunnen doen. Globalisering heeft ook voordelen. Ken je die uitspraak think global act local? Dat geld ook voor ons. Globalisering hoeft niet strijdig te zijn met een betrokkenheid bij de plek.?

Schotsen is bedacht door Maarten Schmitt, toenmalig stadsarchitect van Groningen. Het is een anekdotische verwijzing naar drijvende ijsschotsen in zee. De rol van de zee zou door de openbare ruimte gespeeld moeten worden, de gebouwen zijn de schotsen. De metafoor is een populaire bewerking van de tuinstad-gedachte, woonblokken in een zee van groen met een toegevoegd vormbeginsel. Is de ontstaanswijze van het gebouw typisch voor het einde van de vorige eeuw?

?Er heerste in de jaren negentig het idee dat elk gebouw een eigen identiteit moest hebben. Dat is kortzichtig en oppervlakkig, een eiland-mentaliteit. Nederlandse ontwerpers zetten vaak in op een funky vorm. Het is architectuur die lijkt te willen zeggen: kijk naar mij, ik ben gemaakt om bekeken te worden! Natuurlijk heeft de Nederlandse architectuurtaal van de jaren negentig ons flink be?nvloed. Wij hebben gezocht naar een samenhang van gebouw en omgeving. Het complex bevat dan ook twee supermarkten, 300 ondergrondse parkeerplaatsen, 3 collectieve daktuinen, 4500 m2 bedrijfsruimte en een politiebureau. Het herbergt 150 huur-appartementen. Alles staat met alles in verbinding via een ruimtelijke ontsluitingsstructuur. Wij hebben alles in het werk gesteld om de collectieve ruimten te verweven met de woongebouwen, om zo een volwaardig stuk stad te maken. We hebben het benaderd als ??n gebouw met een winkelcentrum dat erin gevlochten is en het gebied organiseert. De buitenwereld dringt het gebouw op allerlei manieren binnen. Het is een slim gebouw?

Het complex wordt gevormd door slingerende bouwstroken die ogenschijnlijk op een doorlopend landschap zijn neergezet. In de pers werd de term ?megavorm? voor het gebouw genoemd, het zoekt de grens op tussen gebouw en landschap. Of dat landschap rood of groen is blijft onbeantwoord. Die dichotomie wordt op een ontwerpende manier vermeden.
Het project is een als een meesterstuk, het eerste gerealiseerde project van S333. Terwijl startende collega?s als eerste bouwwerk vaak een schuur of een dakkapel maken, realiseert dit viertal een groot, duur, (25 miljoen euro) veelomvattend en alom project. Wie dit bij de start kan laten slagen moet vrijwel alles kunnen laten slagen. Is het toeval dat het bureau niet polemisch van aard is?

?Dat is niet waar, wij zijn zeker polemisch en wel degelijk ook politiek. We proberen verandering te entermeren. We publiceren, ik schrijf ook en we doceren op verschillende scholen. Bovenal houden we erg van ontwerpen. Wij houden ervan om de beste oplossing te vinden voor complexe problemen.
Wij hebben heel veel ge?nvesteerd in dit gebouw, we wonnen er elf jaar geleden de Europan 3 prijsvraag mee. De uitvoering heeft bijna vier jaar geduurd. Onlangs zei en collega architect tegen me dat de tijd van leuke architectuur voorbij is. Ik vind dat een interessante gedachte. In Nederland heeft leuk lang geregeerd. Wij hebben noot leuk ontworpen, wij zijn ook nooit ontdekt als aanstormende talenten op ons dertigste. Gelukkig niet. Wij nemen onze praktijk zeer serieus.?

?Ik ben trots op de detaillering, die is met zorg gedaan. Wij vinden daarvoor inspiratie bij Mies van der Rohe, hij was een meester in detailleren. Voor goede details is aandacht voor materialen en aandacht voor aansluitingen nodig. Zoals ik al zei: we hebben veel ge?nvesteerd in dit gebouw. Niet snel de goedkoopste oplossing maken maar doorzoeken naar waardige materiaalcombinaties. We hebben alles geprobeerd om het gebouw niet eenvormig te laten worden. In een van de lange gevels hebben we alle vormen van transparantie en kleur in het glas toegepast. Bij het andere gebouw wordt de gevel juist gemaakt met verschillende maten Western Red Cedar.
De gevels zijn fantastisch ruimtelijk geworden, ze lopen continu door. Er zijn niet echt kopgevels te bespeuren. Ik ben ook trots op deze trage trappen, als toegangspartij naar je woning. Ik ben trots dat woningbouw genomineerd is voor deze prijs?

interview met DAF

Een esthetische exercitie, DAF architecten FastFerry wachtruimte.

Architectenbureau DAF is minder eenvoudig te karakteriseren dan het lijkt. Het aan de universiteit in Delft opgeleide driemanschap heeft bijvoorbeeld geen duidelijke kopman, maar men wisselt steeds van rol. Ze praten allemaal gemakkelijk maar zijn geen van allen stellig. Ze zijn altijd zoekend, soms zelf aarzelend. Ze willen niet imponeren, maar hebben liever een open gesprek. Het bureau kan twijfel en onzekerheid hanteren. Het werk is ook niet eenvoudig te karakteriseren, omdat het divers en veelvormig is. Van planologische studies tot kleine paviljoens en van boerderij-achtige stadsvilla’s tot stoere pontons. Iedere marketing adviseur zou ze aanraden een ‘core-business’ te gaan benoemen, of ‘zichzelf te positioneren’ maar DAF is juist tevreden zonder die afbakeningen.

Het genomineerde project is een volledig uit staal opgetrokken wachtruimte op het aanlegponton aan de Willemskade in Rotterdam. De snelle boot verbinding (fastferry) tussen Rotterdam en Dordrecht meert er aan. Het was de enige halte aan de route zonder wachtvoorziening. Opdrachtgever was het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam en de bouwsom bedroeg 159.000 euro.

Catherine Visser: ‘Dat wij deze opdracht kregen was niet toevallig, we maakten al eens een kiosk in een recreatiepark, een mobiele tentoonstellingsruimte en een benzine station in Den Haag. Dat zijn ook allemaal sculpturale bakens geworden. FastFerry is een eenvoudige vorm die ruimtelijk heel veranderlijk is. Het getij helpt het gebouw bijzonder te maken. Bij laag water kan je soms vanaf de kade het dak niet eens zien terwijl je bij hoog water het hele ding pontificaal in je gezichtsveld staat. De Willemskade is een onstuimige plek, er moest een af te sluiten wachtruimte komen zodat passagiers niet het water in waaien. Wat wij bouwden werd gemonteerd op een al aanwezig ponton.

Ook de toegangsbrug lag er al, daar zijn we vanaf gebleven zodat het onderscheid goed te zien is.
Al bij al is het bouwwerk gecompliceerder dan het op het eerste gezicht lijkt: er zijn veel veiligheidseisen, de routing is ingewikkeld en de reactie van omwonenden was onvoorspelbaar. Er was eerder een klachtenprocedure tot aan de Raad van State geweest over de plaatsing van een aantal bomen, die het zicht wegnamen. De gemeente was erg gespannen, want dit object zou weer zicht gaan wegnemen. Uiteindelijk vindt de buurt het prachtig en zijn er geen problemen geweest.

Het ontwerpen van het object was een heel esthetische exercitie: waar moet het gebouw geplaatst worden zodat het beeld harmonisch blijft’ Door de robuuste wachtruimte aan de andere zijde van het ponton te plaatsen komt het ponton qua compositie in balans. Het staat nu dus helemaal aan de rand, technisch moest het ponton daardoor gecorrigeerd worden. Er moest meer drijfvermogen worden toegevoegd. De wachtruimte maakt op een vanzelfsprekende manier deel uit van het ponton.

De hoekige, duidelijke vormgeving is een krachtig gebaar maar ook een elegant beeld. Het gebouw is monolithisch, het lijkt van gegoten staal maar feitelijk is het een constructie van U-profielen die tweezijdig in staalplaat gevangen zijn. Alle naden zijn geslepen, om de eenvormigheid te benadrukken en is het totaal in één kleur geverfd. De twee kruizen dienen voor de stabiliteit in geval van botsende schepen. Aan de rand zitten stootborden waar schokdempers achter zitten die de klappen van het aanmeren van de boten kunnen opvangen. Het werk ademt het maritieme karakter van de Rotterdamse haven uit’.

Behalve vrijstaande objecten in de openbare ruimte maakt DAF ook vrijstaande woningen, vaak met een kap als dakvorm. In de architectuurwereld zijn kapbouwers verdacht. Het wordt als een teken van gedienstigheid en nostalgie gezien en daar hebben architecten en critici sinds het modernisme een broertje dood aan. Consumenten, en via hen projectontwikkelaars, willen echter graag vrijstaande huizen met grote kappen. Er zit dus een flinke spanning tussen vraag aan aanbod in de vrije markt. Nostalgisch of zelfs sentimenteel bouwen is daardoor haast een politieke daad geworden.

DAF is niet bang voor deze begrippen, ze gaan de vragen vanuit de markt niet uit de weg. Op een schap aan de wand staan dan ook tientallen maquettes van woningen met kappen. Grote, gedetailleerde, kleurrijke maquettes. Overal zijn verbasteringen van oude boerderijtypes in te zien. De grote huizen ogen marktconform terwijl er ook aan af te zien dat er intelligent ontwerpwerk achter schuil gaat.

‘Onze interesse voor historie is niet zozeer ingegeven door wat de markt wil, maar door wat wij de moeite waard vinden. Sentimenteel accepteer ik beter dan nostalgie. Nostalgie heeft iets vals, je verlangt naar een geïdealiseerde werkelijkheid. Je wil wel een boerenschuur maar niet de hardheid van het boerenleven, inclusief de stank en de armoe. Dat heeft sentiment niet, anders zou het gezegde vals sentiment pleonastisch zijn. Sentimenteel is altijd eerlijk.

Als een opdrachtgever iets nostalgisch wil, ben ik bereid die wens serieus te nemen. Historische kwaliteit wordt nou eenmaal erg gewaardeerd, oude steden worden mooi gevonden en in oude boerderijen wordt graag gewoond.

 We werden gevraagd om een vrijstaande woning te maken, in een stedenbouwkundig plan wat zo nadrukkelijk was dat je tussen de regels de boerderettes al zag staan. We hebben toen een ontwerp gemaakt dat de nostalgische vraag naar boerderette serieus neemt. Niet allen in de verschijningsvorm, een gezinswoning in een boerderijvorm, maar ook ruimtelijk. De zeer grote woonkamer is de deel met een houten kap en een schouw terwijl het voorhuis een opeenstapeling van kleine kamers is geworden’

Ook in de ferry wachtruimte speelt nostalgie een rol; het bouwwerk zou maritiem nostalgisch genoemd kunnen worden. DAF beseft zich dat er een duidelijk relatie met de kapwoningen is

‘Zelfs een ogenschijnlijk rationeel en functionalistisch gebouw als de FastFerry is’ k te begrijpen als havensentiment. Het is hypocriet dat een nostalgisch verlangen naar haven esthetiek vrijelijk botgevierd kan worden, terwijl een nostalgisch verlangen naar de boerderijwoning not done is.

Voor ons is de associatieve, mentale betekenis en de gefalsificeerde historische betekenis van ruimte relevant. Natuurlijk hebben we dan angst om banaal te worden. Maar ik vraag me toch nog steeds af waarom deze historische opgaven zoveel angst inboezemt bij veel collega’s.